11 februari. Gedachtenis
17. ONZE LIEVE VROUW VAN LOURDES
In het jaar 1858 verscheen de onbevlekte
Maagd Maria achttien maal aan het meisje Bernadette Soubirous in een grot nabij
Lourdes. De eerste verschijning had plaats op 11 februari. Door middel van dit
meisje roept Maria de zondaars op tot bekering en tot een grotere geest van
gebed en liefde, met name jegens de meest behoeftigen. Zij beveelt het bidden
van de heilige Rozenkrans aan, een gebed waarmee wij onze toevlucht nemen tot
onze Moeder als kleine en arme kinderen. Leo xiii
bekrachtigde dit feest en Pius x breidde het uit tot geheel de Kerk. Bernadette werd door Pius xi in 1925
zalig en heilig verklaard.
-De verschijningen in
de grot. Maria,
heil van de zieken-De zin van ziekte en lijden.
-Het lijden heiligen. Onze toevlucht nemen tot Onze Lieve Vrouw.
17.1 Vier
jaar na de afkondiging van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis, verscheen
de heilige Maagd aan een meisje van veertien
jaar, Bernadette Soubirous, in een grot in de buurt van Lourdes. Maria
was van zulk een schoonheid, dat men haar onmogelijk kon beschrijven, zo vertelt de heilige.1
Toen jaren later de beeldhouwer van de grot aan Bernadette vroeg of zijn
werk, dat de Maagd uitbeeldde, op de verschijning leek, antwoordde zij geheel onbevangen en eenvoudig: «O nee, mijnheer, op geen
enkele manier! Het lijkt er helemaal
niet op!» Maria is altijd veel schoner. De verschijningen herhaalden zich
zeventien dagen lang. Het meisje vroeg de Dame naar haar naam, en deze
«glimlachte zoet». Ten slotte openbaarde Onze Lieve Vrouw haar, dat zij de
Onbevlekte Ontvangenis was.
In Lourdes zijn vele wonderen geschied, zowel
naar lichaam als nog meer naar de ziel. Ontelbaar is het aantal genezingen geweest, en nog talrijker zijn degenen
die gezond zijn teruggekeerd van de verschillende ziekten waaraan ook de ziel kan lijden: zij hebben het geloof
teruggekregen, hun vroomheid is versterkt of zij aanvaarden liefdevol de
goddelijke wil.
De eerste lezing van de heilige mis2 geeft ons de woorden van de profeet Jesaja in
overweging: hij troostte het uitverkoren volk in de woestijn met de terugkeer
naar de heilige stad, waar zij de vertroosting zouden vinden, zoals een kindje
die vindt bij zijn moeder. Als een
rivier leid Ik de vrede naar haar toe, en als een onstuimige stroom de schatten
der volken. Gij zult gezoogd worden, gedragen op de arm, vertroeteld op de
schoot. Zoals een moeder haar kind troost, zo zal Ik u troosten...
Als wij het feest van vandaag overwegen, dan
zien wij hoe de Heer in handen van zijn Moeder
alle ware rijkdommen heeft willen leggen die wij, mensen, moeten afsmeken,
en Hij heeft voor ons in haar de troost gelegd die wij hard nodig hebben. Die
achttien verschijningen aan de kleine Bernadette zijn een oproep die ons
herinnert aan Gods barmhartigheid, die zich via de heilige Maria voltrekt.
De Maagd toont zich altijd het heil van de zieken en de troosteres van de
bedroefden. In ons gebed nemen
wij vandaag tot haar onze toevlucht, want talrijk zijn de noden die wij
om ons heen hebben. Zij kent ze zeer goed, zij luistert naar ons, waar wij ons
bevinden, en zij wil, dat wij haar
bescherming zoeken. Dit vervult ons van vreugde en troost, met name op
deze feestdag. Wij nemen onze toevlucht tot Onze Lieve Vrouw als kinderen die
zich niet van haar willen verwijderen: «Moeder, mijn Moeder...», zeggen we tot
haar in de intimiteit van ons gebed, en wij bidden haar om haar hulp in alle
zorgen die ons bedrukken: het apostolaat, ons eigen innerlijk leven, degenen
voor wie wij moeten zorgen en over wie de Heer ons rekenschap zal vragen.
