Derde zondag door het jaar (B)
17. Onthechting om Christus te volgen.
-De leerlingen lieten alles achter en volgden Jezus.
Noodzaak van een volledige onthechting om te beantwoorden aan de oproep van de
Heer. -Enige details met betrekking tot christelijke armoede en onthechting. -Aalmoezen
en onthechting van materiële zaken.
17.1 Het evangelie van vandaag vertelt ons
hoe Christus vier van zijn leerlingen geroepen heeft: Petrus, Andreas, Jakobus
en Johannes.1 Deze vier, vissers van beroep, waren aan
het werk, netten uitwerpend of reparerend, toen Jezus voorbij kwam en hen riep.
Deze apostelen kenden de Heer reeds2 en hadden
zich sterk aangetrokken gevoeld door zijn persoon en zijn leer. De oproep die
zij nu ontvangen is definitief: Komt, volgt Mij; Ik zal u vissers van mensen maken. Jezus, die hen midden in hun werk heeft opgezocht, gebruikt een beeld
uit hun beroepswereld, de visserij, om hun de nieuwe taak in hun leven aan te
duiden.
Deze vissers lieten terstond alles achter om de Meester te
volgen. Ook van de heilige Matteüs wordt ons verteld dat hij, relictis omnibus, nadat
hij alles had achtergelaten, opstond
van de tafel waar hij de belastingen inde en met
Christus meeging. En de overige apostelen zullen hetzelfde gedaan hebben, ieder
van hen in de eigen persoonlijke omstandigheden waarin Jezus hen aantrof.
Om Christus te volgen moet onze ziel vrij zijn
van elke gehechtheid: vooreerst die van de eigenliefde, maar ook vrij van een
overdreven zorg om de gezondheid, de toekomst..., van gehechtheid aan rijkdom en
materiële goederen. Want als het hart vervuld wordt van aardse goederen, is er
geen plaats meer voor God. Van sommigen zal God een volledig afstand-doen
vragen, om zó vollediger over hen te kunnen beschikken. Dit vroeg Hij van zijn
apostelen, van de rijke jongeling3 en van al diegenen
die in de loop der eeuwen in Hem hun schat en hun rijkdom hebben gevonden. En
van iedereen die Hem echt wil volgen, vraagt Christus een daadwerkelijke
onthechting van zichzelf en van alles wat hij of
zij bezit en benut. Als het een werkelijke onthechting is, zal dit zich in vele
aspecten van het dagelijks leven uiten, want ofschoon de geschapen wereld goed
is, neigt het hart tot een ongeordende gebondenheid aan de schepselen en de dingen.
Daarom moet de christen voortdurend waakzaam zijn en zichzelf vaak
onderzoeken, opdat de geschapen goederen de vereniging met God niet belemmeren,
maar een middel zijn om Hem te beminnen en te dienen. «Allen moeten er dus op
bedacht zijn -zo vermaant het Tweede Vaticaans Concilie- om hun gemoed zó te
richten, dat zij zich bij dit nastreven van de volmaakte liefde niet laten
tegenhouden door het gebruik van de aardse goederen en de gehechtheid aan de
rijkdom, tegen de geest van de evangelische armoede in. In die zin vermaant hen
de apostel: zij die met het aardse omgaan, moeten er niet in opgaan; want de wereld
die wij zien gaat voorbij (Vgl. 1 Kor 7,31).»4 Deze woorden van de heilige Paulus, gericht tot de christenen van
Korinte en die staan in de tweede lezing van de mis van vandaag, zijn een
uitnodiging om ons hart op het eeuwige, op God te richten.
Dit afstand doen van materiële gehechtheden en,
zoals God van ons vraagt, moet daadkrachtig en concreet zijn. Zoals Jezus zelf
later zal zeggen, is het onmogelijk God en de mammon te dienen.5 Als we bereid zijn om afstand te doen van
ons leven omwille van Christus, dan moeten we dat met des te meer redenen doen
met de vergankelijke goederen, die per slot van rekening kortstondig en van
weinig waarde zijn.
17.2 Christelijke onthechting houdt geen verachting in van de materiële
goederen, als ze tenminste verworven en gebruikt worden in overeenstemming met
de wil van God. Onthechting betekent, in het eigen leven de raadgeving van de
Heer verwezenlijken: Zoekt eerst het
Koninkrijk en zijn gerechtigheid: dan zal dat alles u erbij gegeven worden.6 Hoe groter de onthechting is, des te groter is -zo zullen we ontdekken-
ons vermogen om de ander lief te hebben en het goede en mooie van de schepping
te waarderen.
