Tweeëndertigste week. Dinsdag
32. Onnutte knechten
-Zonder de heiligmakende genade zouden we
nergens voor deugen. -De Heer weigert nooit zijn bijstand. -Medewerkers van
God.
32.1 In het evangelie van de heilige Mis1 plaatst de Heer ons vandaag in de werkelijkheid van
ons leven. Als een van u -zegt Jezus- een knecht heeft die het vee hoedt of op
de akker werkt, zal hij hem toch niet bij zijn thuiskomst zeggen: kom meteen aan tafel en tast toe. In tegendeel, eerst zal de knecht zijn meester bedienen en zelf zal
hij later eten. Evenmin verwachtte de knecht, in de omstandigheden van die
tijd, dank voor zijn werk: hij heeft
alleen maar zijn plicht gedaan. Op dezelfde manier -vervolgt
de Heer- moet ook gij, wanneer ge
alles gedaan hebt wat u is opgedragen, zeggen: Wij zijn onnutte knechten; wij
hebben alleen maar onze plicht gedaan.
Jezus keurt het gedrag van de heer, dat
misschien wel verkeerd en willekeurig was, niet goed, maar Hij bedient zich van een gegeven uit zijn tijd dat bij allen
bekend was om aan te geven welke houding een schepsel dient aan te nemen
tegenover de Schepper. Vanaf onze komst in deze wereld tot aan het eeuwige
leven waartoe wij bestemd zijn, komt alles van de Heer als een onmetelijk
geschenk. Daarom, legt de heilige Ambrosius uit, «moet je je niet meer indenken
dan je bent, want je wordt kind van God genoemd -je moet zeker de genade
erkennen, maar niet je natuur vergeten-, en je mag je niet erop beroemen zo
trouw gediend te hebben want dat was je plicht. De zon verricht haar werk, de
maan gehoorzaamt, ook de engelen dienen Hem.»2
Zullen wij Hem dan niet evenzo dienen, met ons verstand en onze wil, met heel
ons wezen?
Wij mogen niet vergeten, dat wij geheel en al
om niet, zonder enige verdienste onzerzijds, verheven zijn tot de waardigheid
van kinderen Gods, maar uit onszelf zijn wij niet alleen knechten, maar onnutte knechten, niet
in staat om hetgeen onze Vader ons heeft opgedragen ten uitvoer te brengen als
Hij ons niet zijn bijstand schenkt. De goddelijke genade is het enige wat onze
menselijke talenten kracht kan verlenen om voor Christus te werken, om zijn
medewerkers te zijn en verdienstelijke werken te verrichten. Onze vermogens
staan in geen verhouding tot de bovennatuurlijke vruchten die wij zoeken.
Zonder de heiligmakende genade zouden wij nergens voor deugen. Wij zijn als
«het penseel in de hand van de kunstenaar.»3 De
grote werken die God door ons leven wil verwezenlijken, moeten worden
toegeschreven aan de Kunstenaar, niet aan het penseel. De roem van het schilderij
komt de schilder toe; het penseel zou, als het een eigen leven had, het
onmetelijke geluk kennen samengewerkt te hebben met zo'n grote meester, maar
het zou geen zin hebben zich de verdienste toe te meten.
Als wij nederig zijn -«in waarheid wandelen» betekent:
ons bewust ervan zijn, dat wij onnutte
knechten zijn- zullen we ons ertoe gedreven voelen
de noodzakelijke genade af te smeken voor elk werk dat we verwezenlijken. Een
andere praktische gevolgtrekking die we uit deze les van Jezus kunnen maken, is
dat we steeds elke lofprijzing die wij ontvangen, moeten afwijzen -minstens in
ons hart- en die tot de Heer richten, want alle goeds dat uit onze hand is
gekomen, dienen wij in de eerste plaats toe te schrijven aan God, die «zich van
een stok kan bedienen om water uit een rots te doen ontspringen, of van een
beetje modder om blinden het gezichtsvermogen terug te geven.»4 Wij zijn de modder die blinden het gezichtsvermogen
geeft, de stok die een bron midden in de woestijn doet ontspringen..., maar
Christus is de daadwerkelijke bewerker van deze wonderen. Wat zou modder uit
zichzelf doen...?
