Vierde week. Woensdag
25. OEFENINGEN VAN DANKZEGGING
-God dankbaar zijn voor alle weldaden is een blijk van
geloof, hoop en liefde. Talloze motieven om dankbaar te zijn. -De goedheid van
God jegens ons overwegen. De natuurlijke deugd van dankbaarheid. -De
dankzegging na de heilige Mis en de communie.
25.1 Onder de volken wil ik uw grootheid
verkondigen, Heer, uw Naam bekend maken aan al mijn broeders1, bidden we in de
introïtus van de Mis.
De Heilige Schrift nodigt
ons voortdurend uit God dank te zeggen: hymnen, psalmen, de woorden van
al die rechtschapen mannen zijn doortrokken van lof en dank aan God. Loof
mijn ziel, de Heer, vergeet nimmer alwat Hij heeft gedaan2, zegt de psalmist. Dankzegging is een buitengewoon
mooie vorm voor onze betrekkingen met God en met de mensen. Het is een wijze
van bidden, die de Heer zeer welgevallig is en die op een of andere wijze
vooruitloopt op de lof die wij Hem voor
eeuwig zullen brengen. Dankbaarheid maakt ook het dagelijks samenleven
aangenaam. Wij noemen het misoffer terecht 'eucharistie', wat betekent
'oefening van dankzegging', als een vooruitlopen op de eeuwige lofprijzing van
God, waarin de gelukzaligheid zal bestaan.
In het evangelie van Lucas zien we hoe de Heer zich beklaagt
over de ondankbaarheid van die melaatsen. Nadat zij genezen waren, dachten ze
niet meer aan degene die hun de gezondheid teruggegeven had, en daarmee hun
gezin, hun werk... hun leven. Jezus wachtte op hen.3 Bij een andere gelegenheid treurde Hij
over de stad Jeruzalem, omdat zij geen oog had voor de oneindige barmhartigheid
van God die haar bezocht4 en behoedde als een kloek die haar kuikens onder de
vleugels verzamelt.5
Dankzeggen is een manier om het geloof uit te spreken, want wij erkennen God als bron van al het goede. Het
is een blijk van hoop, want het is een bevestiging van ons vertrouwen in
God. Dankzegging voert tot liefde6 en tot nederigheid, want we erkennen dat we arm en
behoeftig zijn. De heilige Paulus spoort de eerste christenen dringend aan
dankbaar te zijn: Dankt God voor alles. Dit is het wat God van u verlangt in
Christus Jezus.7 Hij
beschouwt ondankbaarheid als een van de oorzaken van het heidendom.8
«De heilige Paulus -merkt de heilige Johannes Chrysostomus
op- brengt in al zijn brieven dank voor alle weldaden ter wereld. Laten wij dat
ook doen voor de kleine en grote weldaden, die wij zelf en ook anderen
ontvangen.»9 Ooit,
als we voor altijd in Gods aanwezigheid zijn, zullen we in alle helderheid
begrijpen dat we niet alleen ons bestaan aan Hem danken, maar ook dat het
vervuld is van zoveel zorg, genade en weldaden, «dat ze in aantal de
zandkorrels in de zee overtreffen».10 We zullen ons er rekenschap van geven, dat er alleen maar
motieven zijn tot dankzegging aan God en aan de anderen. Alleen als het geloof
uitdooft, kan een mens blind worden voor al het goede dat hem ten deel valt.
«Maak er een gewoonte van, gedurende de dag je hart dikwijls
in dankbaarheid tot God te verheffen. -Omdat Hij je dit of dat geeft. -Omdat
men je geminacht heeft. -Omdat je niet hebt wat je nodig hebt, of omdat je het
wèl hebt.
»Omdat Hij zijn Moeder, die ook jouw Moeder is, zo
aantrekkelijk maakte. -Omdat Hij de zon geschapen heeft en de maan en dat dier
en die plant daar. -Omdat Hij die en die mens zo welsprekend gemaakt heeft en
jou zo onhandig in je woorden...
»Dank Hem voor alles, want alles is goed.»11
25.2 De Heer leert ons voor de kleinste gunsten
dankbaar te zijn: En wie een van deze kleinen al was het maar een beker koud
water geeft, omdat hij mijn leerling is, voorwaar, Ik zeg u: zijn loon zal hem
zeker niet ontgaan.12 De Samaritaan die terugkeerde om te bedanken, ging heen
met een nog groter geschenk, een diep gelovige vriendschap voor de Heer: Sta
op en ga heen, uw geloof heeft u gered13, zei Jezus tot hem. De negen ondankbare
melaatsen bleven verstoken van een meer intieme verhouding met Jezus. De Heer
verwacht van ons, christenen, dat wij elke dag met hem verbonden blijven en
heel vaak zeggen: 'Dank U, Heer!'
Als natuurlijke deugd smeedt dankbaarheid een nauwe band
tussen mensen en geeft een betrouwbare kijk op het karakter van de ander. 'Aan
de dankbaarheid meet men de afkomst af ', luidt de volkswijsheid. Als die deugd
ontbreekt wordt harmonieus samenleven een moeilijke opgave.
Dankbare herinneringen aan attenties wekken in ons het
verlangen eveneens attent te zijn. Gewoonlijk volstaan we met een kort en
hartelijk dankwoord. Maar de hele dag kan vervuld zijn van attenties tussen
mensen met wie we leven, en dan schept een eenvoudig woord van dankbaarheid een
sfeer van onderlinge liefde.
Wie God dankbaar is, zal ook dankbaar zijn voor de mensen in
zijn omgeving. Hij weet met groot gemak die kleine gunsten op waarde te
schatten en ervoor te bedanken. Een hoogmoedig mens die alleen in zijn eigen
zaken belang stelt, is niet tot dankbaarheid in staat: hij denkt dat hij op alles
recht heeft.
