Tweede
zondag na Kerstmis
39. ONS GODDELIJK KINDSCHAP
-Waar
het goddelijk kindschap in bestaat. Dankzegging voor die geweldige gave. -Het
besef van het goddelijk kindschap in onze verhouding met God en met de mensen.
Consequenties. -Dat wij kinderen van God zijn, is de basis voor onze vrede en
rust.
39.1 Aan
allen echter die Hem -Jezus Christus- wèl aanvaardden, aan allen die in
zijn Naam geloven, gaf Hij het vermogen kinderen van God te worden; zij zijn
niet uit bloed, noch uit de begeerte van het vlees of de wil van een man, maar
uit God geboren1, zegt de heilige Johannes ons in het evangelie van de
Mis.
God de Vader heeft ons voorbestemd
zijn kinderen te worden door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil.2 God maakt ons tot
zijn kinderen. Het zal ons nooit lukken dat te begrijpen en deze onuitsprekelijke
gave voldoende te waarderen. Kind van God! Hoe groot is de liefde die de
Vader ons betoond heeft. Wij worden kinderen van God genoemd, en wij zijn het
ook... Vrienden, nu reeds zijn wij kinderen van God, en wat wij zullen zijn, is
nog niet geopenbaard...3 Als wij zeggen 'ik ben een kind van God' is dat geen
beeldspraak en het is ook geen vrome wijze van uitdrukken. Wij zijn kinderen.
De menselijke voortplanting heeft tot gevolg, dat er een 'ouderschap' en een
'kindschap' is. Daar wij door God zijn 'voortgebracht', zijn wij werkelijk zijn
kinderen. Deze onvergelijkelijke werkelijkheid heeft plaats in het doopsel4, waar, dank zij
het lijden, sterven en verrijzen van Christus, de geboorte plaatsheeft naar een
nieuw leven, dat tevoren niet bestond. De gedoopte is een nieuwe schepping5 en als zodanig
wordt de nieuwgedoopte 'kind van God'
genoemd en is hij dat werkelijk.
Het kindschap Gods is naar
zijn aard in hoogste en unieke graad meegedeeld aan de Zoon van God: Jezus Christus, eniggeboren Zoon van God, voor alle tijden
geboren uit de Vader, [...] geboren, niet geschapen, één in wezen met de
Vader.6 En
om het essentiële verschil tussen ons
kindschap en het eeuwig kindschap van de Zoon aan te geven, wordt ons kindschap een adoptief kindschap
genoemd. Het beschouwen van de adoptie hier op aarde -de adoptief vader schenkt
op geen enkele wijze het leven, maar zijn naam en het recht op de erfenis
enzovoort- zou iemand misschien in verwarring kunnen brengen inzake de echte
werkelijkheid van ons kindschap: wij zijn kind van God, doordat Gods leven door
onze ziel stroomt in de genade.7 Het zal ons in ons gebed van vandaag helpen als wij overwegen, dat God
meer onze Vader is dan hij die wij in deze wereld vader noemen, omdat hij ons
het natuurlijk leven gegeven heeft. «Een gedoopte aanmerken als kind van God is
niet simpelweg een beeld dat de vaderlijke bescherming en waakzaamheid oproept
die God heeft voor de gedoopte. Het dient letterlijk opgevat te worden,
volstrekt op de wijze als wanneer van iemand gezegd wordt: hij is kind van die
en die persoon. [...] Door de voortplanting wordt een mens voortgebracht; zoals
een dier een dier van zijn soort voortbrengt, zo brengt de mens een andere mens
voort, op hem gelijkend. Vaak is de gelijkenis evident. Men is verheugd als een
kind zichtbaar op zijn vader lijkt: zijn trekken, zijn manier van doen, zijn
wijze van kijken en praten... De gedoopte nu is geboren uit God, hij is zijn kind
in de meest werkelijke zin. Als zodanig dient hij op zijn hemelse Vader te
lijken; zijn aard als kind bestaat precies in het deelhebben aan dezelfde
natuur als Hij. Dat is ook de betekenis van de woorden van de heilige Petrus: deel
krijgen aan Gods eigen wezen. Dat is meer dan een analogie, meer dan een
gelijkenis of een of andere verwantschap, maar een verheffing en verandering
van de menselijke natuur: het bezit van dat wat eigen is aan het goddelijk
wezen.
