-De communie is een voorsmaak van de hemel en een garantie
voor het verwerven ervan. -Onderpand van de toekomstige verheerlijking van het
lichaam. -De kennis van onze zwakheid moet ons ertoe brengen kracht te zoeken
in de communie.
47.1 De eerste lezing van vandaag1 houdt de
tijdloze uitnodiging in die God doet aan alle mensen: Komt en eet van mijn brood,
drinkt van de wijn die Ik gemengd heb. Het gastmaal
is een beeld dat vaak voorkomt in de Heilige Schrift. Het wordt gebruikt om de
komst van de Messias aan te kondigen, vol goede dingen en zegeningen. Op
bijzondere wijze is het gastmaal een voorteken van de heilige eucharistie,
waarin Christus zich aan ons geeft als voedsel. De heilige Johannes spreekt ons
van deze maaltijd wanneer hij die laatste woorden van Jezus in de synagoge van
Kafarnaüm in herinnering roept: Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald.
Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. En dan voegt Hij eraan toe: Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven
en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Want mijn vlees is echt voedsel
en mijn bloed is echte drank [...]. Dit is het brood, dat uit de hemel is
neergedaald. Het is niet zoals bij de vaderen die gegeten hebben en niettemin
gestorven zijn: wie dit brood eet zal in eeuwigheid leven.2
Als voedsel voor de ziel vergroot de heilige communie het
bovennatuurlijke leven van degene die haar ontvangt. Tegelijkertijd en als
consequentie ervan bouwt de heilige communie aan onze verdediging tegen wat
niet van God komt, wat in strijd is met Christus. Ze helpt ons te strijden
tegen onze neiging tot het kwade en sterkt ons tegen de zonde. Ze doet onze
naastenliefde ontvlammen en geeft wroeging voor ons terugvallen in de zonde. Ze
wist ook de effecten uit van de dagelijkse zonden die we gebiecht hebben en
behoedt ons voor doodzonde.
Bovendien is de heilige eucharistie een 'onderpand' van het
eeuwige leven en een voorsmaak van de hemel. Een 'onderpand' is «iets dat als
bewijs dient dat men een afspraak zal nakomen.»3
In de heilige communie hebben wij een 'voorschot' op het komend leven en een
enorme hulp bij het verwerven ervan.
Een oude eucharistische antifoon zegt: O heilig gastmaal waar wij Christus ontvangen [...],
de ziel wordt vervuld van genade en ons een onderpand van de toekomstige
heerlijkheid is gegeven. Het beeld van het gastmaal wordt vaak
gebruikt in de Heilige Schrift om de vreugde en het geluk te beschrijven dat we
vinden in de vereniging met God. De Heer zelf kondigde aan dat Hij niet meer
zou drinken van de vrucht van de wijnstok tot op de dag waarop Ik het met u, nieuw, zal drinken in het
Koninkrijk van mijn Vader.4 Hij
verwijst naar nieuwe wijn5, omdat er nu geen
behoefte zal zijn aan gewoon voedsel en drank. Nu zullen wij Christus voor
altijd bezitten. In de heilige communie hebben we een voorsmaak en garantie van
deze definitieve vereniging en zij «stelt ook alle leden van het Mystieke
Lichaam van Christus tegenwoordig, boven de grenzen van afstand of van dit
aardse leven zelf, want ruimte en tijd kunnen de Verheerlijkte Christus hier
aanwezig niet bevatten.»6
Wat een geluk met Christus te kunnen zijn en enigszins binnen
te kunnen gaan in de hemel terwijl we nog hier op aarde zijn! «Zorg, dat je
geloof in de heilige eucharistie groeit en groeit. -Laat je overdonderen door
die niet in woorden te vangen werkelijkheid: wij hebben God bij ons, wij kunnen
Hem elke dag ontvangen en, als wij dat willen, intiem met Hem praten, zoals je
met een vriend, zoals je met een broer, zoals je met je vader, zoals je praat
met de Liefde.»7
47.2 Het Tweede Vaticaans Concilie beschrijft de heilige eucharistie als
«sacrament van goedheid, teken van eenheid, band van liefde, paasmaaltijd,
waarbij Christus genuttigd, het hart met genade vervuld en ons een onderpand
van de toekomstige heerlijkheid wordt gegeven.»8
Deze eeuwige heerlijkheid is niet alleen voor de ziel, maar ook voor het
lichaam, voor de hele persoon.9 De Heer verwees
naar de hele persoon toen Hij beloofde dat wie zijn vlees zou eten, in Hem zou
leven en nooit zou sterven maar met Hem zou verrijzen op de laatste dag.10 De eucharistie verkondigt de dood des Heren totdat Hij komt aan het einde der tijden11, wanneer ons
aardse lichaam opgewekt en verenigd zal worden met onze ziel. Daarom zullen zij
die de vreugde van de Heer binnengaan, dat doen in lichaam en ziel.
