Zesde week. Vrijdag
50. Nederigheid
-Zich onder de hoede van God stellen. -Egoïsme
en hoogmoed. -Groeien in nederigheid.
50.1 In het boek Genesis1 lezen we hoe de mensen zich hadden gewijd aan een kolossale
onderneming: de bouw van de stad Babel en een enorm grote toren. Het was
bedoeld als symbool van eenheid onder de mensheid en tegelijkertijd als
middelpunt. Maar het werk werd nooit afgemaakt, en de mensen vervreemdden meer
dan ooit van elkaar. Ze raakten onderling verdeeld, konden elkaars taal niet
meer verstaan en bleken niet meer in staat overeenstemming over iets te bereiken.
«Waarom mislukte
dit ambitieuze project? Waarom 'werkten de arbeiders tevergeefs'? Omdat de mensen als teken en
garantie voor de gewenste eenheid slechts een werk van hun handen hadden
opgericht, maar het handelen van de Heer hadden vergeten.»2 In zijn
commentaar op deze tekst uit de Heilige Schrift verbindt paus Johannes
Paulus ii de
zonde van deze mensen «die sterk en machtig wilden zijn zonder God, of zelfs
tegen God,» met de zonde van onze eerste ouders, die de bedrieglijke pretentie
koesterden te zijn zoals Hij.3 Het is de
hoogmoed, die ten grondslag ligt aan elke zonde en zich op zoveel verschillende
manieren openbaart. In het verhaal over de toren van Babel verschijnt het
uitsluiten van God niet als verzet tegen Hem, maar «als een vergeten van Hem,
onverschilligheid tegenover Hem, alsof God van geen enkel belang zou zijn bij
hetgeen de mens in werk en gemeenschap onderneemt. Maar in beide gevallen wordt
de relatie met God met geweld verbroken.»4
Wij zullen er altijd aan moeten denken, dat God
op ieder ogenblik het voortdurende referentiepunt moet zijn van onze verlangens
en plannen, en dat de neiging zich te laten leiden door hoogmoed, in het hart
van elke man en vrouw aanwezig is tot op het laatste moment van hun leven. Deze
hoogmoed zet ons ertoe aan om als God te zijn, ook al is het slechts binnen de
beperkte grenzen van onze belangen, of om van Hem af te zien, alsof Hij niet
onze Schepper en Heiland is van wie we in alles afhankelijk zijn. Zoals in het
verhaal over de gebeurtenissen in Babel is een van de eerste gevolgen van de
hoogmoed het uiteenvallen van de eenheid: in het eigen gezin, tussen broers en
zussen, vrienden, collega's, buren...
Een hoogmoedig iemand neigt ertoe, zoals de
bouwers van Babel, uitsluitend op eigen kracht te steunen; hij is niet in staat
om verder te kijken dan zijn eigen bekwaamheden en successen; zodoende komt hij
niet van de aarde af. Inderdaad, de hoogmoedige mens sluit God uit, alsof Hij
van geen belang is. Hij vraagt Hem niet om hulp, Hij brengt Hem geen dank. Hij voelt
ook geen behoefte om steun en advies te vragen in de geestelijke leiding,
hoewel juist daarin God zo vaak verlichting en kracht aan de ziel geeft. Hij
staat alleen en is zwak, ook al denkt hij zelf dat hij sterk is en tot grote
dingen in staat. Tengevolge hiervan is hij onvoorzichtig en vermijdt hij niet
de gelegenheden die de ziel in gevaar kunnen brengen. De apostel Jakobus wijst
erop dat God de hovaardigen weerstaat,
maar aan de nederigen genade geeft.5 Er is dikwijls gezegd dat hoogmoed de
grootste vijand van de heiligheid is omdat zij de oorsprong is van vele zonden
en zij de ziel berooft van ontelbare genaden en verdiensten.6 Zij is
tegelijkertijd de grote vijand van vriendschap, vreugde, ware sterkte...
Laten wij nooit God buiten sluiten in onze plannen.
