Twaalfde zondag door het jaar (B)
38. Onverstoorbaarheid BIJ moeiljkheden
-De storm op het meer. God zal ons nooit in de steek laten.
-We moeten bereid zijn onbegrip te ontmoeten, als apostelen van Christus. De leerling staat niet boven zijn meester. -Onze houding
tegenover moeilijkheden.
38.1 Volgens de evangelies is het
twee keer gebeurd, dat de apostelen op het meer van Genesaret in een storm
terecht kwamen, toen zij op bevel van de Heer naar de andere oever van het meer
voeren. In het evangelie1 van de mis van vandaag
vertelt Marcus, dat Jezus bij hen in de boot was. Hij benutte de tijd om uit te
rusten na een zware dag van prediking. Hij lag aan de achtersteven op een
kussen te slapen, waarschijnlijk een eenvoudige, ruw leren zak, opgevuld met
wol, zoals de zeelieden toentertijd in hun boten gebruikten. Hoe zullen de
engelen in de hemel naar hun Koning en Heer gekeken hebben terwijl Hij weer op
krachten probeerde te komen, liggend op het harde houten dek! Hij die het
heelal bestuurt, ligt daar uitgestrekt en uitgeput!
Intussen begonnen zijn leerlingen -vele van hen waren zeelieden-
de eerste tekenen van de naderende storm te voelen. Snel werden ze door de
storm overvallen, een enorm krachtige storm...: de golven
sloegen over de boot, zodat hij al vol liep. Ze deden wat ze konden, maar
de golven werden hoger en hoger, en ze dreigden te vergaan. Dan, als laatste
toevlucht, richten ze zich tot Jezus. Ze maken Hem wakker met een angstkreet. Meester, raakt het U niet dat we vergaan?
De vaardigheden van deze geharde zeelieden en vissers waren
niet voldoende. De Heer moest ingrijpen. Hij stond op,
richtte zich met dwingend woord tot de wind, en sprak tot het water: Zwijg
stil. De wind ging liggen en het werd volmaakt stil. Vrede kwam er ook
in de harten van deze angstige mannen.
Soms steekt er een storm op, om ons heen of in ons. Het lijkt
dan of ons broze vaartuig het niet meer kan uithouden. Af en toe hebben we de
indruk dat God ons aan ons noodlot overlaat. De golven slaan over ons heen:
persoonlijke zwakheid, moeilijkheden in het beroep of financiële problemen die
ons boven het hoofd groeien, ziekte, problemen met de kinderen of met de
ouders, laster, een vijandige omgeving, roddel... Maar «als u in Gods
tegenwoordigheid leeft, zal hoog boven de overdonderende storm altijd de zon
over u schijnen; en diep onder de bulderende en verwoestende golven, zullen
vrede en rust in uw ziel heersen.»2
God zal ons nooit in de steek laten. We moeten naar Hem toe
gaan, alle menselijke middelen aanwenden die nodig zijn, en te allen tijde tot
Jezus zeggen, met het vertrouwen van iemand die Hem als zijn meester erkent en
Hem onvoorwaardelijk wil volgen: Heer, verlaat mij niet! En samen met Hem
zullen we deze beproevingen tegemoet treden en overwinnen. Ze zullen niet
langer bitter zijn, en we zullen niet door de stormwind ontsteld raken.
38.2 Jezus
stond op, richtte zich met dwingend woord tot de wind, en sprak tot het water:
'Zwijg, stil'. Dit indrukwekkende wonder maakte een onvergetelijke
indruk op de apostelen. Het versterkte hun geloof en bereidde hen voor op
hardere, meer eisende beproevingen die hen nog te wachten stonden. Het zien van
een volledig kalme zee, bedaard door het woord van Christus, zo vlak na die
enorme golven, bleef in hun harten gegrift. Jaren later zou de herinnering aan
dit voorval -tijdens het gebed-vrede in hun hart brengen, onder alle
beproevingen waarvoor de Heer hen had gewaarschuwd.
