Vierde week. Woensdag
30. Ons werk goed doen
-Het arbeidzaam leven van Jezus in Nazareth.
De heiliging van het werk. -Het werk doet ons delen in het scheppingswerk van
God. -Jezus en de wereld van de arbeid. Onze toevlucht nemen tot sint Jozef,
opdat hij ons leert goed te werken en door ons werk medeverlossers te zijn.
30.1 Na enige tijd keerde Jezus terug naar zijn geboorteplaats Nazareth
samen met zijn leerlingen.1 Daar werd Hij door zijn moeder met grote vreugde opgewacht. Misschien
was dit de eerste keer dat deze eerste volgelingen van de Meester de plaats
zagen waar Jezus' leven zich had afgespeeld; en in het huis van Maria konden ze
weer op krachten komen. Maria zal bijzonder veel aandacht aan hen hebben
geschonken en hen bediend hebben zoals nooit iemand anders gedaan had.
In Nazareth kent iedereen Jezus. Ze kennen Hem
vanwege zijn ambacht en het gezin waartoe hij behoort, zoals ze iedereen
kennen: Hij is de timmerman, de zoon van Maria. Zoals bij zovelen het geval is,
oefende de Heer het ambacht uit van hem die zijn vader hier op aarde was.
Daarom noemen
ze Hem ook de zoon van de timmerman.2 Hij had het
beroep van Jozef, die misschien al jaren eerder gestorven was. Het gezin dat de
grootste schat, het mens geworden Woord van God, bewaarde, was gewoon een gezin
uit die plaats, zeer geliefd en door iedereen geacht.
«Het mens geworden Woord zelf heeft immers
willen delen in het gehele menselijke bestaan. Te Kana was Hij op een bruiloft,
Hij bracht een bezoek aan het huis van Zacheüs, Hij at met tollenaars en
zondaars. De liefde van de Vader en de hoge roeping van de mens heeft Hij
geopenbaard door een beroep op gewone maatschappelijke dingen en door verhalen
en beelden uit het allergewoonste dagelijkse leven te gebruiken. De menselijke
verhoudingen, met name die in het gezin, waaruit de verdere maatschappelijke
relaties ontstaan, heeft Hij geheiligd door zich vrijwillig aan de wetten van
zijn vaderland te onderwerpen. Hij heeft het leven van een handwerksman willen
leiden op een wijze zoals die in zijn tijd en in die streek gebruikelijk was.»3
Jezus zal enkele dagen thuis bij zijn Moeder
hebben doorgebracht en andere familieleden en bekenden bezocht hebben... En toen het sabbat was begon Hij te onderrichten in de
synagoge. De mensen in Nazareth waren verbaasd. Een
man die meubels en werktuigen voor hen maakte, die ze herstelde als ze stuk
waren, spreekt tot hen met het hoogste gezag en wijsheid, zoals nog niemand tot
dan toe had gedaan. Ze zien in Hem slechts het menselijke, datgene wat ze
dertig jaar lang waargenomen hadden: het meest volkomen normale. Het kost hun
moeite de Messias te ontdekken achter dat 'normale'.
Ook de werkzaamheden van Maria waren dezelfde
als die van elke andere huisvrouw van haar tijd: ze sprak zoals de vrouwen uit
Galilea, en kleedde zich op dezelfde eenvoudige manier als de andere vrouwen
uit de streek. In alles gelijk aan de andere vrouwen..., behalve natuurlijk in
haar liefde tot God, die nooit te evenaren zal zijn.
De werkplaats van Jozef, die Jezus later geërfd
zal hebben, was precies zoals de andere in het Palestina van die tijd.
Misschien was het wel de enige in Nazareth. Het rook er naar zaagsel en het was
er proper. Jozef vroeg de gebruikelijke tarieven voor zijn werk. Misschien
verleende hij enige korting aan mensen die in financiële moeilijkheden
verkeerden, maar hij vroeg wat redelijk was. Het werk dat in die kleine
werkplaats gedaan werd hoorde bij dit beroep; er werd een beetje van alles
gedaan: het maken van een balk of een eenvoudige kast, het herstellen van een
kromgetrokken tafel, het afschaven van een niet goed sluitende deur... Er werden
geen houten kruisen gemaakt, zoals op sommige vrome schilderijen wordt
afgebeeld. Wie zou hun zo'n opdracht geven? Ze haalden het hout ook niet uit de
hemel, maar uit de bossen in de omgeving.
