Derde zaterdag na
Pinksteren. Gedachtenis
51. ONBEVLEKT HART VAN MARIA
Nadat in 1942 de wereld was toegewijd aan
het allerzoetste en moederlijke Hart van de Maagd Maria, werden er talrijke
verzoeken tot de paus gericht om de eredienst tot het Onbevlekt Hart van Maria,
die reeds op enkele plaatsen bestond, tot heel de Kerk uit te breiden.
Pius xii stemde
in 1945 hiermee in, «omdat we er zeker van zijn dat wij in haar
allerbeminnelijkst Hart [...] de veilige haven vinden te midden van de stormen
die ons overal bedreigen». Door het symbool van het hart vereren wij in Maria
haar allerzuiverste en volmaakte liefde voor God en haar moederlijke liefde
voor ieder mens. In haar hart vinden wij een toevlucht te midden van de
moeilijkheden en bekoringen van het leven en de veilige weg -iter para tutum-
om rechtstreeks tot haar Zoon te komen.
-Het Hart van Maria. -Een moederlijk Hart. -Cor Mariae dulcissimum, iter
para tutum.
51.1 In mij is
alle genade van de weg en de waarheid, in mij alle hoop op leven en kracht1, zo lezen we in
de introitus van de heilige mis.
Zoals we op het feest van gisteren hebben
overwogen, is het hart de uitdrukking en het symbool van iemands innerlijk. De eerste keer dat in het evangelie het
Hart van Maria wordt vermeld, wordt tevens heel de rijkdom van het
innerlijke leven van de Maagd tot uiting gebracht: Maria -schrijft de heilige Lucas- bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij
zichzelf.2
De prefatie van de
heilige mis verkondigt, dat het Hart van Maria 'wijs' is,
want zij begreep als geen ander schepsel de betekenis van de Schriften en zij
bewaarde de herinnering aan de woorden en
gebeurtenissen die verband hielden met het heilsmysterie; 'onbevlekt',
dat wil zeggen, vrij van elke zondesmet; 'onderdanig', want zij gaf zich vol
trouw over aan Gods wil in al haar verlangens; 'nieuw', overeenkomstig de oude
profetie van Ezechiël -Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in u
uitstorten3- bekleed met
de nieuwheid van de door Christus verdiende genade; 'nederig', in navolging van
de nederigheid van Christus, die sprak: Leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart4;
eenvoudig, vrij van
iedere dubbelzinnigheid en vol van de Geest van waarheid; 'zuiver', in
staat om God te zien volgens de Zaligspreking van de Heer5; 'sterk' in het aanvaarden van Gods wil, toen Simeon
haar aankondigde, dat een zwaard van droefheid haar hart zou doorboren6, toen de vervolging van haar Zoon losbarstte7 of toen het ogenblik van zijn dood kwam; 'bereid',
want toen Christus in het graf rustte, was zij, in navolging van de Bruid uit
het 'Hooglied' 8, waakzaam in afwachting van de
verrijzenis van Christus.
Het Onbevlekt Hart
van Maria wordt vooral 'heiligdom van de Heilige Geest'
genoemd9, vanwege haar goddelijk moederschap en
de voortdurende en volle inwoning van Gods Geest in haar ziel. Dit verheven moederschap,
waardoor Maria boven alle schepselen verheven is, werd in haar Onbevlekt Hart
werkelijkheid nog eerder dan in haar allerzuiverst binnenste. Het Woord aan wie
zij het vleselijk leven schonk, ontving zij eerder reeds in geloof in haar
hart, zoals de heilige vaders bevestigen.10 Door
haar Onbevlekt Hart, vol van geloof en liefde, nederig en aan Gods wil
overgeleverd, verdiende Maria het om in haar maagdelijke schoot de Zoon van God
te dragen.
Zij beschermt ons steeds, zoals een moeder haar
kindje dat overal omringd wordt door gevaren en moeilijkheden, en zij doet ons
voortdurend groeien. Zouden wij dan niet dagelijks tot haar gaan? «Sancta
Maria, Stella maris, Heilige Maria, Sterre
der Zee, leid ons! -Roep alzo krachtig tot haar, want geen enkele storm
kan het allerzoetste Hart van Maria schipbreuk doen lijden. Als je de storm
ziet aankomen, plaats je dan onder de krachtige bescherming van Maria en er
bestaat geen gevaar meer voor kapseizen of zinken.»11
In haar hart vinden we een veilige haven waar men onmogelijk schipbreuk kan
lijden.
