Vierde week. Maandag
28. Onthechting en christelijk leven
-Jezus' aanwezigheid in ons leven betekent
soms, dat we iets tijdelijk kwijtraken. Jezus is van grotere waarde. -Alles
moet een middel zijn om ons dichter bij Christus te brengen. -Onthechting.
Enige details.
28.1 De heilige Marcus zegt ons in het evangelie van de heilige mis van
vandaag,1 dat Jezus in de streek van de Gerasenen kwam, een land van heidenen,
aan de overzijde van het meer van Genesaret. Nauwelijks was Hij uit de boot
gestapt, of daar kwam een man die bezeten was van de duivel Hem tegemoet, wierp
zich voor Hem ter aarde en schreeuwde: Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van God, de Allerhoogste? Ik
bezweer U bij God, kwel mij niet! Want Jezus had
hem gezegd: Onreine geest, ga weg uit
die man. Daarop vroeg Jezus hem naar zijn naam en
hij antwoordde: Mijn naam is Legioen,
want wij zijn met velen. En hij smeekte Jezus met aandrang, dat Hij hen niet
uit de streek zou wegjagen. Nabij de plaats waar
zij zich bevonden, was men een grote kudde zwijnen aan het hoeden.
De verschijning van de Messias brengt de
nederlaag van het koninkrijk van de satan met zich mee; daarom verzet de duivel zich
zo uitdrukkelijk, zoals talrijke passages uit het evangelie laten zien. Zoals
bij zijn andere wonderen, benadrukt Jezus zijn verlossingsmacht telkens wanneer
Hij de duivels uitdrijft. De Heer verschijnt altijd in het leven van de mensen
als bevrijder van het kwaad dat hen onderdrukt: Hij ging weldoende rond en genas allen die onder de dwingelandij van de
duivel stonden,2 zal de heilige Petrus zeggen in zijn rede tot Cornelius en diens
familie, waarin hij deze en vele andere duiveluitdrijvingen van Jezus samenvat.
Bij deze gelegenheid spreken de duivels bij
monde van deze man: zij beklagen zich erover, dat Jezus gekomen is om hun
koninkrijk op aarde te vernietigen. Ze vragen Hem, hen op die plaats te laten
blijven. Daarom willen ze in de zwijnen gestuurd worden. Dat was misschien ook een
manier om zich op deze mensen te wreken en hen schade toe te brengen, hen tegen
Jezus op te zetten. Toch stemt de Heer in met het verzoek van de duivels. Toen
stortte de hele troep zich van de steile oever in het meer en verdronk in het
water. De zwijnenhoeders namen de
vlucht en vertelden het in de stad en op het land. Daarop kwamen de mensen
kijken wat er gebeurd was.
De heilige Marcus merkt uitdrukkelijk op, dat
ongeveer tweeduizend zwijnen verdronken. Het moet een groot verlies voor die
heidenen geweest zijn. Misschien was het wel de losprijs die van deze mensen
gevraagd werd voor de bevrijding van een van hen uit de macht van de duivel: Ze verloren een aantal zwijnen, maar ze kregen een
mens terug. En deze bezetene, «deze opstandige en
in zichzelf verscheurde man, die afschuwelijk overheerst werd door een menigte
van onreine geesten, lijkt hij misschien niet enigszins op een veelvoorkomend
mensentype uit onze tijd? In elk geval is de hoge prijs die voor de bevrijding
van die man betaald moest worden -de vernietiging van de kudde van tweeduizend
zwijnen die in het meer van Galilea verdronken- wellicht een aanduiding van de
hoge prijs die betaald moet worden om de hedendaagse heidense mens te
verlossen. Een aanzienlijke prijs, ook in rijkdommen die verloren gaan; een
losprijs die overeenkomt met de armoede van degene die hem edelmoedig tracht te
verlossen. De echte armoede van christenen is misschien de waarde die God heeft
vastgesteld voor de verlossing van de mens van onze tijd. En het is de moeite
waard die prijs te betalen [...]; één mens is veel meer waard dan tweeduizend
zwijnen,»3 hij is meer waard dan heel de geschapen wereld met al zijn rijkdommen
en wonderen.