Jezus is het leven, niet alleen het eeuwige leven, maar ook
het bovennatuurlijke leven van de genade voor de mensen die nog op aarde zijn.
Als Jezus aankomt in Betanië om Lazarus van de dood op te wekken, zegt Hij
tegen Marta: Ik ben de
verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij
gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet
sterven.12 De Heer herhaalt in
Betanië het onderricht dat Hij eerder in Kafarnaüm had gegeven, het onderricht
dat we vinden in het evangelie van vandaag: hij die Hem ontvangt, zal niet
sterven.
De kerkvaders noemen de communie «het geneesmiddel voor
onsterfelijkheid, het tegengif tegen de dood, het middel om altijd in Jezus
Christus te leven.»13 De heilige Ireneüs leert
dat zoals de takken van de wijnstok op de grond vrucht dragen in het seizoen,
de tarwekorrel in de aarde moet vallen en sterven alvorens zich te vermenigvuldigen,
zo «mag door de wijsheid van God dit brood en deze wijn eucharistie worden, dat
is het Lichaam en Bloed van Christus. Dezelfde cyclus heeft plaats met onze
lichamen, die gevoed worden met de eucharistie en uiteindelijk in de aarde
zullen worden gelegd om te ontbinden, om op de vastgestelde tijd opnieuw op te
staan.»14 De eucharistie dient als het zaad voor
de toekomstige verheerlijking van het lichaam, door het onaantastbaar te maken
voor de eeuwigheid. De eucharistie zaait in de menselijke persoon het zaad van
onsterfelijkheid, want het leven van genade duurt na de dood voort.
De heilige Gregorius van Nyssa legt uit dat de mens het
voedsel van de dood met de erfzonde genuttigd heeft en daarom het medicijn moet
nemen dat zal werken als een tegengif. Dit medicijn is niets anders als het
Lichaam van Christus, «die de dood heeft overwonnen en de Bron van Leven is.»15
Als wij ooit neerslachtig zouden worden bij de gedachte aan
de dood, moeten we ons vervullen van hoop in de wetenschap dat de dood een stap
is op de weg naar het eeuwige leven. Onze ziel zal voortleven om later verenigd
te worden met ons verheerlijkt lichaam. Het is als iemand die tijdens een ramp
zijn huis verlaten heeft en getroost wordt door de gedachte dat hij op weg is
naar een betere woning, een die hij nooit meer hoeft te verlaten. De heilige
eucharistie is niet alleen een voorsmaak, het is een teken dat fungeert als een
garantie van de belofte die de Heer ons gedaan heeft: Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft
eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.
47.3 Let dus nauwkeurig op hoe ge u
gedraagt: als verstandige mensen, niet als dwazen. Benut de gunstige
gelegenheid, want de tijden zijn slecht, waarschuwt
sint Paulus in de tweede lezing van vandaag.16
De tijd is kort. Er is heel weinig tijd die ons scheidt van ons definitieve leven
met God, maar er zijn in deze tussentijd vele kansen dat wij die uiteindelijke
vereniging met Hem niet zullen verwerven.
De Apostel moedigt ons aan onze tijd goed te gebruiken.