51.2 Maria
bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf.12
Het Hart van Maria
bewaarde als een schat de aankondiging van de engel
omtrent haar goddelijk moederschap; zij bewaarde voor altijd de gebeurtenissen
die hadden plaats gevonden in de nacht van Betlehem en hetgeen de herders vóór
de kribbe zeiden, en de komst, dagen of maanden later, van de Wijzen met hun
gaven, de profetie van de oude Simeon en de kwellingen van haar tocht naar
Egypte... Later werd zij diep geraakt door het verlies van haar Zoon in
Jeruzalem, toen Hij twaalf jaar oud was, en door de woorden die Hij tot haar en
Jozef sprak toen zij, vol angst, Hem uiteindelijk vonden. Daarna ging Hij met hen mee naar Nazaret en was aan hen onderdanig.
Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart.13 Nooit vergat Maria, in de jaren dat zij hier op
aarde leefde, de gebeurtenissen rond de dood van haar Zoon aan het kruis en de
woorden die zij daar van Jezus hoorde: Vrouw, zie daar uw zoon.14 En toen Hij haar Johannes aanwees, zag zij in deze
ons allen, alle mensen. Vanaf dat ogenblik beminde zij ons in haar Hart met de
liefde van een moeder, met dezelfde liefde waarmee zij Jezus had bemind. In ons
herkende zij haar Zoon, zoals Hij zelf had gezegd: Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn
broeders hebt gij voor Mij gedaan.15
Maar Onze Lieve Vrouw vervulde haar moederschap
nog voordat de verlossing op Calvarië
volbracht was, want zij is moeder vanaf het moment waarop zij door haar
'fiat' haar medewerking verleende aan de
redding van alle mensen. In het verhaal van de bruiloft van Kana
onthult de heilige Johannes ons een echt
moederlijke karaktertrek van Maria's Hart: haar waakzame zorg voor de
anderen. Een moederlijk hart is altijd een zorgzaam, waakzaam hart: niets wat
haar kind aangaat blijft voor een moeder onopgemerkt. In Kana ontvouwt het
moederlijk Hart van Maria de waakzame zorg
ten gunste van enkele verwanten of vrienden, om een pijnlijke situatie
op te lossen, maar zonder ernstige gevolgen.
De evangelist heeft ons op goddelijke ingeving willen aantonen, dat
niets menselijks haar vreemd is en dat niemand van haar vurige tederheid is
uitgesloten. Onze kleine fouten en dwalingen, maar ook onze grote schuld, zijn
voorwerp van haar toewijding. Zij heeft aandacht voor vergeetachtigheid en
zorgen, evenals voor de grote angsten die soms de ziel kunnen overstromen. Ze hebben geen wijn 16, zegt zij tot haar Zoon. Allen zijn verstrooid,
niemand let erop. En ofschoon het uur van de wonderen nog niet gekomen lijkt te
zijn, weet zij het te bespoedigen.
Maria kent het Hart van haar Zoon en zij weet
hoe zij het kan bereiken; nu, in de hemel, is haar houding nog steeds
hetzelfde. Op haar voorspraak komen onze smeekbeden «eerder, méér en beter»
voor het aanschijn van de Heer. Daarom mogen
wij vandaag tot haar het oude kerkelijke gebed richten: Recordare, Virgo
Mater Dei, dum steteris in conspectu Domini, ut
loquaris pro nobis bona17, Vergeet
niet, Maagd en Moeder Gods, die steeds voor God staat, om voor ons ten beste te
spreken. Dàt hebben wij zeer wel nodig!
Als wij deze
voorspraak van Onze Lieve Vrouw overwegen, dan gaat het er
wellicht niet zozeer om, dat we nog een devotie erbij gaan koesteren, maar dat
wij leren om met méér vertrouwen met haar om te gaan, met de eenvoud van kleine
kinderen die op elk moment naar hun moeder snellen: zij doen dat niet alleen in
ernstige noden, maar ook bij de kleine probleempjes die zij ontmoeten. Moeders
helpen hen met vreugde om de kleinste moeilijkheden op te lossen. Zij -de
moeders- hebben dat geleerd van onze Moeder in de hemel.
