Tweede week. Donderdag
16. ONTHECHTING
-Onthechting geeft vrijheid om Christus te volgen. Goederen
zijn enkel middelen. -Onthechting en edelmoedigheid.-Onthechting van het
overbodige en van wat we nodig hebben
16.1 In deze veertig
dagen van vasten roept de Kerk ons veel op om ons los te maken van aardse zaken
en zo ons hart te laten volstromen met God. In de eerste lezing van de Mis van
vandaag zegt de profeet Jeremias ons: Gezegend is hij die op de Heer
vertrouwt en zich veilig weet bij Hem. Hij is een boom aan een rivier, de
wortels tot in het water. Hij heeft geen last van de hitte, zijn bladeren
blijven groen. Een tijd van droogte deert hem niet, hij blijft altijd vrucht
dragen.1 De
Heer draagt zorg voor de mens die Hem zijn hart heeft toevertrouwd.
Wie zijn vertrouwen stelt in de dingen van de wereld, die
zijn hart afkeert van de Heer, is veroordeeld tot onvruchtbaarheid en
gebrek aan doeltreffendheid met betrekking tot het enige dat van belang is: Hij
is een kale struik in de steppe, nooit krijgt hij regen. Hij staat op dorre
woestijngrond, in een onvruchtbaar, verlaten gebied.2
De Heer verlangt dat we ons bezighouden met de dingen der
wereld en er op gepaste wijze van houden: Bevolk de aarde en heers over al
wat leeft.3 Maar
iemand die overdreven op de dingen der wereld gesteld is, laat in zijn ziel
geen ruimte voor Gods liefde. Gehechtheid aan bezit en ware liefde tot de Heer
zijn onverenigbaar: Gij kunt niet God dienen én de mammon.4 Dingen kunnen
verworden tot ketenen die ons verhinderen met Christus te verkeren. En als we
niet bij Hem kunnen komen... waarom leven we dan eigenlijk? «Om tot God te komen
is Christus de weg; maar Christus hangt aan het kruis. En om het kruis te
bestijgen moet men het hart vrij hebben, onthecht van alle aardse dingen.»5 Hij gaf ons dit
voorbeeld: met een volmaakte zelfbeheersing en in volledige vrijheid stond hij
boven de goederen van deze wereld. Hij is om ons arm geworden, terwijl Hij
rijk was.6 Om
Hem te volgen wordt ons een onontkoombare voorwaarde gesteld: Zo kan niemand
van u mijn leerling zijn, als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.7 Deze voorwaarde
is ook onvermijdelijk voor wie Hem middenin de wereld tracht te volgen. Door
geen afstand te doen van zijn goederen bleef die rijke jongeling triest achter
die veel goederen bezat8 en er te veel aan gehecht was. Wat raakte hij veel kwijt
die dag, die jongeling die er warmpjes bij zat, maar zijn bezit weldra door
zijn handen zou zien glippen.
Stoffelijke zaken zijn goed, ze zijn immers van God. Het zijn
werktuigen die God de mens vanaf de schepping ter beschikking heeft gesteld
voor zijn groei en ontwikkeling binnen de mensengemeenschap. Wij zijn tijdelijk
de beheerders van die goederen, voor een korte periode. Alles moet ons dienen om
God -Schepper en Vader- en de naasten lief te hebben. Als we ons hechten aan de
goederen die we bezitten en niet werkelijk onthechting in praktijk brengen, als
de goederen geen hulp zijn om het goede te doen, als we ons afzonderen van de
Heer, blijken ze niet goed te zijn, zijn ze verworden tot iets slechts. Wie de
mammon tot het middelpunt van zijn leven maakt, sluit zichzelf buiten het rijk
der hemel. Afgoderij, dat is volgens de heilige Paulus de juiste naam voor
hebzucht.9 Een
afgod neemt dan de plaats in die God alleen toebehoort.
De mens onthoudt zichzelf een echt innerlijk leven, een
liefderijke omgang met God, als hij niet de trossen doorhakt, ook al zijn ze
dun, waarmee hij meer dan nodig aan de zaken vastgemeerd is. «Het komt immers
op hetzelfde neer -zegt de heilige Johannes van het Kruis- of een vogel aan een
dunne of aan een dikke draad vastzit: want al is het een dunne, de vogel zal er
evengoed aan vastzitten als aan een dikke, zolang hij hem niet stukgetrokken
heeft om te gaan vliegen. De dunne kan weliswaar gemakkelijker stukgetrokken
worden; maar hoe gemakkelijk dit ook is, als de vogel hem niet stuktrekt, zal
hij niet kunnen vliegen. Zo is het ook gesteld met een ziel die nog aan iets
gehecht is: al bezit zij ook veel deugd, zij zal niet komen tot de vrijheid van
de vereniging met God.»10 Onthechting vergroot ons vermogen God te beminnen, en te
houden van de mensen, en alle eerbare zaken in deze wereld.