Laten wij begrijpen, dat
de gedoopte binnengaat in een hogere -bovennatuurlijke- wereld die boven zijn
oorspronkelijke natuur is: de wereld van God.»8 Deze dagen van de kersttijd, waarin de
hoogheilige nacht nog zo dichtbij is en waarin wij nog kijken naar het Kind
Jezus in de kribbe, vormen een uitstekende gelegenheid Hem te bedanken die ons
het onmetelijke geschenk van het kindschap Gods gebracht heeft en die ons
geleerd heeft de God der hemelen Vader te noemen: Wanneer ge bidt, zegt dan:
Vader...
39.2 «De
Zoon is dus gekomen, gezonden door de Vader, die ons van voor de grondvesting
van de wereld in Hem heeft uitverkoren en voorbestemd om zijn aangenomen
kinderen te worden; want het heeft Hem behaagd alles in Christus weer onder een
hoofd te brengen (Vgl. Ef 1,4-5.10).»9 De
eerste vrucht van dit door Christus bewerkstelligde herstel is ons goddelijk
kindschap. Hij heeft niet alleen de gevallen natuur hersteld, maar Hij gaf ons
ook een nieuw leven, een bovennatuurlijk leven. Dat is de grootste door ons
ontvangen genade: «wie niet weet dat hij of zij een kind van God is, kent zijn
meest innerlijke waarheid niet en hij ontbeert het gezag en de beheerstheid in
optreden van degene die God boven alles bemint.»10 De betekenis van het goddelijk kindschap bepaalt en
veroorzaakt onze houding en, derhalve, ons gebed en de wijze waarop wij ons
onder alle omstandigheden gedragen. Het is een wijze van zijn en een wijze van
leven.
Door te leven vanuit het
besef kinderen van God te zijn, leren wij om te gaan met onze broeders, de
mensen. «De Heer kwam om alle mensen de vrede, de blijde boodschap en het leven
te brengen. Niet alleen aan de rijken en niet alleen aan de armen. Niet alleen
aan de geleerden en niet alleen aan de eenvoudigen, neen, aan allen. Aan alle
broeders, want wij zijn broeders als kinderen van dezelfde Vader, als kinderen
van God. Er is dus maar één volk, het volk van de kinderen Gods. Er is maar één
huidskleur: de kleur van de kinderen Gods. En er is maar één taal: een taal die
tot het hart en tot het hoofd spreekt, zonder woorden, maar zo, dat die ons
God doet kennen en ons aanspoort om elkaar te beminnen.»11 Het feit, dat wij weten kind van
God te zijn, leert ons de kalmte te bewaren tegenover de gebeurlijkheden, hoe
moeizaam die ons ook voorkomen. Ons leven verandert in de actieve overgave van
kinderen die ten volle vertrouwen op de goedheid van een Vader aan wie tevens
alle machten van de schepping onderworpen zijn. De zekerheid, dat God het beste
met ons voorheeft, brengt ons tot een kalme en blije overgave, ook in de
moeilijkste ogenblikken van ons leven. Zo schreef de heilige Thomas More vanuit
de gevangenis aan zijn dochter: «Houd goede moed, dochterlief, en maak je om
mij geen zorgen, wat in deze wereld ook maar mijn lot zal zijn. Mij kan niets
overkomen wat God niet zou willen. En alles wat Hij wil, het ergste in onze
ogen, is in werkelijkheid het beste.»12 Als wij met een probleem of een tegenslag
geconfronteerd worden, zullen wij als echte kinderen van God meer hulp vragen
aan onze hemelse Vader en ons opnieuw inspannen heilig te worden in alle
omstandigheden, ook als die het minst geschikt lijken.