32.2 In de gelijkenis van de wijnstok en de
ranken5 belicht de Heer deze noodzaak van Gods
invloed om vruchten voort te brengen. Omdat Christus «de bron en de oorsprong
is van het gehele apostolaat van de Kerk, is het duidelijk, dat de
vruchtbaarheid van het apostolaat van de leken afhankelijk is van hun levende
vereniging met Christus.»6 Wie in Mij blijft, zoals Ik in hem, die draagt veel
vrucht, want los van Mij kunt gij niets7, verzekerde de Heer ronduit.
De heilige Paulus leerde, dat God degene is die
in ons het willen en het doen naar
zijn welbehagen bewerkstelligt.8 Dit goddelijke handelen is noodzakelijk om goede
werken te willen en te verrichten; maar dit «willen» en dit «verrichten» komen aan de mens toe: de
genade vervangt niet de taak van het schepsel, maar maakt die mogelijk in de
bovennatuurlijke orde. De heilige Augustinus vergelijkt de noodzakelijkheid van
de goddelijke bijstand met die van het licht om te kunnen zien.9 Het oog ziet wel, maar zou dat niet kunnen als er
geen licht was: de genade neemt de vrijheid niet weg, want wij zijn degenen die
willen en doen. Dit menselijk onvermogen om uit zichzelf waardevolle werken te
verrichten mag ons niet tot wanhoop brengen; integendeel, het is een reden te
meer om de Heer voortdurend dank te zeggen, want Hij staat altijd klaar om ons
de benodigde hulp te zenden.
De liturgie van de Kerk doet ons onophoudelijk
om deze goddelijke bijstand bidden, want die hebben wij zo radicaal nodig. De
Heer weigert die nooit, wanneer wij er nederig en vol vertrouwen om bidden. De
heilige Franciscus van Sales illustreert dit goddelijk wonder met een
voorbeeld: «Wanneer de tedere moeder haar kindje leert lopen, helpt en steunt
ze het zoveel als nodig is: zij laat het een paar passen lopen op de minst
gevaarlijke en meest vlakke plekken, neemt het bij de hand en ondersteunt het,
of ze neemt het op haar armen en draagt het. Zo let ook Onze Lieve Heer
voortdurend op de stappen die zijn kinderen zetten.»10
Deze goddelijke bezorgdheid leidt ons geenszins
tot een passieve houding, maar veeleer tot het leggen van ijver in de ascetische
strijd, in het apostolaat, in hetgeen we onder handen hebben, alsof alles
uitsluitend van ons afhing. Tegelijkertijd moeten we echter tot de Heer gaan,
alsof alles van Hem afhing. Zo hebben de heiligen gedaan. En zij werden nooit
teleurgesteld.
32.3 De heilige Paulus bedient zich van het
beeld van het werk op het land om aan te geven hoezeer wij werktuigen zijn in
de apostolische arbeid. Ik heb
geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de groei. Noch hij die plant
betekent iets, noch hij die begiet, maar alleen God die de wasdom geeft [...].
Wij zijn Gods medewerkers.11 Welk een wonder om ons medewerkers van God te voelen in dat grote
verlossingswerk! De Heer heeft ons in zekere zin nodig. Hoewel wij dienen te
beseffen, dat God door middel van zijn genade de enige is die kan
bewerkstelligen, dat het zaad van het geloof wortel schiet en vruchten in de
zielen geeft: het werktuig «kan het zaad onder tranen uitzaaien, de akker
bewerken zonder vermoeienis te ontvluchten: maar of het zaad ontkiemt en de
gewenste vruchten zal geven, hangt uitsluitend van God en zijn almachtige hulp
af. Men moet erop aandringen, dat de mensen slechts werktuigen zijn, van wie
God zich bedient voor het heil van de zielen, en wij moeten ervoor zorgen dat
die werktuigen in goede staat verkeren, opdat God ze kan benutten.»12 De mens is tot grote werken in staat, wanneer hij
nederig is; dan zorgt hij ook voor zijn vereniging met Christus door middel van
het gebed.
