23 december
28. ONTHECHTING EN CHRISTELIJKE ARMOEDE
-De geboorte van Christus is een oproep aan ons de
hoog geprezen en levende armoede voor de Heer te beleven. Het voorbeeld van
Jezus. -Waarin bestaat de evangelische armoede. -Details van de armoede;
verschillende manieren deze te beleven.
28.1
Daadwerkelijke onthechting van wat we zijn en wat we bezitten is een voorwaarde
om Jezus te kunnen volgen, onze ziel te openen voor de Heer die voorbijkomt en
roept. De gehechtheid aan aardse goederen daarentegen sluit de toegang tot
Christus af, vergrendelt voor ons de poorten tot de liefde en het begrip van
het allerwezenlijkste in ons leven: wie zich niet losmaakt van al wat hij
bezit, kan mijn leerling niet zijn.1
De
geboorte van Jezus en zijn hele leven zijn een ononderbroken uitnodiging aan
ons deze dagen de houding van ons hart tegenover de aardse goederen te
onderzoeken. De Heer, de Eniggeborene van de Vader, de Verlosser van de wereld,
wordt niet in een paleis geboren, maar in een grot, een verblijfplaats voor
dieren; niet in een grote stad, maar in een vergeten gehucht, in Bethlehem. Hij
had zelfs geen wieg, maar een kribbe. De overhaaste vlucht naar Egypte was voor
de heilige Familie de ervaring van de ballingschap in een vreemd land met
weinig meer middelen van bestaan dan de handen van Jozef die gewend zijn te
werken. Tijdens zijn openbaar leven leed Jezus honger2, beschikte Hij
niet over twee kleine munten van geringe waarde om de tempelbelasting te
betalen.3 Hij
zei zelfs op een bepaald moment dat de Mensenzoon niets heeft waar Hij zijn
hoofd op kan laten rusten.4 Zijn dood aan het kruis is het blijk van de uiterste en
verhevenste onthechting. De Heer wilde de strengheid kennen van de uiterste
armoede -het gemis van het noodzakelijke-met name in de meest betekenisvolle
uren van zijn leven.
De armoede van de christen
moet werkelijke armoede zijn, in samenhang met het werk, netheid, zorg voor het
huis, het instrumentarium, met hulp aan de anderen, met een sobere stijl van
leven. Daarom wordt gezegd «Het beste voorbeeld van armoede zijn voor mij
altijd die vaders en moeders van kinderrijke en arme gezinnen geweest, die
helemaal voor hun kinderen leven, die met hun inspanning en
doorzettingsvermogen, vaak zonder ook maar een woord over de moeilijkheden te
uiten, het gezin vooruit helpen, er een blij thuis van maken, waarin allen
leren beminnen, dienen en werken.»5
Ook als we goederen
bezitten, zal het altijd mogelijk zijn te leven als «deze vaders en moeders van
kinderrijke en arme gezinnen» en met hen het goede te doen, omdat «Jezus juist
deze armoede, aanvaard uit onthechting, vertrouwen op God, matigheid en
bereidheid tot delen, zalig heeft verklaard.»6 De armoede die de Heer van ons allen
vraagt, is geen zaak van verwaarlozing, slonzigheid of luiheid. Dat heeft niets
met deugd te maken. Om de onthechting aan bezit te leren beleven, in de golf
van materialisme die de mensheid schijnt te omspoelen, moeten we naar ons
Voorbeeld, Jezus Christus, kijken, die om uwentwil arm is geworden, terwijl
Hij rijk was, opdat gij rijk zoudt worden door zijn armoede.7
28.2 De
armen aan wie de Heer het rijk der hemelen belooft8, zijn niet
zo maar behoeftige mensen, maar mensen die, of ze nu wel of geen bezittingen
hebben, van die bezittingen onthecht zijn, er niet de gevangene van zijn.