Bij een andere gelegenheid, op weg naar Jeruzalem, vertelde
Jezus hun, dat hetgeen de profeten voorspeld hadden over de Mensenzoon, spoedig
in vervulling zou gaan. Hij zal aan de heidenen worden
overgeleverd en bespot, mishandeld en bespuwd worden. Zij zullen Hem geselen en
ter dood brengen, maar op de derde dag zal Hij verrijzen.3 Tegelijkertijd waarschuwt Hij hen, dat ook hen
moeilijke tijden van vervolging en laster wachten: de leerling
staat niet boven zijn meester en de dienaar niet boven zijn heer [...]. Als men
het hoofd van het huisgezin al Belzebub durft noemen, hoeveel te meer dan zijn
huisgenoten?4
Jezus wilde die eerste leerlingen, en ook ons, ervan
overtuigen dat er geen compromis mogelijk is tussen Hem en zijn leer enerzijds,
en de wereld als koninkrijk van de zonde anderzijds.5
Hij herinnerde hen eraan niet verwonderd te zijn als zij op deze manier
behandeld zouden worden: Als de wereld u haat, bedenkt dan
dat zij Mij eerder heeft gehaat dan u.6
Daarom klinkt, zoals de heilige Gregorius verklaart, «de vijandigheid van de
bozen als een lofprijzing van onze levenswijze, omdat zij aantoont dat er, inzoverre
wij degenen die niet van God houden ergeren, tenminste enige rechtschapenheid
in ons is. Niemand kan God en de vijanden van God tegelijkertijd behagen.»7 Dus, als we trouw zijn, zullen wind en storm
opsteken. Maar Jezus zal andermaal tot de storm zeggen: Zwijg stil.
Heel in het begin van de Kerk oogstten de apostelen overvloedig
vruchten van hun werk. Maar tegelijkertijd leden ze onder bedreigingen,
beledigingen, vervolging.8 Ze waren er echter
niet bezorgd over, of de stemming jegens hen goedgunstig dan wel vijandig was.
Ze waren erop gericht Christus aan allen bekend te maken, en de vruchten van
onze verlossing tot in de verste uithoek van de wereld te brengen. Ze
verkondigden de leer van Christus, die zuiver menselijk gesproken voor sommigen
een ergernis en voor anderen een dwaasheid leek.9
Deze leer drong door tot in alle streken, en veranderde de mensen en hun
gewoonten.
Vele van de omstandigheden waarin de apostelen moesten werken
zijn veranderd, maar andere zijn hetzelfde gebleven of nog moeilijker geworden.
Materialisme, de buitensporige hang naar comfort en welvaart, zinnelijkheid en
onwetendheid veroorzaken opnieuw op veel plaatsen hevige wind en stormachtige
zee. En we kunnen hieraan toevoegen de bekoring van veel mensen om de leer van
Christus aan te passen aan de tijdgeest, waardoor het wezen van de evangelische
boodschap ernstig wordt vervormd.
Als we apostelen willen zijn temidden van de wereld moeten we
er rekening mee houden, dat enkelen -soms onze man, onze vrouw, onze ouders, of
een oude vriend- ons niet zullen begrijpen. We zullen moed moeten vatten, omdat
het niet gemakkelijk is tegen de stroom op te roeien. We zullen onverstoorbaar
en krachtig te werk moeten gaan. We mogen ons niet laten afschrikken of
beïnvloeden door de houding van degenen, die in veel opzichten zich zo vereenzelvigd
hebben met de gewoonten van het nieuwe heidendom, dat ze niet in staat lijken
nog langer de transcendente, bovennatuurlijke betekenis van het leven te
begrijpen.
Onze intimiteit met de Heer zal ons rust en kracht geven, en
we zullen een sterke rots voor velen zijn. We mogen nooit vergeten dat, met
name tegenwoordig, «de Heer sterke en moedige zielen nodig heeft, die geen
compromis sluiten met de middelmatigheid, en met vaste tred alle milieus
binnentreden»10: in ouderverenigingen, in
beroepsorganen, in universiteiten, in vakbonden, in informele gesprekken voor
of na een vergadering...
Als concreet voorbeeld kan men de invloed van de gezinnen
noemen, die bijzonder belangrijk is in het maatschappelijke en openbare leven.
«Ze zouden de eersten moeten zijn die erop toezien, dat de wetten... niet
alleen de rechten en plichten van het gezin niet schenden, maar deze werkelijk
steunen en op positieve wijze verdedigen, en zodoende een echte
'gezinspolitiek' bevorderen (vgl. Familiaris consortio, 44). In dit opzicht is
het van wezenlijk belang, op hernieuwde en volledige wijze de kerkelijke leer
over het gezin te verbreiden; het geweten en de sociale en politieke
verantwoordelijkheid van de christelijke gezinnen wakker te schudden; en
verenigingen op te richten -of reeds bestaande te versterken- voor het welzijn
van het gezin.»11
We kunnen niet werkloos blijven toezien, terwijl de vijanden
van God alle sporen van de eeuwige bestemming van de mens trachten uit te
wissen.