Toch weegt voor de eigenaars van de kudde, de
tijdelijke schade meer dan de bevrijding van de bezetene. Bij de ruil van een
mens tegen enige zwijnen kiezen ze voor de laatste, voor de zwijnen. Toen zij zagen
wat er gebeurd was, begonnen ze bij
Hem aan te dringen hun streek te verlaten. Hetgeen
de Heer aanstonds deed.
De aanwezigheid van Jezus in ons leven kan soms
betekenen, dat we een goede zakelijke transactie mislopen, omdat deze misschien
niet helemaal zuiver was, of omdat we niet kunnen concurreren met dezelfde
ongeoorloofde middelen als onze collega's..., of eenvoudigweg, omdat Hij wil dat we zijn hart winnen door onze armoede. En
de Heer zal ons altijd vragen, als we
dichtbij Hem willen blijven, om een daadkrachtige onthechting van
materiële dingen, om een echte christelijke armoede, die duidelijk voorrang
geeft aan het geestelijke boven het materiële, en aan ons einddoel -de
zaligheid, van onszelf en van anderen- boven de tijdelijke doelen van het menselijk
welzijn.
28.2 Ze verzochten Jezus hun
streek te verlaten. Laten wij nooit de vreselijke
dwaling begaan tot Jezus te zeggen dat Hij uit ons leven moet weggaan, omdat
wij, door ons christenen te tonen, misschien een ambt of een betrekking
verliezen, of op enigerlei wijze materiële schade moeten lijden. We dienen
integendeel vaak tot de Heer te zeggen, met de woorden die de priester in de heilige mis vlak voor de communie
in stilte uitspreekt: fac me tuis semper inhaerere
mandatis, et a te numquam separari permittas: Geef dat ik nooit de weg van uw geboden
verlaat, nooit word gescheiden van uw liefde. Het is veel beter bij Christus te
zijn en niets te hebben, dan alle schatten van de wereld
te bezitten en zonder Hem te zijn. «De Kerk weet waarachtig, dat alleen God,
die zij dient, een antwoord kan geven op de diepste verlangens van het
menselijk hart, dat door aardse spijs nooit kan worden verzadigd.»4
Alle aardse goederen zijn middelen om ons
dichter bij God te brengen. Als ze niet daarvoor dienen, dienen ze nergens meer
voor. Jezus is meer waard dan welke zakelijke transactie ook, meer dan het
leven zelf. «Als je Jezus verdrijft en Hem verliest, waar ga je dan naar toe?
Wie zul je dan als vriend zoeken? Zonder vriend kun je niet gelukkig leven; als
Jezus niet je bijzondere vriend is, zul je bedroefd en troosteloos zijn.»5 Je zult veel in
dit leven verliezen, en alles in het leven hierna.
De eerste christenen, en door de eeuwen heen
vele mannen en vrouwen, hebben het martelaarschap verkozen boven het verliezen
van Christus. «Tijdens de vervolgingen in de eerste eeuwen waren dood,
deportatie en verbanning de gebruikelijke straffen.
»Vandaag de dag komen naast gevangenis,
concentratiekampen, dwangarbeid, verdrijving uit het vaderland, nog andere
straffen voor die minder opvallend, maar geraffineerder zijn: het is niet meer
zozeer een dood 'met bloedvergieten', maar een soort 'burgerlijke' dood; niet
alleen de afzondering in een gevangenis of strafkamp, maar de permanente
beperking van de persoonlijke vrijheid, of maatschappelijke discriminatie [...]»6 Zijn wij in staat
om, indien nodig, onze eer of rijkdom op te offeren, om in ruil daarvoor bij
God te blijven?
Jezus volgen is niet met alles verenigbaar. We
moeten een keuze maken, en alles opgeven dat een hindernis vormt om bij Hem te
zijn. Daarom moet in ons hart een duidelijke gesteldheid ingeworteld zijn van afkeer
van de zonde, en moeten we de Heer en zijn Moeder bidden, alles van ons weg te
nemen dat ons van Hem scheidt: «Moeder, bevrijdt ons, uw kinderen -ieder van
ons- van elke smet, van alles wat ons van God scheidt, zelfs als we zouden
moeten lijden, zelfs als het ons leven zou kosten.»7 Welke zin zou het
hebben als we de hele wereld winnen, maar Jezus verliezen?
