Vijfde week. Donderdag
33. ONZE DAGELIJKSE HANDELINGEN OPDRAGEN
-Door het opdragen van ons werk bieden wij God de dag, vanaf
zijn eerste begin, aan. Het is ons eerste gebed. -Hoe bieden wij onze dag aan.
De 'heldhaftige' minuut. -Het opdragen van ons dagelijks werk en de heilige
Mis. Onze bezigheden vele malen per dag aan God opdragen.
33.1 God heeft ons zowel de dag als de nacht
gegeven opdat wij ons leven indelen. De dag heft zijn roep tot de dag, de
nacht aan de nacht zegt de mare.1 Elke keer als we de vorige dag achter ons laten, herinnert
de nieuwe dag ons eraan dat wij door moeten gaan met het werk dat de nacht
onderbrak, dat we door moeten gaan met onze plannen en verwachtingen. «De mens
gaat naar zijn werk en arbeidt tot de avond; dan valt de nacht en vraagt ons
met een vriendelijke glimlach om al ons speelgoed, waar wij mensen zo druk mee
bezig zijn, opzij te leggen; hij doet onze boeken dicht, verbergt onze
afleidingen, trekt een grote zwarte deken over onze levens... Als de duisternis
dichter wordt, maken we een generale repetitie van de dood mee; ziel en lichaam
wensen elkaar welterusten... en dan komt de nieuwe morgen, en met de morgen een
wedergeboorte.»2
Elke dag begint, in zekere zin, met een geboorte en eindigt
met een dood; elke dag is een leven in het klein. Aan het eind zal onze reis
door dit leven heilig en aangenaam voor God zijn, als wij geprobeerd hebben,
elke dag aangenaam voor Hem te maken, van zonsopgang tot zonsondergang.
Hetzelfde geldt voor de nacht, want ook de nacht dragen we aan de Heer op.
'Vandaag' is de enige tijd waarover we beschikken om ze te heiligen. De dag
heft zijn roep tot de dag; gisteren fluistert aan vandaag en zegt ons
namens God: begin goed. «Gedraag je 'nu' goed, zonder terug te denken aan
'gisteren', dat voorbij is, en zonder je zorgen te maken voor 'morgen', dat
misschien nooit voor jou zal komen.»3 Gisteren is voor altijd verdwenen, met al zijn
mogelijkheden en al zijn gevaren. Wat ervan overblijft, zijn de redenen tot
berouw voor alles wat we niet goed deden, en redenen tot dankbaarheid voor de
talloze genaden, zegeningen en aandacht die wij van God hebben ontvangen. Het
'morgen' ligt nog in de Heer zijn hand.
Wat wij moeten heiligen is de dag van vandaag. En hoe zouden
wij dan de dag niet eerst aan God opofferen? Alleen degenen die God niet kennen
en lauwe christenen beginnen hun dag zonder ergens op te letten. Het opdragen
van ons werk is een daad van vroomheid die de dag vanaf het begin goed richt,
naar God stuurt, net als de naald van een kompas naar de noordpool wijst. Het
opdragen van ons werk maakt ons vanaf het eerste moment ontvankelijk voor wat
de Heilige Geest ons wil zeggen, voor de vele inspiraties en genadegaven die
Hij op die dag -die nooit meer terugkomt- aan ons zal schenken. Het is
heden! hoort naar zijn stem: verhardt niet uw hart.4 En zo spreekt God elke dag tot
ons.