Sterker nog, we moeten de tijd die we verloren hebben goedmaken. Volgens de
heilige Augustinus is tijd goedmaken «tegenwoordige belangen opofferen ter
wille van eeuwige belangen. Op deze wijze kopen we eeuwigheid tegen betaling
van tijd.»17 We moeten voordeel halen uit alle
omstandigheden en gebeurtenissen van ons leven om lof te brengen aan God, om
onze liefde tot Hem te bevestigen, die uitgaat boven alles wat in deze voorbijgaande
wereld gebeurt.
Door de heilige communie leert Christus ons te kijken naar
het heden met gevoel voor eeuwigheid. Hij werpt licht op wat echt belangrijk is
in elke situatie, in iedere gebeurtenis. Hij belicht de toekomst en geeft
bovennatuurlijke waarde aan onze goede daden. Zijn licht wordt elke dag sterker
en brengt ons naar een nieuw en eeuwig bestaan, waarvan de werkelijkheid zo
sterk is dat de wereld als een schaduw wordt.18
In de heilige eucharistie vinden we de kracht die we nodig hebben om te ondernemen
wat nog rest van de reis naar het huis van de Vader. De heilige eucharistie «is
een eeuwig onderpand voor ons. Het verzekert ons van de hemel. Het is de
bruidsschat die ons vanuit de hemel is toegezonden, als een belofte dat die
eens onze rustplaats zal zijn. Meer nog, Jezus Christus zal onze lichamen laten
herrijzen met grotere heerlijkheid, in zoverre wij Hem dikwijls en eerbiedig in
de communie hebben ontvangen.»19
De kennis van onze zwakheid moet ons ertoe brengen kracht te
zoeken in de communie. In dit sacrament «geeft Christus zelf onderdak aan de
reiziger die uitgeput is door de moeilijkheden van de weg. Christus troost de
mens met de warmte van zijn begrip en liefde. In de eucharistie is de
vervulling van die zoete woorden: Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt,
en Ik zal u rust en verlichting schenken (Mt 11,28). Deze persoonlijke
en diepe bijstand kunnen we vinden in het goddelijke Brood dat Christus ons
aanbiedt op de eucharistische tafel. Dit is ons uiteindelijke doel als we de
wegen van deze wereld bereizen.»20 Als wij trouw
zijn, zullen wij eens met Hem de hemel binnengaan. Dan zal wat de garantie van
een belofte geweest is, werkelijkheid worden: ons leven verenigd met het Leven
voor alle eeuwigheid.
Ecce
Panis angelorum, factus cibus viatorum, vere panis filiorum...aanschouw
het brood van de engelen, gemaakt tot brood van de reizigers, waarlijk het
brood van de zonen.21 Geef ons,
Heer, de kracht om met menselijke en bovennatuurlijke waardigheid langs onze
weg op deze aarde te reizen, met onze ogen standvastig gericht op ons doel.
-1. Spr
9,1-6. -2. Joh
6,51-58. -3. Vgl. Van Dale, Groot woordenboek hedendaags
Nederlands, 'Onderpand'. -4. Mt 26,29. -5. Vgl. Jes 25,6. -6. C. Lubich, De eucharistie.
-7. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 268.
-8. Vaticanum ii, Sacrosanctum Concilium,
47. -9. Vgl. M. Schmaus, Dogmatische theologie,
vol. VI. -10. Vgl. Joh
6,54. -11. Vgl. 1 Kor
11,26. -12. Joh
11,25. -13. H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de Efeziërs,
20,20. -14. H. Ireneüs, Tegen ketterijen,
5,2,3. -15. Vgl. H. Gregorius van Nyssa, Catechetische verhandelingen,
37. -16. Ef
5,15-20. -17. H. Augustinus, Sermo 16, 2. -18.
Vgl. 1 Kor 7,31.
-19. H. Jean-Baptiste Marie Vianney,Preek over
de heilige communie. -20.
Johannes Paulus ii, Homilie, 9 juli 1980. -21. Romeins Missaal, Plechtigheid van het
Allerheiligst Lichaam en Bloed van Christus, sequentie Lauda Sion.