«Hij is het fundament, en wij zijn het bouwwerk; Hij is de wijnstok en wij zijn
de ranken [...]; Hij is het leven en wij leven door Hem [...]; Hij is het licht dat
onze duisternis verdrijft.»7 Ons leven heeft zonder Christus geen zin; het kan geen ander fundament
hebben. Alles zal uiteenvallen en vernietigd worden, als wij in onze werken
niet tot Hem onze toevlucht nemen.
50.2 Nederigheid ligt ten grondslag aan elke deugd en vormt de steun voor
het christelijk leven. Tegenover deze deugd staat hoogmoed en in haar kielzog
het onvermijdelijke egoïsme. De egoïstische mens maakt zichzelf tot maatstaf
van alle dingen, zozeer dat hij uiteindelijk de houding aanneemt die de heilige
Augustinus aanduidt als de oorsprong van alle morele dwaling: «eigenliefde tot
en met het verachten van God.»8 De egoïst kan niet liefhebben: hij probeert altijd te krijgen, want
uiteindelijk heeft hij alleen zichzelf lief. Hij weet niet edelmoedig of
dankbaar te zijn, en als hij iets geeft, dan doet hij dat met berekening van
het voordeel dat het hem zou kunnen opleveren. Hij kan niet geven zonder iets
ervoor terug te verwachten. In feite veracht de egoïst de ander.
Hoogmoed is inderdaad de wortel van egoïsme,
dat een van de eerste uitingen daarvan is. In deze ondeugd ligt het begin van
alle kwaad.9 Egoïsme (alles bezien met het oog op persoonlijk voordeel) en hoogmoed
(de valse inschatting van de eigen bekwaamheden en het ongeordende verlangen in
het centrum van de belangstelling te staan) zijn ondeugden die vaak in elkaar
overgaan. uit deze twee ontspruiten alle zonden, want het begin van de zonde is de hoogmoed10 en het begin van de hoogmoed bestaat hierin, dat de
mens God verlaat.11
Hoe vaak hebben
wij in ons persoonlijk leven niet ervaren hoe waar de lessen van de heilige
Catharina van Siëna zijn: de ziel kan niet leven zonder
lief te hebben, en als zij God niet liefheeft, bemint zij zichzelf op
ongeordende wijze. Zo'n ongelukkige liefde «verduistert en belemmert de blik
van het verstand, dat dan niet meer helder ziet en zich slechts in een vals
licht beweegt. Het licht waarmee het verstand de dingen vooruitziet, is een
bedrieglijke schijn van het goede, van het valse genoegen waartoe de liefde
thans neigt... Daaruit haalt de ziel slechts ijdelheid en ongeduld.»12
Met Gods genade moeten we altijd waakzaam zijn
en de ijdelheid in al haar verschillende
uitingsvormen bestrijden: ijdelheid en verwaandheid (die zich dikwijls
heel duidelijk tonen in nutteloze gedachten, waarin men het middelpunt is, de
held, degene die in elke situatie overwint), het verachten van anderen (in de
vorm van spot, hoon, negatieve oordelen..., het steeds maar weer onderbreken van
een gesprek, altijd de puntjes op de i willen zetten of het laatste woord
willen hebben). De hoogmoedige mens is gewoonlijk ondankbaar en praat alleen
maar over zichzelf, over zijn persoontje en zijn zaken, want dat is
uiteindelijk het enige wat hem interesseert.
«We moeten de Heer vragen ons niet te laten
bezwijken voor die verleiding. Hoogmoed is de ergste en belachelijkste van alle
zonden. Als hij met zijn veelvoudige hallucinaties iemand in zijn gloeiende
klauwen krijgt, ziet het slachtoffer van de aanval schijnwerelden, vult hij
zich met leegte. Hij gedraagt zich als de kikker uit de fabel die zich
potsierlijk zo opblaast, dat hij ervan barst. Hoogmoed is onaangenaam, ook
vanuit menselijk standpunt gezien. Wie zich
boven alles en iedereen verheven voelt, is voortdurend bezig met
zichzelf en minacht de anderen die zich op hun beurt weer vrolijk maken om zijn
ijdele dwaasheid.»13
Sta niet toe, Heer, dat ik in zo'n ongelukkige
staat verval, waarin ik uw beminnelijke gelaat niet aanschouw noch de vele
deugden en goede kwaliteiten van de mensen om mij heen zie.
