Paasoktaaf. Donderdag
5. ONTMOETING MET DE HEER
-De tegenwoordigheid van Jezus Christus in onze
tabernakels. -Het bezoek aan het Heilig Sacrament. -De vruchten van deze akte
van vroomheid.
5.1 In het evangelie van de Mis van vandaag1 lezen we hoe
Jezus, nadat Hij aan Maria Magdalena, aan de andere vrouwen, aan Petrus en aan
de Emmaüsgangers verschenen was, ook aan de elf verschijnt: En Hij sprak tot
hen: Waarom zijt ge ontsteld en waarom komt er twijfel op in uw hart? Kijkt
naar mijn handen en voeten: Ik ben het zelf. Betast Mij en kijkt: een geest
heeft geen vlees en beenderen, zoals ge ziet dat Ik heb. Dan toonde Hij hun
zijn handen en zijn voeten, en at met hen. De apostelen zullen voor altijd
overtuigd zijn, dat hun geloof in de Verrezene niet het gevolg is van simpele
goedgelovigheid, van enthousiasme of van verbeelding, maar van feiten die zij
herhaaldelijk zelf konden bevestigen. Jezus past zich bij zijn verschijningen
met een wonderlijke minzaamheid aan de geestesgesteldheid en de uiteenlopende
omstandigheden aan van hen, aan wie Hij zich openbaart. Hij gaat niet met hen
allemaal op dezelfde manier om; maar langs verschillende wegen brengt Hij hen
tot de zekerheid van zijn verrijzenis en van het feit, dat Hij de hoeksteen is
van ons geloof. Onze Heer wenst alle mogelijke garantie te geven aan hen, die
de nieuwe opkomende Kerk vormen, zodat ons geloof door de eeuwen heen op vaste,
betrouwbare fundamenten berust: De Heer is waarlijk verrezen. Jezus
leeft.
Vrede zij u, zei Jezus, toen Hij zich aan zijn
leerlingen, die van angst waren vervuld, vertoonde. Onmiddellijk zagen zij zijn
wonden en waren zij van vreugde en van verbazing vervuld. Deze wonden moeten
ook onze toevlucht zijn. Hier zullen wij altijd rust vinden voor de ziel en de
nodige kracht om Hem alle dagen van ons leven te volgen. «Als de duiven uit het
Hooglied (Vgl. Hl 2,14) die bij de storm onderdak vinden in de rotsspleten,
zullen wij onze toevlucht tot Hem nemen. Zijn wonden zullen onze schuilplaats
zijn, daar zullen wij de intimiteit van Christus vinden. Wij zullen ervaren dat
zijn wijze van spreken vredig is en zijn gelaat schoon. 'Zij immers die weten
dat zijn stem aangenaam en beminnelijk is, zij hebben de genade van het
evangelie ontvangen, waardoor zij zeggen: Gij hebt woorden van eeuwig leven.'
(H. Gregorius van Nyssa, In Canticum Canticorum homiliae, 5)»2
Jezus is ons zeer dicht nabij. In katholieke landen zijn er
zoveel tabernakels, dat we nauwelijks ooit meer dan een paar kilometer ver van
Hem weg zijn. Het is niet zo moeilijk de muren of op zijn minst de torenspits
van een kerk te zien, of we nu in het centrum van een drukke stad zijn of via
de weg of per trein reizen. Ons geloof en onze liefde doen ons uitroepen:
Christus is daar! Het is de Heer!3 We kunnen dit zeggen, omdat onze Heer daar werkelijk en
wezenlijk aanwezig is: Hij is dezelfde die aan de leerlingen verscheen en die
altijd in iedereen zo'n interesse heeft getoond.
Jezus is gebleven in de heilige eucharistie. Dit
gedenkwaardige Sacrament houdt werkelijk, echt en wezenlijk zijn Lichaam en
Bloed in, te zamen met zijn Ziel en Godheid en, met als gevolg, de gehele
Christus. De tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie is werkelijk en blijvend,
want als eenmaal de Mis voorbij is, blijft onze Heer in elk van de
geconsacreerde hosties die niet zijn genuttigd.4 Hij die aanwezig is, is Dezelfde die in
Palestina werd geboren, stierf en verrees, degene die zit aan de rechterhand
van God de Vader.
Wij ontmoeten Hem in het tabernakel, en Hij ziet ons en kent
ons. We kunnen met Hem spreken zoals de apostelen dat deden, en Hem vertellen
over dingen waar we enthousiast over zijn en over welke we ons zorgen maken.