Meditaties over de
Heilige Eucharistie (7)
48. ONDERPAND VAN EEUWIG LEVEN
-Een voorproef van de hemel. -Delen in het
Leven dat geen einde kent. -Maria en de eucharistie.
48.1Iesu, quem velatum nunc aspicio... Jezus, die ik nu nog onder
sluiers zie, ik bid U dat geschieden zal, waarnaar ik zo verlang: dat ik, U
ontwarend met onthuld gelaat, zalig word door het aanschouwen van uw
heerlijkheid. Amen.1
Door Gods goedertierenheid zullen wij Jezus
ooit van aangezicht tot aangezicht aanschouwen, zonder sluiers, in zijn
verheerlijkt Lichaam, met de tekenen van de nagels, met zijn beminnelijke blik,
met zijn gulle houding als van altijd. Wij zullen Hem aanstonds onderscheiden
en Hij zal ons herkennen en ons tegemoet
treden, na zo lange tijd van wachten. Thans zien wij Hem verhuld,
verborgen voor de zintuigen. Wij ontmoeten Hem dagelijks in duizend en één
situaties: op het werk, in de kleine diensten die wij verlenen aan hen die bij
ons zijn, in allen die met ons dezelfde lasten en dezelfde vreugden delen... Maar
wij vinden Hem vooral in de heilige eucharistie. Daar verwacht Hij ons en geeft
Hij zich volledig aan ons in de communie, die reeds een voorschot is op de
heerlijkheid van de hemel. Wanneer wij Hem aanbidden, nemen wij deel aan de
liturgie die gevierd wordt in het hemelse Jeruzalem, waarnaar wij als pelgrims
onderweg zijn en waar Christus gezeten is aan de rechterhand van God de Vader.
Hier op aarde verenigen wij ons reeds met het koor der engelen die Hem
onophoudelijk in de hemel loven, want dit sacrament «bundelt tijd en eeuwigheid.»2
De heilige
eucharistie is reeds een voorschot en garantie van de
liefde die ons te wachten staat; in haar «wordt ons een onderpand van de
toekomstige heerlijkheid gegeven.»3 Zij schenkt
ons kracht en vertroosting, zij houdt onze herinnering aan Jezus levend, zij is
het 'viaticum', het noodzakelijke 'voedsel voor onderweg', een weg die soms
zwaar kan vallen. «Als de Kerk in de eucharistieviering de dood van de Heer
verkondigt, dan verkondigt zij tevens zijn komst. Een aankondiging die gericht
is tot de wereld en haar eigen kinderen, dat wil zeggen, tot zichzelf.»4 Zij herinnert ons eraan, dat ons lichaam, wanneer
het dit sacrament ontvangt, «niet meer aan bederf onderhevig is, maar de hoop
bezit op de verrijzenis voor altijd.»5 De Heer
openbaarde dit duidelijk in de synagoge van Kafarnaüm: Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven
en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.6
Jezus die wij nu nog verhuld zien -Iesu quem velatum nunc aspicio...-
heeft niet willen wachten op de uiteindelijke ontmoeting, die zal plaats
vinden na de tijd van ploeteren hier op aarde, om zich innig met ons te verenigen.
Nu reeds laat Hij ons in het allerheiligst Sacrament een glimp opvangen van
hetgeen wij in de hemel zullen bezitten. In het tabernakel, verborgen voor de
zintuigen maar niet voor het geloof, wacht Hij op ons op elk ogenblik waarop
wij Hem willen bezoeken. «Hij bevindt zich daar als achter een muur en Hij ziet
van daaruit op ons neer als door tralies heen (Hoogl 2,9). Ook wanneer wij Hem niet
zien, kijkt Hij van daaruit naar ons en Hij is daar werkelijk tegenwoordig,
opdat wij Hem kunnen bezitten, ook al verbergt Hij zich, opdat wij naar Hem
verlangen. En zolang wij nog niet in het hemels vaderland zijn aangekomen, wil
Jezus zich op deze wijze volledig aan ons geven en zo verenigd met ons leven.»7
48.2 De Heer onderricht ons herhaaldelijk in het evangelie, dat vele
dingen die wij als werkelijk en definitief beschouwen niet meer dan beelden en
copieën zijn van die welke in de hemel op ons wachten. Christus is de ware
werkelijkheid en de hemel is het authentieke en definitieve leven; het eeuwige
geluk, dat werkelijk inhoud heeft, in de schaduw waarvan het geluk van dit
leven slechts een boze droom is. Als de Heer ons zegt: Wie dit brood eet, zal in
eeuwigheid leven8, dan spreekt Hij ons van het Voedsel bij uitstek en van het Leven dat nooit
eindigt en dat de volheid van het bestaan is.