51.3 Wanneer wij de luister en heiligheid van het Onbevlekt Hart van Maria overwegen, kunnen
wij vandaag ons eigen binnenste onderzoeken: staan wij open en zijn wij ontvankelijk voor de genaden en ingevingen van de
Heilige Geest? Behoeden wij ijverig ons hart van alles wat ons van God kan verwijderen? Rukken wij kiemen van wrok,
afgunst... die zich in ons proberen te nestelen, bij de wortel uit? Wij
weten dat woorden en daden zullen spreken van hun rijkdom of armoede, want een goed mens brengt uit
zijn schat van goedheid goede dingen te voorschijn.18
Van Onze Lieve Vrouw stromen de genaden van
vergeving, goedertierenheid, van hulp in nood naar ons toe... Daarom bidden wij haar
vandaag, dat zij ons een zuiver, menselijk hart moge schenken, vol begrip voor
de tekortkomingen van hen die bij ons zijn, beminnelijk jegens allen, dat in
staat is de smart te aanvaarden in welke omstandigheid we die ook aantreffen,
altijd bereid om de hulpbehoevende te helpen: «Mater Pulchrae dilectionis, Moeder der schone Liefde,
bid voor ons! Leer ons God en onze broeders te beminnen zoals Gij hen hebt
liefgehad: geef ons, dat onze liefde voor de anderen altijd geduldig,
welwillend, vol achting is [...], geef dat onze vreugde altijd waarachtig en
volledig is, om ze op allen te kunnen overbrengen»19,
en heel bijzonder op degenen met wie wij volgens de wil van de Heer door de
krachtigste banden verbonden zijn.
Wij herinneren ons
vandaag hoe in de hoogste noden de Kerk en haar kinderen
hun toevlucht hebben gezocht tot het allerzoetste Hart van Maria om aan haar de
wereld, de volkeren of de gezinnen toe te
wijden.20 Wij hebben altijd aangevoeld,
dat wij alleen in haar zoete Hart veilig zijn. Vandaag geven wij opnieuw alles
wat we zijn en hebben aan haar Hart over. Wij leggen in haar schoot de goede
dagen en die welke kwaad lijken te zijn, de ziekten, zwakheden, ons werk,
vermoeidheid en rust, de edele idealen die de Heer in onze ziel heeft gelegd;
in het bijzonder leggen wij in haar handen onze opgang naar Christus, opdat zij
die moge behoeden voor alle gevaren en hem met
tederheid en kracht bewaakt, zoals moeders dat doen. Cor Mariae dulcissimum, iter para tutum,
Allerzoetst Hart van Maria, bereid mij..., bereid hun een veilige weg.21
Wij eindigen ons gebed door de Heer te vragen,
met de woorden van de liturgie van de heilige mis: Heer, onze God, Gij hebt het Hart van de heilige Maagd Maria
tot een waardig verblijf gemaakt voor de Heilige Geest. Geef ons een zuiver en
volgzaam hart, opdat wij, altijd onderworpen aan uw geboden, U boven alles
beminnen en onze broeders helpen in hun noden.22
-1. Introïtus. Missen van de Maagd Maria, I. Mis van het
Onbevlekt Hart van Maria, 28.
-2. Lc 2,19. -3. Vgl. Ez 36,26. -4. Mt 11,29. -5. Vgl. Mt 5,8. -6. Vgl. Lc 2,35. -7. Vgl. Mt 2,13. -8. Vgl. Hl 5,2. -9. Vgl. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 53. -10. Vgl. H. Augustinus, Tractaat over de maagdelijkheid, 3. -11. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 1055. -12. Communiegebed, Lc 2,19. -13. Lc 2,51. -14. Joh 19,26. -15. Mt 25,40. -16. Vgl. Joh 2,3. -17. Vgl. Jer 18,20. -18. Mt 12,35. -19. Johannes Paulus ii, Homilie 31-V-1979. -20. Vgl. Pius xii, Toespraak Benedicite Deum, 31-X-1942; Johannes Paulus ii, Homilie te
Fatima, 13-V-1982. -21. Vgl.
Hymne Ave Maris Stella. -22. Gebed van
de mis.