16.2 Het evangelie van
de Mis laat ons een mens zien die zijn bezit slecht gebruikt heeft. Er was
eens een rijk man die in purper en linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig
feest vierde, terwijl een arme, die Lazarus heette, met zweren overdekt voor de
poort lag. Hij verlangde zijn honger te stillen met wat er bij de rijkaard van
de tafel viel.11
Deze rijke man heeft een bruisend levensgevoel, een grote
stijl van leven: hij vierde uitbundig feest. Hij leefde voor zichzelf,
alsof God niet bestond, alsof hij die niet nodig had. Hij nam het er goed van
en leefde in overvloed. De parabel zegt niet dat hij tegen God was of tegen de
arme: enkel dat hij blind was en God niet kon zien, noch die mens die hem nodig
had. Hij leefde voortdurend voor zichzelf. Op zoek naar het geluk en het
egoïsme, niet naar edelmoedigheid. En egoïsme maakt blind en verlaagt de
persoon.
Zijn zonde? Geen blik te slaan op Lazarus, hem niet te zien.
«Niet de armoede, maar diens nederigheid voerde Lazarus naar de hemel; noch was
het de rijkdom die de rijkaard verhinderde het eeuwige rusten in vrede te
bereiken, maar zijn egoïsme en zijn ontrouw»,12 zegt de heilige Gregorius de Grote
diepzinnig.
Egoïsme en verburgerlijking verhinderen de mens de noden van
de naasten te zien. Als gevolg daarvan beschouwen sommigen hun medemens als
louter een voorwerp, een ding. Het is een ernstige zaak als je je medemens als
een ding beschouwt, een voorwerp zonder veel waarde, waarmee je naar eigen
inzicht kan doen en laten wat je wilt. We hebben allemaal veel dat we kunnen
geven: genegenheid, begrip, hartelijkheid en aanmoediging, ons werk goed doen
en afmaken, aalmoezen voor behoeftige mensen of charitatieve instellingen, een
glimlach elke dag, goede raad, het helpen van vrienden door hen aan te moedigen
de sacramenten te ontvangen...
Met het gebruik dat we maken van de rijkdom -veel of weinig- die
God ons ter beschikking heeft gesteld, zullen we het eeuwig leven bereiken. Dit
is de tijd waarin we het verdienen. Door edelmoedig te zijn, door anderen te
behandelen als kinderen van God, zijn wij hier op aarde gelukkig en in het
hiernamaals. Liefde in al haar vormen, dat is eenvoudigweg het vestigen van het
koninkrijk van God, en bovendien de enige bagage in deze vergankelijke wereld
die omhoog stuwt.
Deze onthechting moet effectief zijn en leiden tot concrete
resultaten die niet zonder opofferingen verwerkelijkt kunnen worden. Het moet
op een natuurlijke en weloverwogen wijze gebeuren zoals het christenen past die
midden in de wereld leven en die alle aardse goederen in bruikleen hebben om
als werktuig te dienen bij hun apostolische taak. Het gaat om een positieve
onthechting, want alle dingen der wereld stellen belachelijk weinig voor in
vergelijking met het onmetelijke en oneindige goed dat we op het oog hebben.
Het is ook innerlijk, het raakt onze verlangens. Onthechting moet actueel zijn,
want het vergt dat we nu regelmatig onderzoeken waar ons hart naar uitgaat en
concrete plannen maken die onze innerlijke vrijheid garanderen. Onthechting is
ook blij, want we houden onze ogen gericht op Christus, ons onvergelijkelijk
goed, want het is niet louter afzien, maar geestelijke rijkdom en heerschappij
over stoffelijke zaken.
