8 december. Hoogfeest
52. Onbevlekte Ontvangenis
van de heilige Maagd Maria
Dit feest werd op 8 december 1854 door Pius ix ingesteld
ter gelegenheid van de afkondiging van het dogma. De dogmatische bepaling gaf
een nadere verduidelijking van de betekenis van de geloofswaarheid en
bevestigde op plechtige wijze het onophoudelijke geloof van de Kerk. Dit feest
werd in het Oosten vanaf de achtste eeuw gevierd en sinds een eeuw daarna ook
op vele plaatsen in het Westen.
-De Maagd in het mysterie van Christus. -Haar volheid van
genade, verkregen op het ogenblik van haar Onbevlekte Ontvangenis. -Om de Maagd
na te volgen moeten we met haar omgaan. Devoties.
52.1 Ik
verheug mij uitbundig om Jahwe, ik jubel en juich om mijn God, want Hij heeft
mij bekleed met gewaden van redding, mij gehuld in een mantel van heil, zoals
een bruid zich met haar opschik tooit.1
Deze woorden legt de liturgie op dit hoogfeest Onze Lieve Vrouw in de mond, en
zij drukken de vervulling van de oude profetie van Jesaja uit.
Al het schoons en mooie wat men van een schepsel kan zeggen,
dat zingen wij vandaag onze hemelse Moeder toe. «Laat heden heel de schepping
jubelen en de natuur van vreugde trillen. Laat de hemel in de hoogte zich
verblijden en de wolken de gerechtigheid uitstrooien. Laat de bergen zoete
honing druppelen en jubel de heuvels, want de Heer heeft zich over zijn volk
erbarmd en ons een machtige Redder verwekt in het huis van zijn dienaar David,
dat wil zeggen in deze alleronbevlektste en zuiverste Maagd, door wie het heil
en de hoop tot de volkeren komt»2, zo jubelt een
oude kerkvader.
De Heilige Drieëenheid bepaalde, omdat zij de mensheid wilde
redden, de uitverkiezing van Maria tot Moeder van Gods mensgeworden Zoon. Meer
nog: God wilde dat Maria door één, onlosmakelijke band niet slechts verbonden
werd met de menselijke en aardse geboorte van het Woord, maar evenzo met heel
het verlossingswerk dat Hij zou gaan volbrengen. In Gods heilsplan is Maria
altijd verenigd met Jezus, volmaakt God en volmaakt mens, enige Middelaar en
Redder van het menselijk geslacht. «Zij was van eeuwigheid samen met de
menswording van het Woord van God door een raadsbesluit van de goddelijke
Voorzienigheid tot Moeder van God voorbestemd.»3
Vanwege deze wonderbaarlijke en geheel uitzonderlijke uitverkiezing
was Maria vanaf het eerste ogenblik van haar natuurlijk bestaan met haar Zoon
verenigd in de verlossing van de mensheid. Zij is de vrouw van wie het boek
Genesis ons spreekt in de eerste lezing van de heilige mis.4 Na de erfzonde te hebben begaan, sprak God tot de
slang: Vijandschap sticht Ik tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en het
hare. Maria is de nieuwe Eva, uit wie een nieuw geslacht geboren zal worden: de
Kerk. Vanwege deze uitverkiezing ontving de allerheiligste Maagd een volheid
van genade die groter was dan die welke aan alle engelen en heiligen te zamen
was verleend, zoals het toekwam aan de Moeder van de Heiland. Maria neemt een
uitzonderlijke en unieke plaats in tussen God en de mensen. Zij bekleedt in de
Kerk na Christus de hoogste plaats, een plaats die ook het dichtst bij ons is5; zij is het volmaakte voorbeeld van de Kerk6, toonbeeld van alle deugden7,
tot wie wij dienen op te zien om te pogen betere mensen te worden. Haar heilzame
en heiligende macht is zo groot, dat hoe meer haar devotie, door Christus'
genade, verbreid wordt, zij des te meer gelovigen naar haar Zoon en naar de
Vader toetrekt.8
Op haar, allerzuiverste, stralende, richten wij onze ogen,
«als de Ster die ons leidt door de donkere hemel van de menselijke
verwachtingen en onzekerheden, vooral op deze dag, wanneer boven de ondergrond
van de Adventsliturgie dit jaarlijkse hoogfeest van uw Onbevlekte Ontvangenis
straalt en wij u in het eeuwige goddelijke heilswerk aanschouwen als de open