Maar een lauw en verdeeld hart, dat geneigd is
de liefde voor God te delen met de liefde voor de aardse goederen, met
gemakzucht en verburgerlijking, zal Christus spoedig buitensluiten en de
gevangene worden van de materiële dingen, die dan voor hem tot een bron van
kwaad zijn geworden. We mogen niet vergeten, dat wij allen ten gevolge van de
erfzonde in ons de neiging hebben tot een comfortabel leven, tot
verburgerlijking, tot machtszucht, tot zorg voor de toekomst. Naast deze
tendens die in elk hart aanwezig is, bestaat er een mateloze drang naar bezit
en genot van de materiële middelen, alsof die het belangrijkste in het leven
zijn. Deze drang lijkt zich meer en meer in onze maatschappij te verbreiden. We
kunnen overal een duidelijke trend waarnemen, niet om een gewettigd comfort te
bereiken, maar om luxe te verwerven, om onszelf geen enkel plezier te
ontzeggen. Het is een zware druk die overal voelbaar is, en die we niet mogen
vergeten, als we echt vrij van deze ketenen willen zijn om Christus te volgen
en levende voorbeelden te zijn van matigheid, midden in die maatschappij die we
tot de Heer moeten brengen. Overvloed en het genot van materiële goederen
zullen de wereld nooit geluk brengen; het menselijk hart kan de volheid waartoe
het is geschapen, alleen vinden in zijn God en Heer. Als we niet met de nodige
vastberadenheid deze onthechting beleven, dan «wordt het hart ongelukkig en
onbevredigd. Het slaat de weg in van het eeuwig ongenoegen en wordt
uiteindelijk al op aarde slaaf, slachtoffer van juist die dingen die het
misschien ten koste van onmeetbare inspanningen en ontberingen verworven
heeft.»7
Christelijke armoede en onthechting hebben
niets van doen met viesheid en slordigheid, met verwaarlozing en slechte
manieren. Jezus ging goed gekleed. Om zijn lijfrok, vast en zeker door zijn
Moeder geweven, werd op Calvarië gedobbeld, omdat hij zonder naad was en aan één stuk geweven van bovenaf 8; het was een
kleed met een zoom.9 We kunnen eveneens waarnemen hoe Hij ten huize van de farizeeër Simon
de gebruikelijke beleefdheidsnormen mist; hoe Hij Simon verwijt, dat hij Hem
geen water heeft aangeboden om zijn voeten te wassen en Hem niet met een
vredeskus begroet heeft, dat hij zijn hoofd niet gezalfd heeft met olie...10 Het huis van de
Heilige Familie in Nazaret was bescheiden, schoon, eenvoudig, ordelijk en
opgeruimd, goed onderhouden, een plaats waar het aangenaam vertoeven was. Er
zullen waarschijnlijk vaak een paar bloemen gestaan hebben of een of andere
kleine, smaakvolle versiering.
De armoede van de christen die zich heiligen
moet temidden van de wereld, is nauw verbonden met het werk waarvan hij of zij
leeft en het eigen gezin onderhoudt. Voor een student betekent armoede: serieus
studeren en de tijd goed gebruiken, in het duidelijk besef, dat hij door zijn
studie een schuld aangaat met de maatschappij en met zijn familie, en dat hij
zich volledig op zijn studie moet concentreren om later nuttig te kunnen zijn.
De armoede van de huismoeder is nauw verbonden met de zorg voor het huis, de
kleding, de meubels... opdat ze lang meegaan; haar armoede bestaat in verstandige
spaarzaamheid, die haar persoonlijke grillen doet vermijden, die haar doet
letten op de kwaliteit van de produkten die ze koopt, en dàt zal vaak betekenen
dat ze meerdere winkels afloopt, prijzen vergelijkt... En met betrekking tot de
kinderen: wat zullen die later dankbaar zijn, dat ze opgegroeid zijn in een
zekere soberheid, die door de zintuigen binnendringt en niet al te veel uitleg
nodig heeft, wanneer men ziet hoe ze door de ouders beleefd wordt! Dit geldt
ook als het een welgesteld gezin betreft. Ouders laten hun kinderen een grote
erfenis na, als ze laten ontdekken dat werken het beste en meest betrouwbare
kapitaal is, als ze hun de waarde van de dingen laten zien en hen leren geld
wijs te besteden, door rekening te houden met de noden die vele mensen op aarde
lijden, als ze hen opvoeden tot edelmoedige mensen.