39.3 Het
goddelijk kindschap is de grondslag van werkelijke vrijheid -de vrijheid van
de kinderen Gods- tegenover elke onderdrukking en zeer zeker als het gaat
om de slavernij waarvan onze eigen hartstochten ons het slachtoffer willen
maken.13 Het goddelijk kindschap is
ook een veilige grondslag voor vrede en blijdschap. In dit kindschap vindt de
gedoopte de bescherming die hij nodig heeft, vaderlijke warmte en vertrouwen op
een toekomst die altijd onzeker is.
Dat wij ons kinderen van
God weten is, in werkelijk alle omstandigheden, de grondslag van een grote
vrede, ook te midden van nood en tegenspoed. De Heer geeft ons altijd de
middelen verder te komen als wij met het vertrouwen van kinderen onze toevlucht
tot Hem nemen. In veel gevallen zal Hij ons die middelen langs de meest
onverwachte wegen verschaffen.
Wij van onze kant moeten
altijd de gedachte wakker houden, dat op elk moment, het wezenlijke van ons
leven ligt in het zoeken van de heiligheid door middel van deze omstandigheden.
Wij zullen goede kinderen van God onze Vader worden als wij kijken naar en
omgaan met Jezus. Hij wijst ons elk moment de weg die naar de Vader voert. Daar
zullen wij vaak aan denken als wij naar de kribbe gaan om het Kind te kussen en
te aanbidden.
Pro nobis egenus et
foeno cubantem...14,
arm gemaakt voor ons en liggend op stro; laten wij Hem warmte geven, laten wij
Hem vol tederheid omhelzen. Beschouwen wij Jezus bij zijn geboorte, in deze
dagen het middelpunt van onze aandacht en onze vroomheid. Spreken wij met Hem
in ons gebed, kijken wij naar Hem, luisteren wij naar Hem, aanbidden wij Hem in
stilte.
Sic nos amantem, quis
non redamaret?15:
Wie zou Hem, die ons zozeer bemint, geen wederliefde tonen? Deze liefde die het
best vertaald kan worden in een zeer fijnzinnig en beminnelijk omgaan met hen
die bij ons zijn.
Het goddelijk kindschap
zal ons ertoe brengen de anderen te behandelen met het grote respect waar een
kind van God recht op heeft. De heilige maagd Maria nodigt ons uit lange
bezoeken te brengen aan het stalletje om naar haar Zoon te komen kijken. Haar
vragen wij onze manieren nog wat bij te schaven, zodat deze meer in
overeenstemming zullen zijn met de allerhoogste waardigheid die wij ontvangen
hebben. Wij smeken haar ook ons te helpen om op geen moment van de dag en in
geen enkele omstandigheid te vergeten, dat wij kind van God zijn. En als wij
kinderen zijn, dan ook erfgenamen, en wel erfgenamen van God, tesamen met
Christus.16 Wij
zijn kinderen die een plaats wacht in de hemel, bereid door God onze Vader.
-1. Joh
1,12-13. -2. Tweede lezing van de Mis, Ef 1,4. -3. 1 Joh
3,1-2. -4. Vgl. Vaticanum ii,
Decr. Sacrosanctum Concilium, 6. -5. 2 Kor 5,17. -6. Credo,
vgl. concilies van Nicea (DS 125) en van Constantinopel (DS 150). -7. Vgl. Rom
8,15 en Gal 4,6. -8. C. Spicq,
Théologie morale du Nouveau Testament, bl. 96-97 (Parijs 1965). -9. Vaticanum ii, Dogm. Const. Lumen
gentium, 3. -10. H. Jozefmaria
Escrivá, Vrienden van God, 26. -11. Idem, Als Christus nu langs komt, 106. -12. H. Thomas More, Brief vanuit de
gevangenis aan zijn dochter Margaret. -13. Vgl. Rom 6,12-13. -14.
Hymne Adeste fideles. -15. Ibidem. -16. Rom 8,17.
|