Deur, waardoor de Redder van de wereld zal komen.»9
52.2 Verheug
u, begenadigde, de Heer is met u; gij zijt de gezegende onder de vrouwen.10
Door een geheel uitzonderlijke genade en met het oog op de
verdiensten van Christus, bleef de heilige Maria gevrijwaard tegen iedere smet
van de erfzonde, vanaf het eerste moment van haar ontvangenis. God «beminde
haar met een liefde die zozeer de liefde tot ieder schepsel overtrof, dat Hij
in haar met een uitzonderlijke welwillendheid behagen ging scheppen. Daarom
heeft Hij haar overladen met de overvloed van al zijn hemelse gaven, die Hij
uit de schat van zijn goddelijkheid had gehaald, hoog boven alle engelen en
heiligen, zo wonderbaarlijk, dat zij, altijd volledig vrij van elke zondesmet,
en volkomen schoon en volmaakt, zulk een volheid van onschuld en heiligheid
tentoonspreidde, dat men op geen enkele manier een grotere na God kan bedenken
en niemand zich buiten God, kan voorstellen.»11
Deze vrijwaring voor de zonde is bij Onze Lieve Vrouw in de
eerste plaats een geheel uitzonderlijke en gekwalificeerde volheid van genade;
de genade ging bij Maria -zo onderrichten de theologen- aan de natuur vooraf.
In haar herkreeg alles weer zijn oorspronkelijke betekenis en de volmaakte
eenheid zoals God die wilde. De gave waardoor zij bespaard bleef van elke smet,
werd haar verleend bij wijze van vrijwaring voor iets wat men niet oploopt. Zij
was vrij van elke werkelijke zonde, zij kende geen enkele onvolmaaktheid -noch
morele, noch natuurlijke-, zij had geen ongeordende neigingen en zij kon
evenmin echte innerlijke bekoringen ondergaan; zij had geen ongecontroleerde hartstochten;
zij leed niet aan de gevolgen van de begeerte. Nooit was zij in ook maar iets
aan de duivel onderworpen.
Ook Maria werd verlost en die verlossing werkte in haar, omdat
zij alle genade ontving in het vooruitzicht van de verdiensten van Christus.
God bereidde haar, die de Moeder van zijn Zoon zou worden, toe met heel zijn
oneindige liefde. «Wat zouden wij gedaan hebben als wij onze moeder hadden
kunnen kiezen? Ik denk dat wij de moeder hadden gekozen die wij hebben en haar
daarbij met alle voortreffelijkheden hadden overladen. Dat is precies wat
Christus heeft gedaan: omdat Hij almachtig is, alwetend, omdat Hij de liefde
zelf is, heeft zijn macht alles verwezenlijkt wat Hij wilde.»12
Vanaf dit grote feest ontwaren wij reeds de nabijheid van
Kerstmis. De Kerk heeft gewild, dat beide feesten kort na elkaar gevierd
worden. «Zoals de eerste groene scheut de komst van de lente aankondigt in een
verkilde, dood lijkende wereld, zo kondigt in een wereld die bezoedeld is door
de zonde en in grote wanhoop verkeert, deze Ontvangenis zonder smet het herstel
aan van de onschuld van de mens. Zoals de scheut ons de zekere belofte geeft
dat uit haar de bloem zal ontspringen, zo geeft de Onbevlekte Ontvangenis ons
de onfeilbare belofte van de maagdelijke geboorte [...]. Nog was het winter in
heel de wereld die haar omringde, uitgezonderd in het vredige huisgezin waar de
heilige Anna een kind het levenslicht schonk. De lente was reeds begonnen.»13 Het nieuwe Leven nam zijn aanvang in onze Moeder op
hetzelfde ogenblik, waarop zij zonder enige smet en vol van genade werd
ontvangen.
52.3 Tota
pulchra es, Maria, gij zijt geheel schoon, Maria, in u is geen enkele smet van
zonde.
De Onbevlekte Maagd zal altijd het ideaal zijn dat wij moeten
navolgen. Zij is het toonbeeld van heiligheid in het gewone leven, in het
dagelijkse, zonder aandacht te vragen, omdat zij in het verborgene voorbij weet
te gaan. Om haar na te volgen moeten wij met haar omgaan. Gedurende deze dagen
van de Noveen hebben wij gepoogd om met haar een stap voorwaarts te zetten. We
kunnen haar niet meer in de steek laten; vooral omdat onze Moeder ons niet in
de steek laat.