50.3 Om het
hoge bouwwerk van het christelijk leven op te richten
dienen wij een groot verlangen te koesteren om dieper door te dringen in de
deugd van nederigheid: door deze van de Heer af te smeken, door oprecht spijt
te hebben wanneer wij vergissingen, dwalingen en zonden begaan en ons te
oefenen in concrete daden van onthechting aan het eigen 'ik'... Nederigheid
brengt ontelbare vruchten voort en is verbonden met alle andere deugden, maar
heel bijzonder met vreugde,
kracht, kuisheid, oprechtheid, eenvoud, beminnelijkheid
en grootmoedigheid; een nederig mens komt gemakkelijk tot vriendschap en
zodoende ook tot apostolaat; zonder nederigheid kan men de naastenliefde niet
beoefenen.
Om nederiger te worden, moeten we erkennen dat
we gebreken, dagelijkse zwakheden hebben die we maar niet kunnen overwinnen...
Dikwijls, en wanneer we daarvoor in de gelegenheid zijn misschien met nog meer
aandacht, kan ons bij ons gewetensonderzoek een van de volgende vragen helpen:
«heb ik de Heer als boetedoening de smart aan te bieden die ik voel omdat ik
Hem zo vaak heb beledigd? Heb ik Hem de
schaamte aangeboden over mijn innerlijk schaamrood en vernederingen,
als ik aanschouw hoe weinig ik op de weg der deugden vooruit kom?»14 En dan de
vernederingen van buitenaf, die we niet verwachten of die ons onrechtvaardig
toeschijnen, dragen wij die omwille van Christus?15
Als we de sterke rots om op te bouwen zoeken -de
nederigheid van de Heer-, dan zullen we elke dag talloze mogelijkheden daar
tegenkomen: alleen over onszelf te spreken wanneer dit nodig is, en liever nog
wat minder; dankbaar zijn voor de kleine gunsten van de mensen uit onze
omgeving, in gedachten houdend dat we niets verdienen; God danken voor de
talloze weldaden die we ontvangen; het leven prettiger maken voor degenen die
we in de loop van de dag ontmoeten; nutteloze gedachten van ijdelheid en
verwaandheid van ons afwerpen; geen kans voorbij laten gaan om kleine diensten
te verlenen thuis, op het werk, overal. We moeten ons laten helpen of om advies
vragen. Als we eerlijk tegen onszelf zijn, vragen we of God ons helpt onze
zonden en fouten niet te rechtvaardigen,
die dingen die ons vernederen en waarvoor we anderen soms om vergeving
moeten vragen, eerlijk tegenover God en in de geestelijke leiding, waar wij
Jezus eveneens ontmoeten...
Wanneer wij onze ogen op Christus richten,
vinden wij ook de moed die nodig is om onze fouten en vergissingen toe te
geven: misschien hadden we eerst meer gegevens moeten verzamelen, ons beter op
de hoogte moeten stellen van de omstandigheden...
Laten we deze deugd leren door het leven van de
heilige Maria te beschouwen. God heeft grote dingen aan haar gedaan. «Quia respexit humilitatem ancillae suae, want Hij zag de nederigheid van zijn dienstmaagd... -Ik raak er iedere dag meer van overtuigd dat de echte
nederigheid de bovennatuurlijke basis is van alle deugden! -Spreek met
Onze Lieve Vrouw, opdat zij ons oefent die weg te begaan.»16
-1. Gen 11,1-9. -2. Johannes Paulus ii, Reconciliatio et poenitentia, 13. -3. Gen 3,5. -4. Johannes Paulus ii, o.c.,
14. -5. Jak 4,6. -6. R. Garrigou-Lagrange o.p., Het zieleleven van den christen. -7. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over de eerste
brief aan de Korintiërs. 8.
-8. H. Augustinus, De Stad Gods,
14,28. -9. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I-III, q177,a4,c. -10. Sir
10,12. -11. Sir 10,13. -12. H. Catharina van Siëna, Dialogi, 51. -13. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God,
100. -14. Idem, De Smidse, 153. -15. Idem, De Weg, 594. -16. Idem, De Voor, 289.
|