Om van ganser harte onze dank te betonen voor
het onmetelijk grote geschenk van Jezus, tegenwoordig in de heilige
eucharistie, moeten we bedenken dat dit ons reeds wordt gegeven als eeuwig leven, als voorschot op het leven dat
wij ooit voor altijd zullen bezitten in eeuwigheid; tegenover zo'n overweging
«is heel het geschreeuw en gedruis op straat, zijn alle grote fabrieken die
onze landschappen beheersen -zo schrijft R. Knox- slechts echo's en schaduwen, als
we deze een ogenblik lang overdenken in het licht van de eeuwigheid; de
werkelijkheid ligt hier, op het altaar, juist in dat deel dat onze ogen niet
kunnen zien en onze zintuigen niet kunnen gewaarworden. Het grafschrift op de
tombe van kardinaal Newman zou op het graf van iedere katholieke moeten staan
-verzekert deze Engelse schrijver-: 'Ex umbris et imaginibus in veritatem', van
de schaduw en uiterlijke schijn naar de waarheid. Wanneer de dood ons naar het
hiernamaals voert, zal het resultaat niet dat van iemand zijn die inslaapt en
droomt, maar dat van iemand die uit een droom ontwaakt tot het volle daglicht.
In deze wereld worden wij zozeer omgeven door de zintuiglijke dingen, dat wij deze voor de absolute waarheid houden.
Maar soms krijgen we een vonkje dat dit verkeerde perspectief verbetert.
En vooral wanneer wij het gekroonde allerheiligste Sacrament zien, moeten we
naar die witte schijf die in de monstrans schittert kijken als ware het een
raam waardoor, een moment lang, het licht van de andere wereld tot hier komt»9, de wereld die alle volheid bevat.
Wanneer wij de heilige hostie op het altaar of
in de monstrans aanschouwen, dan zien wij Christus zelf, die ons bemoedigt en
aanspoort op aarde te leven met de blik gericht op de hemel, op Hemzelf, die
wij verheerlijkt zullen zien en omringd door engelen en heiligen. Hier op aarde
neemt Christus in eigen persoon de mens op, afgetakeld door de ruwheid van de
weg, en Hij versterkt hem met de warmte van zijn begrip en zijn liefde. In de
eucharistie komen tot volle uitwerking de allerzoetste woorden: Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en
onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken.10 Deze persoonlijke en diepe verlichting, het enige
ware geneesmiddel tegen al onze vermoeienissen op de wegen van de wereld,
kunnen wij -minstens als deelname en voorproef- ontmoeten in dat goddelijk
Brood dat Christus ons aan de eucharistische tafel aanbiedt.11 Laten wij Hem altijd naar behoren ontvangen.
48.3 Dicht bij Jezus treffen wij altijd Onze Lieve Vrouw aan: in de hemel en hier op aarde, in de heilige
eucharistie.In de Handelingen van de
Apostelen wordt ons onderricht, dat Maria na de hemelvaart van Jezus bij
de apostelen is, met hen verenigd -aldus
reeds haar taak van Moeder vande
Kerk vervullend- in het gebed en in het breken van het brood12, «te midden van
de gelovigen het Lichaam, het Bloed, de ziel
en de godheid van haar eigen Zoon communicerend [...]. Maria herkende in
de Christus van de heilige mis en van de eucharistische communies de Christus
van alle heilsmysteries. Welke menselijke blik zou de diepte van de innigheid
durven meten, waarin de ziel van de Moeder en van de Zoon elkaar weer ontmoetten
in de eucharistie?»13 Hoe zou de communie van
Onze Lieve Vrouw geweest zijn, terwijl zij hier op aarde verbleef?