17.2 De heilige Maagd wilde in die grot ook herinneren aan de noodzaak tot
bekering en boetedoening. Onze Moeder wilde doen uitkomen, dat de mensheid
verlost werd op het kruis, en de verlossende waarde, ook nu nog, van pijn,
lijden en vrijwillige versterving benadrukken.
Wat door de
mensen, vanuit louter menselijk gezichtspunt, als een groot kwaad wordt
beschouwd, kan een groot goed zijn vanuit christelijk
oogpunt gezien: ziekte, armoede, pijn, mislukking, smaad, gebrek aan werk... Op
momenten die menselijk gezien erg moeilijk zijn, kunnen wij met de hulp van de
genade ontdekken, dat zulk een toestand van zwakte een grote weg naar een oprechte nederigheid
is, als wij ons behoeftig en bijzonder van God afhankelijk voelen. Ziekte of
welk ander onheil ook kan ons zeer
helpen een beetje los te komen van de aardse zaken, waarin wij,
bijna onbewust, wellicht te zeer zijn verstrikt. We voelen dan de noodzaak naar
de hemel op te zien en de
bovennatuurlijke hoop te versterken, wanneer we vaststellen hoe
zwak de menselijke hoop is.
Ziekte helpt ons meer op God te vertrouwen,
die ons nooit boven onze krachten beproeft3 en onze zekerheid op Hem te stellen, op het
goddelijk kindschap, op onze volledige overgave in zijn sterke vaderlijke
armen. Hij kent onze krachten zeer wel en
zal nooit meer van ons vragen dan wij kunnen geven. Ziekte of elk ander
onheil is een goede gelegenheid om de raad van sint Augustinus in praktijk te brengen: alles doen wat men kan en bidden om
wat men niet kan4, want Hij zendt ons
geen onmogelijke dingen.
Een groot bewijs
van onze liefde kunnen we leveren door de ziekte, en zelfs de dood, te
aanvaarden, door ons leven te geven als gave en offer omwille van Christus,
voor het heil van heel zijn Mystieke Lichaam, de Kerk.
Onze pijn en smarten verliezen hun
bitterheid, wanneer zij zich ten hemel verheffen. 'Poenae sunt pennae'
-pijnen zijn vleugels- zo luidt een aloude Latijnse zegswijze. Een ziekte kan soms vleugels zijn die ons tot God doen
opstijgen. Hoe verschillend is een ziekte die in geloof en nederigheid gedragen wordt en die van harte Gods wil
aanvaardt, van een ziekte die men daarentegen in een kortzichtig geloof, met
boosheid, wrok of droefheid aanvaardt!
17.3 En de Moeder van Jezus was daar
aanwezig.5 Met
vreugde zien we hoe mensen van allerlei slag en stand naar de heiligdommen van
Maria komen en daar voor de voeten van Onze Lieve Vrouw neerknielen. Wellicht
zouden zij niet gekomen zijn, als zij niet de zwakheid, het lijden of de
nooddruft -van henzelf of van anderen- ondervonden hadden.
Verwijzend naar
het feest dat wij vandaag vieren, vroeg paus Johannes
Paulus ii zich af waarom toch zo
verschillende mensen naar de grot toestromen, waar de verschijningen plaatshadden, en hij antwoordde: «Omdat zij weten
dat daar, zoals in Kana, 'de Moeder van Jezus aanwezig is': en waar zij is, moet ook haar Zoon zijn. Dat is de zekerheid
die de menigte beweegt die telkenjare in Lourdes komt op zoek naar verlichting,
troost, hoop [...].