De bewoners van Nazareth, aldus het evangelie, namen aanstoot aan Hem.
Maar Maria niet. Zij weet heel goed dat haar zoon de Zoon van God is. Ze ziet
Hem aan met oneindig grote liefde en mateloze bewondering. Zij begrijpt Hem
goed.
De overweging van deze passage, waarin Jezus'
leven in Nazareth indirect weerspiegeld wordt, helpt ons na te gaan of ons
gewone leven, vervuld van werk en de gebruikelijke dingen, een weg tot
heiliging is, zoals het voor de Heilige Familie was. Dat zal het zijn, als we
trachten te werken met vakbekwaamheid en inzet, en tegelijkertijd met geloof en
bovennatuurlijke zin. We moeten niet vergeten dat we, door op onze plaats te
blijven en door ons werk hier op aarde te verrichten, de hemel verdienen en
heel de Kerk en de gehele mensheid helpen.
30.2 De Heer liet blijken, dat Hij vertrouwd was met de wereld van de
arbeid. In zijn prediking gebruikt Hij vaak beelden, parabels en gelijkenissen
uit het leven van de arbeidswereld, zoals Hij zelf en zijn landgenoten die
beleefd hebben.
Degenen die naar Hem luisteren, begrijpen de
taal die Hij spreekt heel goed. Jezus had zijn werk in Nazareth altijd perfect
verricht, door het tot in details af te werken, en met grote vakbekwaamheid.
Daarom wordt
Hij nu, als Hij naar zijn eigen stad terugkeert, vanwege zijn ambacht juist gekend
als de timmerman. Hij leert ons de waarde van het dagelijkse leven, van het werk en de
taken die we elke dag moeten vervullen.4
Als onze gesteldheid werkelijk oprecht is, zal
God ons altijd het bovennatuurlijk licht schenken om het voorbeeld van de Heer
na te volgen, door in ons beroepsleven niet alleen te zoeken naar het vervullen
daarvan, maar naar het overvloeien in zelfverloochening en opoffering, met
vreugdevolle inzet, met liefde. Ons persoonlijk gewetensonderzoek voor de Heer
en onze conversatie met Hem zal vaak gaan over die taken die ons zozeer
bezighouden: we moeten -moedig- tot de bodem gaan. We moeten ons werk
plichtsgetrouw vervullen, onze tijd goed besteden en luiheid geen kans geven.
We moeten ernaar streven onze beroepstoerusting elke dag te verbeteren, te
letten op de details van ons dagelijks werk; het kruis en de vermoeidheid van
het dagelijks werk liefdevol omarmen.
Werk, elk edel werk dat gewetensvol wordt
gedaan, doet ons delen in de Schepping en maakt ons tot medeverlossers met Christus.
«Deze waarheid -zo leert Johannes Paulus ii- volgens welke de mens door zijn arbeid deelneemt aan het werk van God
zelf, zijn Schepper, is heel bijzonder door Jezus Christus benadrukt; door
Jezus over wie velen van zijn eerste toehoorders in Nazareth verbaasd stonden
en zeiden: Waar heeft Hij dit vandaan?