38.3 «'De drie begeerten (vgl. 1
Joh 2,16) zijn als drie reusachtige krachten die een verschrikkelijke razernij
hebben veroorzaakt van wellust, van een voor een geschapen wezen verwaande
trots op eigen krachten, en van een verlangen naar rijkdom' (H. Jozefmaria
Escrivá, Brief 14 februari 1974,10)... En zonder pessimisme of
minderwaardigheidsgevoelens, kunnen we zien dat... deze krachten een nog nooit
eerder vertoonde ontwikkeling en een monsterachtige agressiviteit bereikt
hebben, zo zeer zelfs dat 'een hele beschaving wankelt, machteloos en zonder
morele reserves' (ibidem).»12 We kunnen niet
passief blijven in zo'n situatie. Want de liefde van Christus
laat ons geen rust, zegt ons de heilige Paulus in de tweede lezing van
de mis.13 Naastenliefde en de echte nood van
zovele schepsels dwingen ons tot een onvermoeibare apostolische inzet in alle
milieus. Iedereen moet in zijn eigen omgeving beginnen, ondanks het onbegrip
dat we ontmoeten van degenen die dit niet kunnen of wensen te verstaan.
«Gaat daarom voort... in nomine Domini,
blij en zeker, in de naam van de Heer. Zonder pessimisme! Als er moeilijkheden
komen, zal de genade van God nog overvloediger zijn. Als er meer moeilijkheden
komen, zal er nog meer genade van God uit de hemel neerdalen. Als er veel
moeilijkheden zijn, zal er veel genade van God komen. De goddelijke hulp is
altijd evenredig aan de hindernissen waarmee de wereld en de duivel het
apostolisch werk bestrijden. En zo zou ik zelfs durven beweren, dat het in
zekere zin zelfs goed is dat er moeilijkheden zijn, omdat we dan meer hulp van
God zullen ontvangen. Waar de zonde heeft gewoekerd, werd
de genade mateloos (Rom 5,20).»14
We kunnen deze gelegenheden benutten om onze mening te
zuiveren, ons meer te verenigen met de Meester en ons geloof te versterken.
Onze houding moet er altijd een zijn van vergeven en kalm blijven, omdat de
Heer dichtbij ieder van ons is. «Christen, Christus slaapt in je boot»,
herinnert ons de heilige Augustinus, «wek Hem, en Hij zal de storm bedwingen en
de vrede zal hersteld worden.»15 Alles is voor
ons welzijn en voor het welzijn van onze ziel. Het is voldoende dat we in zijn
gezelschap zijn, om ons veilig te voelen. Onrust, angst en lafheid komen
opzetten als ons gebed verzwakt. Hij weet zeer wel alles wat er met ons
gebeurt. En als het nodig is, zal Hij de wind en de zee bedwingen, en het zal
volmaakt stil worden, en zijn vrede zal ons vervullen. En ook wij zullen, net
zoals de apostelen, diep onder de indruk raken.
De heilige Maagd laat ons geen moment in de steek. «Als de
storm van de bekoring opsteekt», zei de heilige Bernardus, «kijk dan naar de
ster, roep Maria aan... Met haar als gids zul je niet op een dwaalspoor raken;
terwijl je haar aanroept, zul je nooit wanhopen; zolang zij in je gedachten is,
ben je veilig voor misleiding. Als zij je hand vasthoudt, kun je niet vallen;
onder haar bescherming hoef je niets te vrezen; als zij voor je uitloopt, zul
je niet vermoeid raken; als zij je goedgunstig is, zul je het doel bereiken.»16
-1. Mc 4,35-41. -2. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 343. -3. Lc 18,32-33. -4. Mt 10,24-25.
-5. The Navarre Bible, noot bij Joh
15,18-19. -6. Joh 15,18. -7. H. Gregorius de Grote, Homiliën
over Ezechiël 9. -8. Hnd 1,41-42. -9. Vgl. 1 Kor 1,23. -10. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 416. -11. Spaanse bisschoppenconferentie,
Past. instr., De katholieken in het openbare leven,
22 april 1986, 162. -12. A. del Portillo, Brief, 25 december 1985, 4. -13. 2 Kor
5,14-17. -14. A. del Portillo, Brief,
31 mei 1987, 22. -15. H. Augustinus, Sermo
361,7. -16. H. Bernardus, Homilieën
over de heilige Maagd, 2.
|