28.3 «Dat er onder de bewoners van die streek heel wat dwazen waren -zo
schrijft de heilige Johannes Chrysostomus in een commentaar- blijkt duidelijk
uit de ontknoping van heel deze episode. Want terwijl ze bewondering hadden
moeten tonen voor zijn macht, en moeten neervallen in aanbidding, stuurden ze
Hem een boodschap met het verzoek uit hun streek te vertrekken.»8 Jezus kwam hen
bezoeken maar ze bleken niet in staat te begrijpen wie Hij was, ondanks de
wonderen die Hij verricht had. Dat was de grootste dwaasheid van die mensen:
dat zij Jezus niet herkenden.
De Heer komt dagelijks bij ons voorbij. Als ons
hart gehecht is aan materiële zaken, zullen we Hem niet herkennen; en er zijn
veel manieren, sommige heel subtiel, om Hem te vragen te verdwijnen uit onze
buurt, uit ons leven, want niemand kan twee heren dienen; hij zal de een
haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten. Gij
kunt niet God dienen èn de mammon.9
Uit eigen ervaring kennen wij het gevaar dat we
lopen om ons te veel te richten op aardse goederen. We weten hoe makkelijk dit
leidt tot, bijvoorbeeld, een ongeordend verlangen naar nog méér bezittingen,
verburgerlijking, gemakzucht, luxe, wispelturigheid, onnodig geld uitgeven
enz.; en we zien ook wat er om ons heen gebeurt: «Niet weinig mensen, vooral in
economisch hoog ontwikkelde gebieden, schijnen door de economie als het ware te
worden overheerst, zodat bijna geheel hun persoonlijk en maatschappelijk leven
is doordrongen van een geest die we 'economistisch' kunnen noemen.»10 Ze menen dat het
geluk te vinden is in materiële goederen en ze zijn vervuld van verlangens om
deze te verwerven.
Wij moeten onthecht zijn aan al ons bezit. Dan
zullen we alles op aarde weten te gebruiken zoals God beschikt heeft. Ons hart
zal gericht zijn op Hem en op de goederen die nooit verloren gaan. Onthechting
maakt van ons leven een smaakvolle weg van soberheid en doeltreffendheid. Een
christen moet zich vaak afvragen of hij steeds waakzaam is om niet in gemakzucht te vervallen of in een soort
verburgerlijking, die op geen enkele manier strookt bij het leerling van
Christus zijn; of hij geen overbodige behoeften tracht te scheppen; of de
aardse zaken hem dichter bij God brengen of hem verder van God verwijderen. We
kunnen en moeten altijd matig zijn in onze persoonlijke behoeften, overbodige
uitgaven beteugelen, niet toegeven aan nukken, de neiging om valse behoeften te
creëren overwinnen, edelmoedig zijn in het geven van aalmoezen.
Ook kunnen we vandaag in ons gebed overwegen of
we bereid zijn alles ver van ons af te werpen wat ons verhindert dichter tot
Christus te komen, net zoals Bartimeüs deed, die blinde man die om aalmoezen
bedelde net buiten Jericho.11
De Heer is oneindig méér waard dan alle
geschapen goederen. We mogen niet toestaan dat met ons gebeurt als met de Gerasenen:
Daarop liep de hele stad uit, Jezus
tegemoet; en toen zij Hem zagen, verzochten zij Hem hun streek te verlaten.12 Laten wij
daarentegen tot Hem zeggen, met de woorden uit een gebed van de heilige
Bonaventura, voor na de Communie: Moge
U altijd [...] mijn erfgoed zijn, mijn bezit, mijn schat, waarop altijd mijn hart
en ziel onwankelbaar vast gericht zijn. Heer,
waarheen zou ik gaan zonder U?
-1. Mc 5,1-20. -2. Hnd 10,38. -3. J. Orlandis, The Christian in the World. -4. Vaticanum ii,
Past. const. Gaudium et spes, 41. -5. Thomas à Kempis, De navolging van
Christus, II, 8,3. -6. Johannes
Paulus ii, Meditatiegebed in Lourdes,
14 augustus 1983.-7. A. del Portillo, Brief, 31 mei 1987, 5. -8. H.
Johannes Chrysostomus, Homilieën
over Matteüs, 28,3. -9. Mt 6,24. -10. Vaticanum ii, o.c., 63. -11. Vgl. Mc 10,50. -12. Mt 8,34.
|