Daar vinden we altijd echte vrede, een vrede die blijft, niettegenstaande alle
smart en welke hinderpaal ook.
5.2 «Eucharistische vroomheid -zei paus Johannes
Paulus ii- behoort bovenal
gericht te zijn op de viering van het Avondmaal van de Heer, dat het rijkelijk
uitstromen van zijn liefde op het Kruis doet voortduren. Maar het kent een
logische verlenging... in de verering van Christus van dit goddelijk sacrament,
in het bezoek aan het Allerheiligste, in het gebed voor het tabernakel, zowel
als in die andere vroomheidsoefeningen, persoonlijke dan wel gezamenlijke, in
beslotenheid of in het openbaar, die men al eeuwen heeft beoefend... Jezus wacht
op ons in dit Sacrament van liefde. Laat ons niet bekrompen zijn met onze tijd,
wanneer het erop aankomt Hem in aanbidding te ontmoeten, in gelovige overweging,
en genegen eerherstel te geven voor de ernstige fouten en misdaden van de
wereld.»5
Jezus is er, in het dichtstbijzijnde tabernakel. Wellicht
maar een paar kilometer ver of zelfs misschien maar een paar meter... Waarom
zouden we Hem niet bezoeken, van Hem houden, Hem over onze zaken vertellen, Hem
om iets vragen? Wat een gebrek aan inzicht als we dit niet met geloof zouden
doen! Hoe gemakkelijk is die eeuwenoude gewoonte te begrijpen van «de
dagelijkse bezoeken aan de goddelijke tabernakels.»6 De Meester blijft daar alle eeuwen door
op ons wachten7 en
wij kunnen met Hem samen zijn zoals Maria, de zus van Lazarus -degene die het
betere deel koos8-
in dat huis van Betanië.
De H. Jozefmaria Escrivá zegt: «Ik moet u zeggen dat het
tabernakel voor mij altijd een plaats is geweest zoals Betanië: een rustige en
vreedzame plaats waar Christus is, waar wij Hem kunnen vertellen over onze
beslommeringen, ons lijden, onze hoop en onze vreugde, even eenvoudig en
natuurlijk als zijn vrienden Martha, Maria en Lazarus daarover spraken. Wanneer
ik door de straten van een stad of dorp loop, ben ik dan ook blij als ik, zelfs
van ver, het silhouet van een kerk zie. Daar is wéér een tabernakel, wéér een
gelegenheid om de ziel te laten uitvliegen, die door een akte van verlangen
gaat vertoeven aan de zijde van de Heer in het heilige Sacrament.»9 Jezus wacht op
ons bezoek. Het is als het ware een tegenbezoek van zijn bezoek aan ons in de
communie, en het is «een bewijs van dankbaarheid, een uitdrukking van liefde,
een erkenning van de aanwezigheid van de Heer.»10 Het is een voortzetting van onze
dankzegging na de vorige communie en een voorbereiding voor de volgende.
Als we ons voor het tabernakel bevinden, kunnen wij inderdaad
in alle waarheid en preciserend zeggen: God is hier! En in de aanwezigheid van
dit geloofsmysterie is er geen plaats voor enige andere houding dan die van
aanbidding -Adoro te devote... Devoot aanbid ik U, verborgen God; van
respect en verbazing; en tegelijkertijd, van onbeperkt vertrouwen. «Telkens
wanneer zij bij Christus onze Heer verblijven, genieten de gelovigen van zijn
intieme vriendschap en storten hun harten voor Hem uit ten gunste van zichzelf
en hun dierbaren, en bidden voor de vrede en het heil van de wereld. Zij dragen
heel hun leven met Christus op aan de Vader in de Heilige Geest, en ontvangen
in deze wonderbare uitwisseling een vermeerdering van geloof, hoop en liefde.
Zo koesteren zij die goede gezindheid, die hen in staat stelt om met alle
passende devotie de gedachtenis van de Heer te vieren en veelvuldig het ons
door de Vader gegeven brood te ontvangen.» 11
5.3 «Je bent begonnen met je dagelijks bezoek...
het verbaast me niet dat je zegt: Ik begin erg van het godslampje bij het
tabernakel te houden.»12
Het bezoek aan het Allerheiligste is een oefening van
vroomheid, die maar een paar minuten in beslag neemt; toch, wat een hoop genade
en wat een sterkte en vrede geeft onze Heer ons erdoor. We ontdekken daar, dat
ons bewustzijn van de tegenwoordigheid van God gedurende de dag wordt verbeterd
en we verzamelen nieuwe krachten om over de moeilijkheden van de dag heen te
stappen. Ons verlangen om beter te werken, wordt daar aangewakkerd en we
krijgen een grote hoeveelheid vrede en vreugde om naar ons gezin mee te nemen.