Als we aandacht hebben voor God en de naasten, stellen we er
thuis prijs op, dat alles schoon en opgeruimd is, dat de ramen gesloten zijn om
de kou buiten te houden, dat de kleren gewassen en gestreken zijn... En als er
iets op een gegeven moment niet is zoals we gehoopt hadden, dan zullen we het
verontschuldigen, want er zijn nog veel goede dingen gedaan.
Heel de menselijke samenleving zit vol met wederzijdse grote
of kleine diensten: van de arts, de postbode, de chauffeur van de bus... Wat zou
de samenleving veranderen, als we niet alleen de rekeningen voldoen, maar
daarboven steeds dankbare mensen zijn!
25.3 Onze uitingen van dankbaarheid gelden vóór
alles God zelf, omdat we omringd zijn door zijn zorgen en gunsten: «Hij dompelt
ons onder in genade.»14 Er
is echter één zeer uitgelezen ogenblik waarin de Heer ons overstelpt met zijn
gaven, en waarin we Hem bijzonder dankbaar moeten zijn: de dankzegging na de
Mis.
Het is een èchte dankzegging als onze dialoog met Christus in
die minuten uitmunt door innigheid, openheid en vreugde. Akten van aanbidding,
smeken, nederigheid, eerherstel en dankzegging mogen niet ontbreken. «De
heiligen [...] hebben ons dikwijls voorgehouden, dat de sacramentele dankzegging
het kostbaarste moment van het geestelijk leven is.»15
Sluit in die momenten de deur van je hart voor alles, -ook
als het zeer belangrijk lijkt- wat niet van de Heer is. Het belangrijkste is,
dat wij met Hem zijn. Soms zullen we alleen zijn met Hem, en dan zijn woorden
overbodig. Het is voldoende te weten dat Hij in ons is en wij in Hem. Er zal
niet veel voor nodig zijn diep gelukkig te zijn door de intieme aanwezigheid
van de goddelijke Vriend. Rondom Hem zijn engelen die Hem in ons diepste
binnenste aanbidden... Op dat moment gaat ons niets boven dat hemelse samenzijn.
Waarom zouden we dan nog aan andere dingen denken?
Bij andere gelegenheden zullen we een gebedenboek ter hand
nemen. De gebeden daarin hebben al gedurende eeuwen de vroomheid van vele
generaties christenen gevoed: U, God, loven wij; Lofzang van de drie
jongelingen; Ik aanbid U met eerbied; Ziel van Christus... en nog zoveel
andere gebeden, die heiligen en goede christenen die Jezus in het
Allerheiligste werkelijk beminden, ons hebben nagelaten als voedsel voor onze
vroomheid.
«Onze liefde voor Christus die zich aan ons geeft, vraagt om
stille voortzetting van de dankzegging na de Heilige Mis. En hoe zullen we ons
dan tot de Heer richten, met Hem spreken, hoe ons gedragen?
»Het christenleven kent geen strenge regels [...]. Ik meen toch
dat onze samenspraak met Jezus bij de dankzegging na de heilige Mis heel
dikwijls dit schema kan volgen: Jezus is voor ons Koning, Geneesheer, Leraar en
Vriend.»16 Koning,
omdat Hij ons vrijgekocht heeft van de zonde
en ons overgebracht heeft naar het rijk van het licht. We bidden Hem dat
Hij mag heersen in ons hart, in de woorden die we die dag zullen spreken, in
het werk dat we Hem geofferd hebben, in onze
gedachten, in al ons handelen.
In de communie zien we Jezus als Geneesheer, en bij Hem
vinden we het geneesmiddel voor al onze ziekten. Wij willen daarom tot de
communie naderen zoals de blinden, doven, lammen... En laten we niet vergeten,
dat we in onze ziel, binnen handbereik, de bron hebben van eeuwig leven. Hij ís
het Leven.
Jezus is de Leraar en wij erkennen dat Hij woorden van eeuwig
leven spreekt... en in ons is zoveel onwetendheid! Hij onderricht ons zonder
ophouden, maar denk eraan, dat je Hem niet zult horen, wanneer je je bezig
houdt met je fantasie.
In de communie beschouwen we Jezus als vriend, de echte
Vriend, van wie we leren wat vriendschap is. We vertellen Hem, wat er met ons
is gebeurd en er komt altijd een woord, dat moed en troost geeft. Hij begrijpt
ons goed. Denk eraan, dat het dezelfde werkelijke tegenwoordigheid is die we in
de hemel zullen ontmoeten, dat er engelen om Hem heen zijn... Vraag zo nu en dan
je engelbewaarder: 'Bedank Hem, namens mij; jij kunt dat vast beter dan ik'.
Geen ander schepsel dan de heilige maagd Maria, in wier schoot de Zoon van God
negen maanden verbleef, kan ons leren beter met Hem om te gaan in de
dankzegging na de communie. Laten we tot haar onze toevlucht nemen.
-1. Introïtus, Ps 18(17),50; 22(21),23.
-2. Ps 103(102),2. -3. Vgl. Lc 17,11 e.v. -4. Vgl. Lc
19,44. -5. Vgl. Mt 23,37. -6 Vgl. H.
Thomas van Aquino, Summa Theologiae, II-II, q100, a3. -7. 1
Tes 5,18. -8. Vgl. Rom 1,18-32. -9. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs,
25,4. -10. Ibidem. -11. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 268. -12. Mt 10,42. -13. Lc
17,19. -14. Ch. Journet, Causeries
sur la grâce. -15. R.
Garrigou-Lagrange O.P., Het zieleleven van den christen, I, 15,
bl. 328. -16. H. Jozefmaria Escrivá,
Als Christus nu langs komt, 92.
|