Armoede van geest die in alle levensomstandigheden beleefd moet worden. Ik
kan -zegt de heilige Paulus- volop eten en ik kan honger lijden, ik ben
vertrouwd met overvloed en met gebrek.9
De mens kan zijn leven
richten op God die hij bereikt door alle materiële zaken aan te wenden als
middelen, of hij kan geld en rijkdom in al zijn vormen -zucht naar luxe,
mateloos gemak, eerzucht, hebzucht- tot doel verheffen. Die twee doelstellingen
zijn onverenigbaar: niemand kan twee heren dienen.10 Wie van rijkdom
houdt, bant met kracht de liefde tot God uit. Het is onmogelijk, dat God zou
wonen in een hart dat vervuld is van een andere liefde. Het woord van God wordt
in het hart van de rijke verstikt, zoals het zaad dat tussen de distels viel.11 Daarom moeten
wij niet verbaasd zijn de Heer te horen onderrichten dat het voor een kameel
gemakkelijker is door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke in het
koninkrijk Gods te komen.12 Hoe makkelijk nestelt de geest van rijkdom zich -als wij
niet opletten- in ons hart!
De Kerk houdt ons vanaf
het begin tot in onze dagen voor, dat de gelovige de wijze waarop hij gebruik
maakt van de materiële goederen, in de gaten moet houden, en zij vermaant haar
kinderen «er op bedacht te zijn hun gemoed zo te richten dat zij zich bij dit
nastreven van de volmaakte liefde niet laten tegenhouden door het gebruik van
de aardse goederen en de gehechtheid aan de rijkdom tegen de geest van
evangelische armoede in. In die zin vermaant hun de Apostel: Zij die met het
aardse omgaan, moeten er niet in opgaan; want de wereld die wij zien, gaat
voorbij (vgl. 1 Kor 7,31).»13 Hij die zich hecht aan de aardse zaken bederft het juiste
gebruik ervan en ontwricht de door God beschikte orde, maar hij laat bovendien
zijn ziel onbevredigd, een gevangene van die stoffelijke goederen die het haar
onmogelijk maken echt van God te houden.
De christelijke leefstijl
veronderstelt een radicale verandering van houding tegenover de aardse
goederen: men verwerft ze en gebruikt ze,
niet alsof deze een doel op zich zouden zijn, maar omdat ze een middel
zijn om God te dienen. Als middel zijn ze het niet waard, dat wij ons hart
eraan verpanden: dat behoort aan andere, authentieke goederen.
Laten wij er in ons gebed
aan denken dat voor daadwerkelijke onthechting van zaken offers nodig zijn.
Onthechting die niets kost, leeft niet. Echte onthechting zal vaak blijken uit
vrijgevige bijdragen aan collectes, uit het weten afstand te doen van wat
overbodig is, uit de strijd tegen de ongeordende zucht naar luxe en comfort,
uit het vermijden van onnodige bokkesprongen, uit het afwijzen van luxe en van uitgaven voor onnodig uiterlijk
vertoon enz.
Deze deugd van armoede is
voor een christen zo belangrijk, dat we zeker kunnen zeggen dat «wie de deugd
van de armoede niet liefheeft en er niet naar leeft, de geest van Christus niet
heeft. Dat geldt voor iedereen: voor de kluizenaar die zich in de woestijn
terugtrekt, maar ook voor de gewone christen die middenin de maatschappij leeft
en de beschikking heeft over aardse goederen en zelfs voor hen, die veel van
die goederen missen.»14
28.3 Het
mensenhart is geneigd de aardse goederen buiten proporties na te jagen: als er
geen positieve strijd is om in onthechting van de materie voort te gaan, zou
men kunnen stellen dat de mens zijn doel, min of meer bewust, slechts hier
beneden heeft gesteld. De gelovige mag nooit vergeten dat hij onderweg is naar
God. Daarom moet hij regelmatig zijn geweten onderzoeken en zich afvragen of
hij de deugd van de armoede voldoende omhelst en beleeft; of hij erop bedacht is niet te
vervallen tot gemakzucht of tot een
levenswijze die een leerling van Christus niet past; of hij onthecht is van de
aardse zaken; of hij ze, uiteindelijk, hanteert als middelen om het goede te
doen en elke keer dichter
bij God te leven. Immers «in de loop der geschiedenis is de tijdelijke orde ernstig misbruikt [...] Ook in
onze dagen zijn er niet weinigen die [...] de tijdelijke waarden bijna verafgoden
en eerder hun slaaf zijn dan hun meester.»15
Wij kunnen en moeten
altijd sober zijn in onze persoonlijke behoeften, door overbodige uitgaven te
temperen, niet aan grillen toe te geven, op onze hoede te zijn door geen
onechte behoeften te creëren, vrijgevig te zijn met aalmoezen en in het
steunen van goede werken. Om dezelfde reden moeten wij met bijzondere aandacht
thuis alles onderhouden, alsof alle soorten goederen die wij hebben, ons alleen
maar in beheer zijn gegeven. «Armoede bestaat in het zich onthechten van de
aardse dingen, in het vermogen om eventueel ook onprettige dingen en het gebrek
aan materiële middelen met blijdschap te accepteren [...] Je gedurende je hele
leven op je medemensen oriënteren en zo'n gebruik maken van de dingen dat je de
anderen altijd iets kunt geven, dat zijn heel concrete aspecten van de armoede
die garanderen dat je echt onthecht bent.»16
Op deze en weer andere
wijzen zal ons verlangen blijken ons hart niet te laten uitgaan naar rijkdom.