Onze Heer, die altijd grootmoedig betaalt, is dankbaar voor het feit dat wij
Hem zijn komen bezoeken. «Hij vergeldt zo overdadig, dat je niet hoeft te
vrezen. Zelfs een eenvoudige blik, op Hem gericht, zal Hij niet onbeloond
laten.»13
Bij het bezoek aan het heilige Sacrament gaan wij Jezus voor
een paar minuten gezelschap houden. Het zou kunnen zijn, dat op een bepaalde
dag niet veel mensen Hem hebben bezocht, hoewel Hij hen toch verwachtte. Daarom
is Hij des te blijer ons daar te zien. We verrichten enkele van de
gebruikelijke gebeden en we doen ook een geestelijke communie. We vragen Hem om
hulp -zowel geestelijke als materiële; we vertellen Hem, waar we ons zorgen
over maken en waar we blij om zijn. We zeggen Hem dat Hij, ondanks onze
kleinheid, op ons kan rekenen voor de herevangelisatie van de wereld en we
zeggen wellicht tegen Hem, dat we een vriend dicht bij Hem willen brengen. «Wat
zullen we doen, vraag je je soms af, in de tegenwoordigheid van Jezus in het
heilige Sacrament? Houd van Hem, prijs Hem, dank Hem en vraag Hem wat je op het
hart ligt. Wat doet iemand die dorst heeft, als hij een zuivere heldere bron
ziet?» 14
Als we de kerk na deze ogenblikken van gebed verlaten, zullen
wij een grotere vrede in ons hebben, een vast voornemen anderen te helpen, een
vurig verlangen de communie te ontvangen, omdat de eucharistie de enige manier
is om die innige eenheid met Jezus te verwerkelijken. Het zal ons afdoende
helpen de tegenwoordigheid van God in de loop van ons werk en onze dagelijkse
bezigheden te laten toenemen. Het maakt het ons gemakkelijk om een relatie van
vriendschap en vertrouwen gedurende de dag met Hem te onderhouden.
De eerste christenen waren met deze vrome gewoonte al
begonnen vanaf het ogenblik dat zij kerken hadden en er het heilige Sacrament
bewaarden. De heilige Johannes Chrysostomus gaf het volgende commentaar op deze
passage van de Heilige Schrift: «Jezus ging de tempel binnen. Dit paste een
goede Zoon: onmiddellijk binnengaan in het huis van zijn Vader om Hem daar de
gepaste eer te bewijzen -precies zoals jij die Jezus behoort na te volgen.
Wanneer je een stad binnengaat, moet je eerst naar de kerk gaan.»15
In de kerk binnengekomen kunnen we gemakkelijk ontdekken waar
het tabernakel is -de eerste plaats waarop we onze aandacht moeten richten-
omdat «het tabernakel waarin de allerheiligste eucharistie bewaard wordt, in de
kerk of kapel op een voorname plaats, die zichtbaar is, smaakvol versierd en
geschikt voor gebed dient te staan.»16 De aanwezigheid van het Allerheiligste zal daar worden
aangeduid door een kleine lamp, die, als teken van eerbied voor onze Heer, er
voortdurend bij zal branden.
Als we ons gebed beëindigen, vragen wij onze Moeder Maria ons
te leren hoe van Jezus, die werkelijk in het tabernakel aanwezig is, te houden
zoals zij van Hem hield al die jaren van zijn leven in Nazareth.
-1. Vgl. Lc 32,35-48. -2. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 302. -3. Vgl.
Joh 21,7. -4. Vgl. Concilie van
Trente, Canon 4 over de eucharistie, Dz 886. -5. Johannes Paulus ii, Toespraak,
31 oktober 1982. -6. Pius xii, Mediator
Dei, 20 november 1947. -7. Vgl. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 537. -8. Vgl. Lc 10,42. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus
nu langs komt, 154. -10. Paulus vi,
Mysterium Fidei, 3 september 1965. -11. Vgl. Instr.
Eucharisticum Mysterium, 50. -12. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 688. -13. H. Theresia van Avila, De weg der volmaaktheid, 23,3.
-14. H. Alfonsus van Liguori, Bezoeken
aan het Allerheiligste, 1. -15. H.
Johannes Chrysostomus, in Catena Aurea, III. -16. Wetboek van
Canoniek Recht, 938 §3; Vgl Instr. Eucharisticum Mysterium, 53-57.
|