15 september. Gedachtenis
25. ONZE LIEVE VROUW VAN SMARTEN
Het feest van vandaag, meteen na de kruisverheffing,
herinnert ons aan de bijzondere band en deelneming van Maria aan het offer van
haar Zoon op Calvarië. De christelijke godsvrucht heeft vanaf het begin de
verhalen overwogen die de evangelies ons hebben overgeleverd over de
aanwezigheid van Onze Lieve Vrouw bij het kruis. In de veertiende eeuw
verschijnt reeds de Sequentie van de mis 'Stabat Mater Dolorosa'. Paus Pius vii
verbreidde in 1814 deze devotie over heel de Kerk en in 1912 bepaalde de
heilige Pius x het feest op deze dag, 15 september, in het octaaf van
Maria Geboorte. Onze Lieve Vrouw leert ons vandaag de dag de waarde van
medeverlossing die onze smarten en lijden kunnen hebben.
-De smart van Maria verenigt zich met die van Jezus.
-Medeverlossing van Onze Lieve Vrouw. -Onze smarten en ons lijden heiligen.
Onze toevlucht zoeken tot de heilige Maria, Troosteres der bedroefden.
25.1 Laat
mij, Moeder, bron van liefde, / voelen het leed dat u doorgriefde, / dat ik met
u medeween. / Doe mijn hart voor Jezus branden, / vlecht gijzelf de
liefdesbanden, / dat ik God behaag alleen.1
De Heer heeft zijn Moeder bij het verlossingswerk willen betrekken
en haar deelgenote gemaakt van zijn hoogste smart. Wanneer de Kerk vandaag dit
medeverlossend lijden van Maria viert, nodigt zij ons uit om voor het eigen en
andermans heil de duizend en een, bijna altijd geringe, smarten van het leven
en de vrijwillige verstervingen aan te bieden. Maria, verbonden met het
heilswerk van Jezus, heeft niet alleen geleden als een goede moeder die haar
Zoon aanschouwt in het hevigste lijden, tot in de dood toe. Haar smart is van
hetzelfde karakter als die van Jezus: het is een verlossende smart. Het lijden
van Maria, de dienstmaagd des Heren, allerreinst en
vol van genade, verheft haar handelingen zozeer dat al deze, in diepste eenheid
met haar Zoon, een bijna oneindige waarde krijgen.
Wij zullen nooit volledig haar onmetelijke liefde voor Jezus,
de oorzaak van haar smarten, kunnen begrijpen. Daarom past de liturgie op de
Moeder van smarten, zoals op Jezus zelf, de woorden van de profeet Jeremia toe:
Allen die voorbij komt, zie het lijden dat ik moet dragen;
zie, wie heeft ooit zo geleden.2
De smart van Maria was nog groter door haar heiligheid bij
uitnemendheid. Haar liefde tot Jezus maakte, dat zij het lijden van haar Zoon
als haar eigen lijden onderging: «Als zij het lichaam van Jezus door slagen
verwonden, voelt Maria al die wonden; als zij zijn hoofd met doornen
doorsteken, voelt Maria zich opengescheurd door de scherpe uiteinden; als zij
Hem gal en azijn aanbieden, drinkt Maria heel de bitterheid daarvan; als zij
zijn lichaam op het kruis uitstrekken, ondergaat Maria heel dat hevige lijden.»3 Hoe meer men iemand liefheeft, des te meer treurt
men als men hem moet verliezen. «De dood van een broer doet meer verdriet dan
die van een dwaas, de dood van een kind meer dan die van een vriend. Welnu
[...], om te begrijpen hoe groot Maria's smart was bij de dood van haar Zoon,
zou men de grootheid van haar liefde tot Hem moeten kennen. En wie zou ooit
zulk een liefde kunnen meten?»4
De grootste smart van Christus, die Hem in een diepe doodsstrijd
in Getsemane stortte, die Hem als geen ander deed lijden, was de diepe kennis
van de zonde als belediging van God en van de kwaadaardigheid ervan tegenover
de heiligheid van God. En als geen enkel ander schepsel drong de Maagd door en
deelde zij in die kennis van het kwade en lelijke van de zonde, die de oorzaak
van het Lijden was. Haar hart onderging een eindeloze doodsstrijd, veroorzaakt
door de afkeer van de zonde, van onze zonden. Maria zag zich ondergedompeld in
een zee van smart. «En omdat ieder van ons in grote mate heeft bijgedragen om
de zonden te vermeerderen, zouden wij die dan niet zorgvuldig en liefdevol
willen overwegen om berouw te krijgen en zo de wonden te herstellen die we aan
het hart van Maria en aan het hart van Jezus hebben toegebracht?»5
25.2 Vanaf het begin lijkt de
Heer ons te hebben willen leren door middel van de schepselen die Hij het meest
in dit leven liefhad, Maria en Jozef, dat geluk en verlossingskracht nooit ver