Opdat het penseel een nuttig werktuig is in
handen van de schilder, zal het goed de kleuren moeten opnemen en moet men er
grove of fijne lijnen mee kunnen trekken, krachtige of minder krachtige tinten.
Het zal zijn eigen kwaliteit ondergeschikt moeten maken aan het gebruik dat de
kunstenaar ervan wil maken, want hij is degene die het schilderij componeert,
licht- en donkerpartijen aangeeft, de levendige kleuren met de meer bedaarde
kleuren; hij geeft diepte en harmonie aan het doek totdat het een samenhangend,
sterk geheel vormt. Bovendien zal het penseel een goed handvat moeten hebben en
verbonden zijn met de hand van de meester; als er geen vereniging is, als het
niet trouw de impuls die het krijgt volgt, dan is er geen kunst. Dat is de
voorwaarde voor elk goed instrument. Wij, die werktuigen in Gods hand willen
zijn, maar ons rekenschap geven van al die dingen die niet kunnen, zeggen in de
intimiteit van ons gebed tot Jezus: «Ik overweeg wat voor brok ellende ik ben
wat, ondanks uw genade, lijkt erger te worden; natuurlijk doordat ik tekort
schiet in het beantwoorden aan die genade. Ik erken, dat er in mij geen enkele
voorbereiding is voor het karwei dat Gij van mij vraagt. En wanneer ik in de
kranten lees, dat zo ontzettend veel mensen van aanzien, begaafde mensen, rijke
mensen spreken en schrijven en in de weer
zijn om uw rijk te verdedigen..., kijk ik naar mijzelf en vind ik zo
helemaal niets; ik ben zo onwetend, zo armoedig, in één woord zo klein..., dat ik
vervuld zou raken van verwarring en
schaamte, als ik niet wist dat Gij mij bemint zoals ik ben. Ach Jezus.
Aan de andere kant weet Gij goed, hoe ik, uit volle overtuiging, mijn ambities
aan uw voeten heb gelegd... Geloof en Liefde: Beminnen, Geloven, Lijden. Daarin
wil ik wel rijk en wijs zijn, maar niet wijzer en niet rijker dan Gij het in uw
grenzeloze Barmhartigheid beschikt hebt: want heel mijn aanzien en eer dien ik
aan te wenden in het getrouw vervullen van uw allerrechtvaardigste en
allerbeminnelijkste Wil.?»13
Onze heilige Moeder Maria, allertrouwste
medewerkster van de Heilige Geest in het verlossingswerk, zal ons leren om slagvaardige
werktuigen van de Heer te zijn. Onze engelbewaarder zal onze bedoelingen op de
rechte weg zetten en ons eraan herinneren hoe wij onnutte knechten in handen van de Heer
zijn.
-1. Lc 17,7-10. -2. H. Ambrosius, Commentaar op het evangelie van Lucas, in loc. -3. Vgl. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 612. -4. J. Pecci (Leo xiii),
Praktijk van de nederigheid, 45. -5. Vgl. Joh 15,1 vv. -6. Vaticanum ii,
Apostolicam actuositatem, 4. -7. Joh 15,5. -8. Vgl. Fil 2,13. -9. H. Augustinus, Tractaat over de natuur en de genade, 26,29. -10. H. Franciscus
van Sales, Tractaat over de liefde van God, 3,4. -11. 1 Kor 3,6-9. -12. H. Pius X, Enc. Haerent animo, 4
augustus 1908, 9. -13. H. Jozefmaria
Escrivá, De Smidse, 822.
|