17.3 Effectief onthecht-zijn van zaken
veronderstelt opoffering. Onthechting die geen moeite kost, is weinig
authentiek. De christelijke leefstijl veronderstelt een radicale verandering in
de houding ten opzichte van de aardse goederen: ze worden nagestreefd en benut,
niet als doel op zichzelf, maar als middel om God, het gezin en de maatschappij
te dienen. Het doel van een christen is niet meer en meer te bezitten, maar meer en meer God lief te hebben, door zijn
werk, door zijn gezin, en ook door de materiële goederen. De edelmoedige zorg
voor de noden van anderen, zoals de eerste christenen hebben beleefd11, en die de heilige Paulus ter naleving voorhield aan de gelovigen van
de door hem gestichte gemeenschappen, zal altijd een voorbeeld zijn dat
voortdurend van kracht is: een christen zal nooit onverschillig mogen blijven
voor de geestelijke of materiële nood van de anderen, en hij zal alles in het
werk moeten stellen om een edelmoedige bijdrage te leveren aan de oplossing van
die noden. Soms door een financiële bijdrage te geven, andere keren door een
deel van zijn tijd te besteden aan goede werken, in de wetenschap dat dan niet alleen voorzien
wordt in de noden van de heiligen (van andere
broeders en zusters in het geloof), maar dat het ook een overvloedige bron van
dankzegging aan God wordt.12
Edelmoedig aalmoezen geven aan mensen in nood
of aan goede doelen is altijd een uiting geweest -hoewel niet de enige- van
werkelijke onthechting van de aardse goederen en van de geest van evangelische
armoede. Aalmoezen, niet slechts van wat we in overvloed hebben, maar vooral
het resultaat van persoonlijke offers, het lijden van ontbering op een of ander
gebied. Deze gave, als opoffering van iets dat we wellicht noodzakelijk vonden,
is de Heer uiterst welgevallig. De aalmoes komt dan voort uit een barmhartig
hart, en «is nuttiger voor degene die hem geeft dan voor wie hem ontvangt. Want
wie hem geeft, verwerft daarmee een geestelijk voordeel, terwijl wie hem
ontvangt slechts tijdelijk voordeel krijgt.»13
De Heer heeft ons, net zoals de apostelen,
uitgenodigd om Hem te volgen, ieder in zijn eigen omstandigheden. Om deze
oproep te beantwoorden moeten we erop toezien dat ook wij alles achter hebben
gelaten, ook al dienen we er in feite gebruik van te maken. Laten we onszelf
onderzoeken of we edelmoedig zijn met wat we bezitten en gebruiken, of we
onthecht zijn van de tijd, van gezondheid, of onze vrienden ons kennen als
mensen die gewoonlijk sober leven. Laten we nagaan of we edelmoedig zijn in het
geven van aalmoezen; of we uitgaven vermijden die eigenlijk een gril, een
uiting van ijdelheid of verburgerlijking zijn, of we goed passen op de dingen
die we gebruiken: boeken, gereedschap, kleren. Kortom, laten we kijken of ons
verlangen om Christus te volgen vergezeld gaat van de vereiste onthechting van
de dingen, en of de onthechting echt gemeend is, of ze in concrete daden tot
uitdrukking komt. Ook bij ons komt Jezus langs; wij mogen niet toelaten, dat
wij om onbeduidende dingen -door Paulus vuilnis14 genoemd- die diepere vereniging met Christus vertragen.
-1. Mc 1,14-20. -2. Vgl. 2 Joh 1,35-42. -3.
Vgl. Mc 10,21. -4. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 42. -5. Lc 16,13. -6. Mt 6,33. -7. H. Jozefmaria
Escrivá, Vrienden van God, 118. -8. Joh 19,23. -9. Vgl. Mt 9,20;
14,36. -10. Vgl. Lc 7,36-50. -11. Vgl. Hnd 2,44-47. -12. 2 Kor 9,12. -13. H. Thomas van
Aquino, Commentaar op de tweede brief aan de Korinthiërs, 8,10. -14. Fil 3,8.
|