verwijderd zijn van het kruis. En ofschoon heel het leven van Onze Lieve Vrouw,
samen met dat van haar Zoon, op Calvarië was gericht, is er toch een bijzonder
ogenblik, waarop haar buitengewoon duidelijk wordt geopenbaard dat zij
deelgenote zal zijn in het lijden van de Messias, haar Zoon. Maria was, in
gezelschap van Jozef, in de tempel gekomen om gereinigd te worden van een
wettelijke smet die zij niet had opgelopen en om haar Zoon aan de Allerhoogste
op te dragen. Bij dit offer van haar Zoon zag Maria een glimp van de
onmetelijke omvang van haar verlossingsoffer, zoals voorspeld was. Maar God
wilde haar bovendien de diepte van dit offer en haar eigen deelname daaraan
openbaren door een rechtschapen man, Simeon die, gedreven door de Heilige
Geest, tot Maria sprak: Zie, dit kind is bestemd tot val of
opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt, opdat de
gezindheid van vele harten openbaar moge worden; en uw eigen ziel zal door een
zwaard worden doorboord.6
De woorden die tot Maria gericht werden, kondigen duidelijk
aan, dat haar leven innig verbonden zou zijn met het werk van haar Zoon. «Wat
Simeon zegt -aldus paus Johannes Paulus ii-
blijkt 'een tweede boodschap' aan Maria te zijn, want het toont haar de
concrete historische omstandigheden waarin de Zoon zijn zending zal vervullen,
namelijk in onbegrip en leed [...]. Maar het openbaart van de andere kant ook
dat zij haar geloofsgehoorzaamheid moet beleven in lijden aan de zijde van de
lijdende Heiland en dat haar moederschap duister en smartelijk zal zijn.»7 De Heer wilde zijn Moeder de angst van een
overhaaste vlucht naar Egypte niet besparen toen zij met het Kind en Jozef
wellicht al haar intrek had genomen in een eenvoudige woning te Betlehem en
begon te genieten van een gezinsleven rond Jezus. God heeft haar niet gevrijwaard
tegen de ballingschap in een land dat haar vreemd was en waar ze weer helemaal
opnieuw moest beginnen met het beetje dat ze op die overhaaste reis hadden
kunnen meenemen... Later, toen ze weer in Nazaret gevestigd waren, kwamen de
ongerustheid en de zorgen van die dagen dat zij de twaalfjarige Jezus in Jeruzalem
zochten. Wat waren dat momenten van angst voor het hart van de Moeder! En
later, tijdens de jaren van het openbare optreden van de Heer, waren er de
geruchten en lasterpraatjes die haar ter ore zouden komen, de valstrikken van
de kant van de joden, waarvan zij zou vernemen, het onbegrip... Daarna de
berichten, het een na het andere en telkens gruwelijker, die elkaar afwisselen
in de nacht van het verraad, de kreten die de ochtend daarna zijn dood eisen,
de eenzaamheid en verlatenheid waarin zij haar Zoon ziet, de ontmoeting op weg
naar Calvarië... Wie zou ooit de onmetelijke smart kunnen begrijpen die het
hart van de allerheiligste Maagd overstroomt?... Zie daar Onze Lieve Vrouw... Zij
ziet hoe ze haar Zoon aan het kruis nagelen... En daarna de beschimpingen, de
lange doodsstrijd van een gekruisigde... O hoe droef, hoe
vol van rouwe, was de zegenrijkste vrouwe, moeder van de enige Zoon! / Hoe leed
zij, de diepbedroefde, tere Moeder, wijl ze toefde bij die Zoon, aan het kruis
ten toon. / Wie toch die niet wenen zoude, zo hij het bitter leed aanschouwde
dat Maria's hart verscheurt! / Wie, die zonder medelijden Christus' Moeder zou
zien lijden, daar zij met haar Zoon zo treurt!»8
Wanneer wij overwegen, dat onze zonden niet vreemd zijn aan
deze smart van Maria, maar er een actief deel van uitmaken, dan bidden wij haar
vandaag, dat zij ons helpt haar smart te delen, om een diepe afkeer van elke
zonde te koesteren, om edelmoediger te zijn in het eerherstel voor onze zonden
en voor de zonden die elke dag overal ter wereld worden begaan.
25.3 Het feest van vandaag nodigt
ons uit lijden en tegenslag in het leven te aanvaarden om ons hart te zuiveren
en medeverlossers met Christus te zijn. De Maagd leert ons dat we ons niet
moeten beklagen over het kwaad, want dat heeft zij nooit gedaan; zij moedigt
ons aan het te verenigen met het reddende kruis van haar Zoon en het te
veranderen in iets dat goed is voor het eigen gezin, voor de Kerk, voor heel de
mensheid.