En wat is dat voor een wijsheid die Hem geschonken is? [...] Is dat niet de
timmerman? (Mc 6,2-5)»5
Jezus' jaren in Nazareth zijn het open boek
waarin we leren al het dagelijkse te heiligen. Zelfs gedwongen afwezigheid van
arbeid, ziekte bijvoorbeeld [...] is een situatie die God gewild of toegelaten
heeft opdat wij de bovennatuurlijke en de menselijke deugden beoefenen.6 En al wat gij doet in woord of werk, doet alles in
de naam van Jezus de Heer, God de Vader dankend door Hem.7
30.3 De verbazing van de inwoners van Nazareth - is dat niet de zoon van de timmerman...? - openbaart ons dat het grootste deel van het leven van de Verlosser
een leven van arbeid was, zoals dat van de anderen. En die taak die Hij dag na
dag vervulde was een instrument van verlossing, zoals alles wat Christus gedaan
heeft. In Christus krijgt datgene wat een eenvoudig beroep heet te zijn, een
oneindige waarde omdat het door de mensgeworden God wordt verricht.
Door de doop wordt de christen een andere
Christus. Hij moet al zijn eerlijke mensenwerk maken tot een taak van meewerken
aan de verlossing. Ook als ons werk in de ogen van de mensen minder belangrijk
is, krijgt het door onze verbondenheid met Christus, een onmeetbare waarde. Zelfs de vermoeidheid, die elk werk
tengevolge van de erfzonde met zich meebrengt, krijgt een nieuwe betekenis. Wat
een straf leek te zijn is door Christus veranderd in een offer dat God graag
aanvaardt, dat ons zuivert van onze eigen zonden en waardoor wij met de Heer
mee kunnen werken aan de verlossing van de hele mensheid. Hierin ligt het
fundamentele verschil tussen werk dat menselijk goed verricht wordt door een
heiden en het werk van een christen dat, behalve dat het goed is afgemaakt, in vereniging met Christus aan God de
Vader wordt aangeboden.
De vereniging met de Heer die we in ons
dagelijks werk zoeken, zal in ons het voornemen versterken om alles uitsluitend
voor Gods glorie en het welzijn van de zielen te doen. Het prestige dat we
dankzij veel inzet en toewijding zullen verwerven, zal de besten onder onze
collega's naar ons toetrekken en we zullen overvloedige hulp uit de hemel
krijgen om vele anderen op de weg te zetten naar een intensief christelijk
leven. Zo zullen de heiliging van ons werk en apostolische inzet in ons
beroepswerk parallel in ons leven gaan lopen. Dit zal een duidelijke aanduiding
zijn dat we daadwerkelijk met een zuivere intentie werken.
De heilige Jozef leerde Jezus zijn ambacht. Hij
deed dit geleidelijk naarmate dit Kind dat God zelf hem had toevertrouwd
opgroeide. Op een goede dag leerde hij Hem hoe een schaaf gebruikt moest
worden; een andere dag een zaag, de beitel... Jezus wist spoedig de verschillende
soorten hout te onderscheiden en welke in elk afzonderlijk geval gebruikt
moesten worden. Hij leerde lijm te maken voor het verbinden van de diverse
onderdelen, de manier om met een zwaluwstaart twee stukken aan elkaar te
passen... Jezus volgde de aanwijzingen van Jozef op over de manier waarop Hij
voor de instrumenten moest zorgen, Hij leerde van hem het zaagsel bij elkaar te
vegen op het einde van de dag, en het gereedschap ordelijk op zijn plaats op te
bergen...
Laten we ons vandaag tot de heilige Jozef
wenden en hem vragen ons te leren goed werk te verrichten en van onze arbeid te
houden. Jozef is een uitzonderlijke Meester in goed verricht werk, want hij
heeft zijn vak aan de Zoon van God geleerd. We zullen van hem leren als we zijn
bescherming vragen wanneer we aan het werk zijn. En als we van ons werk houden,
zullen we het goed verrichten, met
vakbekwaamheid, en dan zullen we het kunnen maken tot een verlossingstaak, door
het aan God aan te bieden.
-1. Mc 6,1-6. -2. Mt 13,55. -3. Vaticanum ii,
Past. const. Gaudium et spes, 32. -4.
Vgl. J. L. Illanes, La santificación del trabajo, bl. 29. -5. Johannes Paulus ii,
Enc. Laborem exercens, 14 september 1981. -6. Paulus vi, Toespraak tot de Vereniging
van Katholieke Rechtsgeleerden, 15 december1965. -7.
Kol 3,17.
|