16.3 Onthechting ontspringt
uit de liefde tot Christus en maakt tegelijkertijd de groei en bloei van deze
liefde mogelijk. God vertoeft niet in een ziel vol prullerij. Daarom zijn waakzaamheid
en innerlijke reinheid eerste vereisten. Deze veertigdaagse vastentijd is een
prima gelegenheid na te gaan hoe onze houding ten opzichte van dingen en van
onszelf is. Heb ik een hang naar dingen die onnut of overbodig zijn? Kan ik
rekening en verantwoording geven van mijn uitgaven, zodat ik weet waar mijn
geld blijft? Blijf ik uit de buurt van wat voor mij spilzucht of een bevlieging
zou zijn, en voor anderen misschien niet? Geef ik gewoonlijk een aalmoes aan
mensen die het nodig hebben of aan apostolische activiteiten, ruimhartig,
zonder pijn in de beurs? Geef ik aan de Kerk in redelijke verhouding met mijn
inkomsten en uitgaven? Ga ik zorgvuldig om met de dingen die ik bij mijn werk
moet gebruiken? Zeur ik, als ik iets nodig heb? Leid ik een sober leven dat
past bij iemand die heilig wil worden? Doe ik overbodige uitgaven, uit
voorzorg, of door niet vooruit te zien? Om dicht bij de Heer te zijn, is
onthechting nodig.
Dat betekent, naast onthechting van de stoffelijke zaken,
onthechting van onszelf: geen zorgen over gezondheid, over wat anderen van ons
denken, over voortreffelijke plannen, overwinningen en succes in het werk.
«Hierbij doel ik ook [...] op
die verheven idealen waardoor we enkel en alleen de eer en lof van God
nastreven. We moeten onze wil dan ijken op de volgende heldere en nauwkeurige
maat: Heer, ik zou dit of dat willen doen, maar alleen als het U behaagt, want
waarom zou ik me ermee bezighouden, als het U niet behaagt! Zo brengen we de
doodsteek toe aan het egoïsme en de ijdelheid die in ieders geweten
binnensluipen. En zo verkrijgen we tegelijkertijd de ware vrede van de ziel,
met een onthechting die uitloopt op het volledige bezit van God, steeds
intiemer, steeds intenser.»13 Zijn
wij op deze wijze onthecht van de vruchten van ons werk? Christenen moeten
zaken in bezit hebben, alsof zij die niet bezitten.14 De heilige Gregorius de Grote zegt: «bezit, maar op
een wijze alsof gij niets bezit, alles wat gij nodig hebt voor uw gebruik, maar
weest terdege op uw hoede, dat gij in staat zult zijn u ervan los te maken.
Gebruik van deze wereld, maar op een wijze alsof gij er geen gebruik van maakt,
dat wat in uw levensbehoeften voorziet, maar zonder uw hart er door te laten
beheersen, opdat dit alles de ziel die naar veel hoger zaken haakt, zonder
zijsprongen dienstig is bij haar goede tocht.»15
Onthechting van het fysiek welzijn. «Ik heb bedacht van hoeveel
belang het is geen acht te slaan op onze zwakke gezondheid, als we weten dat we
de Heer dienen [...] Waartoe dienen leven en welzijn anders voor dan om ze te
verliezen voor de zo grote Koning en Heer? Geloof me, zusters, het zal ons
nooit slecht vergaan, als we op die weg voortgaan.»16 Onze harten voor God, want Hij heeft ze
gemaakt en alleen in Hem wordt het hartsverlangen naar geluk en oneindigheid
vervuld. «Jezus is niet tevreden als Hij je hart moet 'delen' met anderen: Hij
wil alles voor zich.»17 Alle
andere zuivere en edele liefden die ons leven hier op aarde vormen, elk volgens
de eigen specifieke roeping, richten zich naar en voeden zich met die ene grote
liefde: onze Heer Jezus Christus.
God, die de onschuld hersteld hebt en liefhebt, voer de
harten van uw dienaren tot U, opdat zij, brandend door het vuur van uw Geest,
trouw bevonden worden in het geloof en vruchtbaar in hun werken.18 Onze Moeder
Maria zal ons helpen genegenheden van ons hart zuiver te houden en te ordenen,
opdat alleen haar Zoon heerst in ons hart. Nu en altijd. Allerliefst hart van
Maria, waak over ons hart en bereid het een veilige weg.
-1. Jer 17,7-8. -2. Jer 17,6. -3. Gen
1,28. -4. Mt 6,24. -5. H.
Jozefmaria Escrivá, De Kruisweg, tiende statie. -6. 2 Kor
8,9. -7. Lc 14,33. -8. Vgl. Mc 10,22. -9. Kol 3,5. -10. H. Johannes van het Kruis, Bestijging
van de Berg Karmel, 11,4. -11. Lc 16,19-21. -12. H. Gregorius de Grote, Homilieën,
40,2. -13. H. Jozefmaria Escrivá,
Vrienden van God, 114. -14. 1 Kor 7,30. -15. H. Gregorius de Grote, Homilieën,
36. -16. H. Theresia van Avila, Het
boek der kloosterstichtingen, 28,18. -17. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 155. -18. Gebed uit de Mis van
vandaag.
|