Het lijden dat wij moeten heiligen zal vaak bestaan in de kleine
tegenslagen van elke dag: wachten dat uitloopt, veranderingen van plannen,
projecten die niet verwezenlijkt worden... Andere keren zal het zich voordoen
in de vorm van armoede, zelfs gebrek aan het noodzakelijke, misschien gebrek
aan werk waarmee men het gezin kan onderhouden. Deze armoede zal een krachtig
middel zijn om ons meer met Christus te verenigen, om Hem na te volgen in zijn
absolute onthechting van de dingen, zelfs de noodzakelijke. We zullen naar de
Maagd kijken die haar Zoon aanschouwt, die zelfs ontdaan was van de lijfrok die
zij goed kende omdat ze hem eigenhandig had geweven. En we zullen troost en
kracht vinden om in vrede en gemoedsrust verder te gaan.
Ook kan ons ziekte treffen; dan zullen we om de genade bidden
die als een schat te zien, als een liefkozing van God, en om dank te zeggen
voor de tijd dat we wellicht niet helemaal de gave van een goede gezondheid
wisten te waarderen. Ziekte, in welke vorm ook, ook de psychische, kan de
toetssteen zijn die toont hoe sterk onze liefde voor de Heer en ons vertrouwen
in Hem zijn. Terwijl we ziek zijn, kunnen we sneller groeien in de deugden,
vooral de goddelijke: in het geloof, want we leren ook in die toestand de
vooruitziende hand te zien van God onze Vader; in de hoop, want wij zijn altijd
in zijn handen, maar vooral wanneer we in zwakkere en behoeftiger
omstandigheden verkeren; in de liefde, door het lijden als offer aan te bieden
en door voorbeeldig te zijn in de vreugde waarmee we deze toestand, die God
voor ons heil wil of toestaat, beminnen.
Dikwijls is het moeilijkste van de ziekte de vorm waarin zij
zich aandient: «de ongebruikelijk lange duur, de onmacht waarin ze ons brengt,
de afhankelijkheid waartoe ze ons dwingt, het onbehagen dat voortkomt uit
eenzaamheid, de onmogelijkheid de gewone plichten te vervullen, en voor een
priester bijvoorbeeld de onmogelijkheid zijn apostolaatswerk voor te zetten;
voor een religieus om de regel te volgen; voor een moeder in het gezin om voor
de kinderen te zorgen. Al deze situaties zijn hard en benauwend voor onze
natuur. Ondanks alles en na alle middelen te hebben aangewend die het verstand
aanraadt om weer gezond te worden, moeten we met de heiligen herhalen: 'O, mijn
God! Ik aanvaard al deze vormen: wat Gij wilt, wanneer Gij wilt en hoe Gij
wilt'.»9 We bidden Hem om meer liefde en zeggen
Hem langzaam en in volledige overgave: «Wilt U het, Heer?... Dan wil ik het ook»10, zoals wij zo vaak en in zo verschillende
omstandigheden tot Hem gezegd hebben.
Wanneer we voelen dat de last te zwaar voor onze geringe
krachten wordt, dan moeten we een beroep doen op de heilige Maria en haar om
hulp en troost vragen, «want zij blijft de liefdevolle troosteres van alle
fysieke en morele smarten die de mensheid bedroeven en kwellen. Zij kent onze
smarten en pijnen heel goed, want ook zij heeft geleden, van Betlehem tot
Calvarïe toe: uw ziel zal door een zwaard worden doorboord.
Maria is onze geestelijke Moeder, en een moeder begrijpt haar kinderen altijd
en troost hen in hun noden.
«Van de andere kant heeft zij van Jezus aan het kruis de specifieke
opdracht gekregen ons lief te hebben, ons uitsluitend en altijd lief te hebben
om ons te redden. Maria troost ons voor alles door ons het kruisbeeld en het
paradijs te tonen [...].
«O, Moeder, Troosteres, troost ons allen, maak dat wij allen
begrijpen dat de sleutel tot het geluk in de goedheid en het trouw volgen van
uw Zoon Jezus ligt.»11 Hij weet altijd wat voor
ieder van ons de beste weg is, waarop we Hem moeten volgen.
-1. Sequentie van de mis.
Hymne Stabat Mater. (Vert. Laus
Deo). -2. Klaagl 1,12. -3. A. Tanquerey, La divinización del
sufrimiento, bl. 108. -4. H. Alfonsus van
Liguori, De heerlijkheden van Maria, 2,9.
-5. A. Tanquerey, o.c.,
bl. 110. -6. Lc 2,34-35. -7. Johannes Paulus ii, Enc. Redemptoris
Mater, 25-III-1987, 16. -8. Sequentie van de mis.
Hymne Stabat Mater. (Vert. Laus
Deo).-9. A. Tanquerey, o.c.,
bl. 168. -10. Vgl. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 762. -11. Johannes Paulus ii, Homilie
13-IV-1980, 2.