»Een wonderbaarlijke genezing is echter,
ondanks alles, een uitzonderlijke gebeurtenis. De heilbrengende kracht van
Christus, verkregen op voorspraak van zijn Moeder, openbaart zich in Lourdes
vooral in de geestelijke sfeer. Maria laat in het hart van de zieken de stem
van haar Zoon klinken die op wondere wijze de verlamming van bitterheid en
opstandigheid geneest, en geeft aan de ziel de ogen terug om met een nieuw
licht de wereld, de anderen, het eigen lot te zien.»6
De Heer, tot wie zijn Moeder ons altijd leidt,
beminde de zieken. Sint Petrus voegde zijn leven in deze paar woorden samen: Jezus van Nazaret [...] ging weldoende
rond en genas allen...7 De
evangelies overwegen telkens opnieuw de
barmhartigheid van de Meester jegens hen die naar ziel of lichaam
lijden. Een groot deel van zijn taak hier op aarde wijdde Hij aan de genezing
van de zieken en het troosten van de bedroefden. «Hij was begaan met elk
menselijk lijden, zowel naar lichaam als naar geest.»8
Hij lijdt met ons mee en verwacht van onze kant, dat wij alle middelen die
binnen ons bereik liggen, aanwenden om die ziekte of beklemming te boven te
komen; en Hij zal ons nooit beproeven boven onze krachten. Op ieder ogenblik
zal Hij ons de nodige genade schenken, opdat wij door die smartelijke
omstandigheden niet van Hem verwijderd worden; integendeel, zij dienen ons meer
en meer tot Hem te brengen en ons te helpen om andere mensen te brengen tot
geestelijke verbetering van hun leven. Wij mogen om genezing bidden of om
oplossing van de moeilijkheden die ons bedrukken, maar vóór alles moeten wij
bidden, dat wij de genade volgen, opdat wij in deze omstandigheden -in déze en
geen andere- kunnen groeien in geloof, hoop en liefde.
Pijn en lijden
kunnen verlicht worden, als we er niet overmatig aan denken, als we ze in Gods
handen hebben gelegd; ook moeten we niet te veel denken aan de toekomstige
gevolgen van de kwalen die we lijden, want we hebben nog niet de genade om ze
te verdragen... en misschien komen ze wel niet. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen
leed.9 Laten we niet vergeten dat
«wij allen geroepen zijn tot lijden, maar
niet allen in dezelfde mate of op dezelfde wijze; een ieder moet in dezen zijn
roeping volgen en deze edelmoedig beantwoorden. Het lijden, dat vanuit
menselijk gezichtspunt zo onaangenaam is, wordt tot bron van heiliging en
apostolaat, wanneer wij het met liefde en in vereniging met Jezus aanvaarden...»10, door met Hem mee te verlossen, door ons kinderen
van God te voelen, met name in die omstandigheden.
Laten we in alles onze toevlucht nemen tot
Maria. Zij zal ons altijd aanhoren en voor
ons verkrijgen wat wij vragen, of zij zal grotere en overvloediger
genade verkrijgen, opdat wij «uit het kwade het goede halen; en uit groot
kwaad, groot goed.» En welke onze situatie ook is, altijd zullen wij haar
troost ervaren. Consolatrix
afflictorum, Salus infirmorum, Auxilium
christianorum..., ora pro eis..., ora pro me. Kom onze zwakheid te hulp, God
van barmhartigheid, en maak dat wij, die vandaag de Onbevlekte Moeder van uw
Zoon gedenken, door haar voorspraak bevrijd worden van onze schulden.11
-1.
Getijdenboek, tweede lezing, Brief van
de H. Bernadette Soubirous aan pater Gondrand, jaar 1861. -2. Jes 66,10-14. -3. Vgl. 1 Kor 10,13. -4. Vgl. H. Augustinus, Tractaat over de natuur en de genade, 43,5. -5. Vgl. Joh 2,1.
-6. Johannes
Paulus ii, Homilie
11-II-1980. -7. Hnd 10,38. -8. Johannes Paulus ii, Apost. brief Salvifici doloris, 11-II-1984,
16. -9. Mt. 6,34.
-10. A. Tanquerey, La divinización del sufrimiento,
Rialp, Madrid 1955, bl. 240. -11. Getijdenboek,
slotgebed van het morgengebed.