Laten wij onze Heer zeggen dat we Hem elke dag willen dienen,
dat we ons bewust willen zijn van zijn nabijheid. «Vernieuw elke morgen met een
serviam!, met een vastbesloten 'U zal ik dienen, Heer', het voornemen
niet op te geven, niet te vervallen tot luiheid of nietsnutten, de bezigheden
met meer hoop, met meer optimisme aan te pakken. Wees ervan overtuigd, dat u en
ik als verliezer uit een schermutseling te voorschijn kunnen treden, en toch
met een oprechte akte van liefde die nederlaag te boven zullen komen.» 5
Onze werken zullen God meer welgevallig zijn als wij ze
via zijn Moeder, die ook onze Moeder is, aanbieden. «Probeer, wat je ook maar
aan God wenst te geven, in Maria's handen te leggen -haar handen zijn hoogst
genadig en alle eerbied waardig- zo zal je offer door de Heer niet worden
afgewezen.»6
33.2 De eerste christenen kenden het gebruik om
hun dag op te dragen aan God. Een vroegere christen schreef: «Zodra zij
ontwaakten, voordat zij de beslommeringen van het leven onder ogen zagen,
voordat zij plannen maakten of zelfs maar dachten aan hun familieplichten,
droegen de christenen hun denken, ja alles, aan God op.»7
Schrijvend aan de christenen van Korinte, wekt Paulus hen en
ook ons op om de gehele dag aan God op te dragen: Of gij dus eet of drinkt,
of wat gij ook doet, doet alles ter ere Gods.8 En aan de Kolossenzen schrijft hij: En
al wat gij doet in woord of werk, doet alles in de naam van Jezus de Heer, God
de Vader dankend door Hem.9
Vele christenen hebben zich aangewend om hun eerste gedachte
van de dag tot God te richten. Dan volgt de 'heldhaftige minuut': deze vergemakkelijkt het opdragen van het werk en laat de
dag goed beginnen. «De heldhaftige minuut. -Het tijdstip, het exacte tijdstip
van opstaan. Zonder aarzeling: een bovennatuurlijke gedachte en... eruit!
-De heldhaftige minuut: daar heb je nu een
versterving die je wil versterkt en je lichaam niet verzwakt.»10 «Als je jezelf,
met de hulp van God, weet te overwinnen, heb
je al veel gewonnen voor de rest van de dag. -Het is zo ontmoedigend
zich bij de eerste schermutseling al overwonnen te voelen.»11
Hoewel men geen bepaalde formule hoeft te gebruiken, is het
wel goed dat ieder deze uiting van vroomheid -die zo nuttig is om de dag goed
te beginnen- op een voor hem of haar nuttige wijze verricht. Sommige mensen
houden ervan om een eenvoudig gebed op te zeggen dat zij als kinderen of als
volwassenen hebben geleerd. Het volgende gebed tot Onze Lieve Vrouw is heel
bekend; het is zowel een ochtendgebed als een dagelijkse toewijding aan Maria: O
Maria, mijn Moeder, ik bied mij geheel aan u aan. Om mijn kinderlijke
genegenheid te bewijzen heilig ik deze dag aan u: mijn ogen, mijn oren, mijn
tong, mijn hart; kortom mijn hele zijn. Nu ik, mijn lieve Moeder, geheel de uwe
ben, zorg voor mij en bescherm mij als uw eigendom. Amen.
Wij moeten zelf zien wat wij, naast het opdragen van onze
dagelijkse handelingen, aan ons morgengebed willen toevoegen: misschien een
ander gebed tot Onze Lieve Vrouw, een gebed tot de heilige Jozef, tot onze
beschermengel... Ook is het een geschikt moment om ons de voornemens te
herinneren, die wij bij het gewetensonderzoek de avond daarvoor hebben gemaakt,
en Gods genade te vragen om ze te kunnen vervullen.