Ook niet als we vanwege ons beroep of ons ambt voor eigen gebruik de
beschikking hebben over zaken van derden. De matigheid die wij dan beproeven,
zal de bonus odor Christi, de goede geur van Christus zijn die de vaste
gezel is in het leven van een gelovige.
Terwijl hij het woord
richtte tot mannen en vrouwen die zich inspanden middenin de wereld de
heiligheid te bereiken -zakenlieden, docenten,
landbouwers, ambtenaren, huisvaders en -moeders- zei de heilige
Jozefmaria Escrivá: «De gewone christen moet in zijn leven twee eisen met
elkaar in overeenstemming zien te brengen, die elkaar op het eerste gezicht lijken uit te sluiten. Aan de ene
kant een echte armoede die in concrete dingen voelbaar en grijpbaar
verwezenlijkt wordt, die een bewijs van zijn geloof in God is en een teken dat
zijn hart zich niet tevreden stelt met het
geschapene, maar naar de Schepper verlangt, teneinde zich met zijn
liefde te vullen en die liefde aan zijn medemensen door te geven. En aan de
andere kant delen in het leven van zijn broeders de mensen, met wie hij
zich verheugt en met wie hij samenwerkt, de wereld en al de goede dingen ervan
beminnen, alle geschapen dingen gebruiken om de problemen van het menselijk
leven op te lossen en om het geestelijke en
materiële milieu te creëren waarin de ontwikkeling van de personen en
van de gemeenschappen bevorderd wordt. Hoe je die twee eisen met elkaar moet
zien te combineren is voor een groot deel een persoonlijke kwestie, een kwestie
van innerlijk leven, namelijk om op ieder moment en in iedere situatie goed te
kunnen beoordelen en te ontdekken wat God van ons vraagt.»17
Als we daadwerkelijk
strijden voor een leven in onthechting van wat wij bezitten en gebruiken, zal
de Heer ons hart zuiver en wagenwijd open aantreffen als Hij in de hoogheilige
nacht weer naar ons toe komt. Dan zal onze ziel niet overkómen wat met die
herberg gebeurde: die was vol, zij hadden geen plaats voor de Heer.
-1. Lc
14,33. -2. Vgl. Mt 4,2. -3. Vgl. Mt 17,23-26. -4. Mt 8,20.
-5. Gesprekken met Mgr. Escrivá, 111. -6. Congregatie voor de Geloofsleer, Instr. Over de
christelijke vrijheid en bevrijding, 1 oktober 1986, n. 66. -7. 2 Kor
8,9. -8. Mt 5,3. -9. Fil 4,12. -10. Mt 6,24. -11. Vgl. Mt
13,7. -12. Mt 19,24. -13 Vaticanum ii,
Dogm. const. Lumen gentium, 42. -14. Gesprekken met Mgr. Escrivá,
110. -15. Vaticanum ii,
Decr. Apostolicam actuositatem, 7. -16. Gesprekken met Mgr. Escrivá,
111. -17. Ibidem, 110.
|