Na haar hemelvaart aanschouwt Maria opnieuw,
van aangezicht tot aangezicht, de verheerlijkte Jezus; zij is innig met Hem
verenigd en in Hem kent zij heel het heilsplan, in het midden waarvan de
menswording en haar goddelijk moederschap staan. Rondom Hem, in de hemel en op aarde, loven Hem onophoudelijk de engelen en
heiligen. Méér dan allen tezamen bemint en aanbidt Maria haar Zoon,
werkelijk tegenwoordig in de hemel en in de eucharistie, en zij leert ons, dat
wij in ons dezelfde gevoelens moeten koesteren die zij in Nazaret, in
Betlehem, op Calvarië, in de zaal van het
Laatste Avondmaal koesterde;zij
moedigt ons aan met Hem om te gaan met de liefde waarmee zij haar Zoon
in de hemel en in het Sacrament des altaars aanbidt.14
Bij het aanschouwen van deze onmetelijke godsvrucht van Onze Lieve Vrouw, mogen
wij herhalen: Ik wil U, Heer,
ontvangen met die zuiverheid, nederigheid en devotie waarmee Uw allerheiligste
Moeder U heeft ontvangen...
De heilige Maagd, altijd in de nabijheid van
haar Zoon, moedigt ons aan en leert ons Hem te ontvangen, Hem te bezoeken, Hem
te beschouwen als het middelpunt van onze dag, tot wie wij vaak onze gedachten
richten, tot wie wij onze toevlucht nemen in onze noden. In de hemel, heel
dicht bij Jezus, zullen wij Maria zien, en bij haar onze vader en heer de
heilige Jozef. De heerlijkheid van de hemel zal in zekere zin de voortzetting
zijn van de omgang die wij hier op aarde met hen hebben.
«De auteurs uit de Middeleeuwen hebben Maria
dikwijls vergeleken met het bijbels Schip dat van verre het Brood aanvoert. Dat
is werkelijk zo. Maria is degene die ons het eucharistisch brood brengt; zij is
middelares; zij is de Moeder van het goddelijke leven dat Hij aan de zielen
schenkt. In het licht van het geestelijk moederschap van Maria is het ons
bovenal welgevallig de betrekkingen tussen Maria en de eucharistie te overdenken;
als moeder zegt zij tot ons: komt, eet het Brood dat ik voor u bereid heb, eet
er voldoende van, want het zal u het eeuwige leven geven.»15
Het is de moederlijke uitnodiging die zij tot
ons richt in deze dagen waarin we nog het feest van Sacramentsdag in gedachten
houden, dat we onlangs hebben gevierd; in deze dagen, maar ook voor altijd.
-1. Hymne Adoro te devote [Ned. vert. vgl. Laus Deo, bl.
104]-2. Paulus vi, Apost. brief aan Kardinaal Lercaro,
16-VIII-1968. -3. Vaticanum ii,
Const. Sacrosanctum
Concilium, 47. -4. M. Schmaus, Katholische
Dogmatik. -5. H. Ireneüs, Contra haeresias,
1,4,18. -6. Joh
6,54. -7. H. Alfonsus Maria van Liguori, Práctica del amor a Jesucristo,
2. -8. Joh
6,58. -9. R.A. Knox, Pastoral Sermons,
23. -10. Mt 11,28.
-11. Vgl. Johannes Paulus ii, Homilie 9-VII-1980.
-12. Hnd
2,42. -13. M.M. Philipon, Les sacrements dans la vie
chrétienne. -14. Vgl. R.M.
Spiazzi, María
en el misterio cristiano, bl. 202. -15. Ibidem, bl. 203-204.