Almachtige God, Gij laat ons het begin van deze dag
beleven. Behoed ons met uw heilzame kracht zodat wij vandaag niet neigen naar
het kwade, maar altijd uw gerechtigheid volbrengen in ons denken, spreken en
doen.12
33.3 Wij behoren ons elke dag tot de Heer te
wenden om Hem te vragen ons de steun te geven om zijn tegenwoordigheid niet uit
het oog te verliezen. Enkel met onze Heer te praten gedurende die momenten die
wij bestemd hebben voor gebed, is niet genoeg. Wij moeten ook tijdens onze
gewone dagelijkse activiteiten aan Hem denken, want niet alleen willen we deze
bezigheden goed verrichten, maar ook willen we dat ze een gebed vormen dat God
welgevallig is. Daarom zeggen wij samen met de Kerk: Heer, laat ons inzien
wat wij moeten doen en geef ons de kracht om onze taak te vervullen. Laat al
ons werken van U uitgaan en door U ook zijn voltooiing bereiken.13
Tijdens de heilige Mis hebben we het geschiktste moment om
ons leven en onze dagelijkse werkzaamheden opnieuw aan God op te dragen. Als de
priester het brood en de wijn offert, geven wij alles wat we zijn, en alles wat
we bezitten, en alles wat we van plan zijn om die dag te doen. Wij plaatsen op
de pateen ons geheugen, ons verstand, onze wil, ons gezin, ons werk, onze
vreugde en verdriet, al onze zorgen... en de schietgebeden en akten van
eerherstel, de kleine verstervingen en de akten van liefde. Wij hopen dat dit
alles onze dag in beslag zal nemen. Deze offers zijn altijd klein en armzalig,
maar als we ze verenigen met Christus' eucharistisch offer, worden ze van
oneindige waarde. Sprekend over de leken, zegt het Tweede Vaticaanse Concilie:
«Al hun werken immers, hun gebeden en apostolische ondernemingen, hun
huwelijks- en gezinsleven, hun dagelijkse arbeid, hun ontspanning naar geest en
lichaam, als het maar in de Heilige Geest geschiedt, zelfs de last van het
leven, als zij het geduldig doorstaan, dat alles bloeit open tot geestelijke
offers, welgevallig aan God door Jezus Christus (vgl. 1 Pe 2,5), offers die in
de eucharistische viering, samen met de offerande van het Lichaam van de Heer,
met vroomheid aan de Vader worden aangeboden.»14
Op het altaar laten wij, behalve het brood en de wijn, alles
wat we bezitten achter, en alles wat we zijn: onze hoop en dromen, alles wat we
liefhebben, alles waar we aan denken. Tijdens de consecratie van de Mis geven
we het allemaal voorgoed aan God. Nu is geen van deze dingen meer alleen van
ons. Als kinderen van God zijn we ons ervan bewust dat alles wat we hebben te
leen is, we moeten het gebruiken waarvoor het ook bestemd is, namelijk tot Gods
eer en tot heil van degenen met wie wij leven.
Het feit dat we onze bezigheden hebben opgedragen aan God,
zal ons helpen om ze beter te verrichten, om efficiënter te werken, om
opgewekter te zijn in ons gezinsleven, ook al zijn we moe, om beter met
iedereen te kunnen opschieten, om betere burgers te zijn.
We kunnen het opdragen van ons werk door de dag hernieuwen,
bijvoorbeeld als we met een nieuwe taak beginnen, of als we het werk dat we
verrichten bijzonder moeilijk vinden. Onze Heer accepteert ook onze moeheid.
Ook dat heeft, als we het aan Hem opdragen, een verlossende waarde.
Laten we elke dag zó leven alsof het de enige dag was die wij
hadden om aan God op te dragen. Proberen we alles goed te doen, ook om te
herstellen wat mislukte. En één dag zal onze laatste zijn, maar ook die dag
zullen we hebben opgedragen aan God onze Vader. Dan, als we geprobeerd hebben
voortdurend ons leven aan Hem te wijden, zullen we Jezus tot ons horen zeggen
wat Hij ook tot de goede rover zei: Voorwaar Ik zeg u: Vandaag nog zult gij
met Mij zijn in het paradijs.15
-1. Ps 19,3. -2. R.A. Knox, A Retreat for Lay People, 21-22. -3. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
253. -4. Ps 95,7-8. -5. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 217. -6. H. Bernardus, Homilie op
Mariageboorte, 18. -7. Johannes
Cassianus, Gesprekken, 21. -8. 1 Kor 10,31. -9. Kol
3,17. -10. H. Jozefmaria Escrivá,
De Weg, 206. -11. Ibidem, 191. -12. Getijdenboek, Lauden.
-13. Ibidem, Lauden van maandag in de 1e week. -14. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen Gentium, 34.
-15. Lc 23,43.
|