De profetie die de Maagd ooit gesproken had: Alle geslachten zullen mij zalig prijzen...14, die zijn wij thans aan het vervullen en die is door
de eeuwen heen letterlijk vervuld: dichters, geleerden, handwerkslui, koningen
en krijgslieden, mannen en vrouwen van rijpere leeftijd en kinderen die nog
maar nauwelijks hebben leren praten; op het veld, in de stad, boven op een
berg, in de fabrieken en op de wegen, in omstandigheden van smart en vreugde,
op bovennatuurlijke ogenblikken (hoeveel miljoenen christenen zijn niet
gestorven met de zoete naam van Maria op de lippen en in gedachten!), heeft men
Onze Lieve Vrouw iedere dag aangeroepen en roept men haar nog steeds aan. Bij
zovele en zo onderscheiden gelegenheden hebben duizenden stemmen, in de meest
verscheiden talen, Gods Moeder lof toegezongen of haar in stilte gebeden om vol
medelijden naar haar kinderen in nood om te zien. Een onmetelijk geroep stijgt
vanuit deze bedroefde mensheid op naar de Moeder Gods. Een geroep dat Gods
erbarming aantrekt. Ons gebed in die dagen van voorbereiding op het grote
hoogfeest van vandaag heeft zich verenigd met even zovele stemmen die Onze
Lieve Vrouw prijzen en smeken.
Ongetwijfeld is het de Heilige Geest geweest die in alle
tijden geleerd heeft, dat men via Maria gemakkelijker tot het hart van de Heer
komt. Daarom moeten we het voornemen maken om altijd vol vertrouwen met de
Maagd om te gaan, deze wegverkorting te nemen -het pad waardoor men de weg
afkort- om eerder bij Christus te komen: «bewaart zorgvuldig die tedere en
vertrouwvolle liefde tot de Maagd -zo spoort de paus ons aan-. Laat die liefde
nooit verkillen [...]. Weest trouw aan de oefeningen van vroomheid tot Maria,
zoals de traditie van de Kerk deze bewaart: het gebed van de Engel des Heren,
de Mariamaand en, heel in het bijzonder, de rozenkrans.»15
Maria, vol van genade en luister, zij die gezegend is onder
de vrouwen, is ook onze Moeder. We kunnen Onze Lieve Vrouw een blijk van liefde
betuigen door een beeltenis van haar in onze tas of zak te dragen; door op
discrete wijze haar portretten te vermenigvuldigen in onze omgeving, onze
kamers, in de auto, op kantoor of de werkplaats. Het moet ons heel natuurlijk
voorkomen haar aan te roepen, ook al gebeurt dat zonder woorden.
Als wij ons voornemen ten uitvoer brengen om vanaf vandaag
vaker onze toevlucht tot haar te nemen, dan zullen we in ons leven vaststellen,
dat «Onze Lieve Vrouw rust is voor
wie werken, troost voor wie wenen, geneesmiddel voor de zieken, haven voor wie
door de storm geteisterd wordt, vergeving voor de zondaars, zoete verlichting
van de bedroefden, hulp voor wie bidden.»16
-1. Introïtus, Jes 61,10. -2. H. Andreas van
Kreta, Homilie I bij de Geboorte van de
Allerheiligste Moeder van God. -3. Vaticanum ii, Dogm.
const. Lumen gentium, 61. -4. Gn
3,9-15;20. -5. Vgl. Vaticanum ii, Ibidem, 54. -6. Ibidem, 63. -7.
Ibidem, 65. -8. Ibidem,
65. -9. Johannes Paulus ii, Toespraak 8-XII-1982. -10. Evangelie
van de mis, Lc 1,28. -11. Pius ix, Bul Ineffabilis Deus,
8-XII-1854. -12. H. Jozefmaria Escrivá,
Als Christus nu langs komt, 171. -13. R.A. Knox, Tiempos y fiestas del
año litúrgico, bl. 298. -14. Vgl. Lc 2,48.
-15. Johannes Paulus ii, Homilie 12-X-1980. -16. H. Johannes van
Damascus, Homilie bij het Ontslapen van de
heilige Maagd Maria.