Negentiende week.
Donderdag
43. ONZE SCHULD TEGENOVER GOD
-De ontelbare weldaden van de Heer. -De mis is de
volmaaktste dankzegging die we God kunnen aanbieden. -Dankbaarheid jegens alle
mensen; altijd iedere belediging vergeven.
43.1 We lezen in het evangelie van vandaag: Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning
die rekening en verantwoording wilde vragen aan zijn dienaren.1 Toen deze koning met de afrekening
begon, werd er iemand voor hem gebracht die hem tienduizend talenten schuldig
was, een enorm bedrag dat onmogelijk kon worden terugbetaald. Deze eerste
schuldenaar symboliseert onze eigen situatie; we zijn God zóveel verschuldigd
dat we er niet eens op kunnen hopen die schuld ooit terug te betalen. We danken
het aan Hem dat we geschapen zijn. Hij schiep ons liever zoals we zijn dan op
een andere manier. Hij schiep ons lichaam door middel van onze ouders, maar Hij
schiep onze onsterfelijke ziel, evenals ons lichaam, in een directe,
onvervangbare daad. Hij gaf ons een lichaam en een ziel om voor eeuwig gelukkig
te zijn in de hemel. Door zijn uitdrukkelijke wens zijn wij in de wereld. Wij
danken aan God ons voortbestaan, want zonder Hem zou alles tot het niets
terugkeren. Hij heeft ons de energie gegeven, en onze lichamelijke en geestelijke
kwaliteiten, onze gezondheid, ons leven en alle goederen die we bezitten.
Behalve en boven deze natuurlijke orde, staan we bij Hem in de schuld voor zijn
bovennatuurlijke weldaden, zoals de Menswording van zijn Zoon, de Verlossing,
ons goddelijk kindschap, ons geroepen zijn om te delen in het goddelijk leven
hier op aarde en later in de hemel met de verheerlijking van ziel en lichaam.
We hebben aan God de geweldige gave te danken dat we zonen en
dochters zijn van de Kerk waarin we de sacramenten mogen ontvangen, en wel heel
speciaal de heilige eucharistie. Door de gemeenschap van de heiligen hebben
wij, binnen de Kerk, deel aan de goede werken van de andere leden van het
gelovige volk. Door die andere leden ontvangen wij op ieder moment genade, door
hen die in gebed zijn of via hen die hun werk of hun lijden opdragen... We
ontvangen ook voortdurend de verdiensten van de heiligen in de hemel, van de
heilige zielen in het vagevuur en van de engelen. Al deze genade komt tot ons
door de bemiddeling van Maria, onze Moeder. De bron van deze genade zijn de
oneindige verdiensten van Christus, ons Hoofd2,
onze Verlosser en Bemiddelaar. Deze hulpmiddelen worden dagelijks geschonken om
ons ertoe aan te zetten onze plichten te vervullen, om, indien mogelijk, steeds
het goede te doen, om te zwijgen als anderen klagen, en om hen die het meest in
nood verkeren te helpen of te verdedigen...
Wij zijn God dank verschuldigd voor de genade die altijd
nodig is om goede werken te doen, om trouw te blijven aan onze voornemens, om
ons verlangen Jezus te volgen te verdiepen en om te groeien in deugdzaamheid.
Op een zeer bijzondere manier staan we bij God in de schuld vanwege de grote
gave van onze roeping, waardoor we zoveel andere genaden en gunsten hebben
ontvangen...
Waarlijk, wij zijn onvermogende schuldenaren, die niet in
staat zijn onze schuld te betalen. Wij kunnen slechts de houding aannemen van
die dienaar uit de parabel:
De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heb geduld met mij en ik
zal u betalen. Omdat we zijn kinderen zijn, kunnen we Hem
werkelijk alles vragen, met een onbegrensd vertrouwen. Vaders herinneren zich
de leningen niet die ze, uit liefde, aan hun kleine kinderen gedaan hebben.
«Rust in het kindschap Gods. God is een Vader -jouw Vader!- vervuld van
tederheid, van een grenzeloze liefde. -Noem Hem vaak Vader, en zeg Hem -jullie
twee alleen- dat jij Hem bemint, allermeest bemint: dat je de trots en de
kracht die eigen zijn aan het kind van Hem zijn, voelt.»3 Onze oudere broeder, Jezus Christus, zal méér dan
volop voor ons betalen.
43.2 Heb geduld met mij en ik zal u
betalen... In de mis bieden we mét de priester deze giften, deze gaven, deze
heilige vlekkeloze offerande. Met dit offer
verenigen we de kleinheid van onze eigen dankzegging. Gewaardig U op deze offeranden
met welgevallen neer te zien -zo bidden wij iedere
dag-, en ze te
aanvaarden zoals Gij hebt willen aanvaarden de gaven van uw dienaar Abel, de
Rechtvaardige, het offer van onze stamvader Abraham en het heilig offer, de
offergave zonder vlek, U opgedragen door uw hogepriester Melchisedek.4 Door Hem en met Hem en in Hem zal uw Naam geprezen
zijn, Heer onze God, almachtige Vader, in de eenheid van de Heilige Geest, hier
en nu en tot in eeuwigheid. Met Christus, met Hem
verenigd, kunnen wij zeggen: 'Ik zal U alles betalen.'
De mis is de meest volmaakte daad van dankzegging die we God
kunnen aanbieden. Het hele leven van Christus was een voortdurende dankzegging
aan de Vader, een innerlijke houding die in woorden en gebaren duidelijk werd
bij verschillende gebeurtenissen, zoals we uit de evangeliën weten. Vader, Ik dank U dat Gij mij
verhoord hebt, roept Jezus uit, na de verrijzenis van Lazarus.5 Bij de vermenigvuldiging van de broden en de vissen
spreekt Christus eveneens een dankzegging uit voordat het voedsel aan het volk
wordt uitgedeeld.6 Bij het Laatste Avondmaal nam Hij het brood, sprak een
dankgebed uit en brak het [...] en Hij nam een beker, sprak een dankgebed uit
en gaf het aan hen...7 Door het
wonder van de genezing van de tien melaatsen wordt het ons duidelijk dat de
Heer dankbaarheid verwacht: Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen dan alleen deze vreemdeling? 8, vraagt Jezus ongelovig. Christus waarschuwt
zijn leerlingen regelmatig tegen de zonde van ondankbaarheid. Zij moeten
oppassen voor het lot van hen die gezegend zijn met vele gaven maar die daar
geen enkele blijk van dank voor geven. Omdat ze eraan gewend geraakt zijn
dingen te ontvangen, vinden ze dat ze er recht op hebben gaven te ontvangen.
Maar alles is een gave van God. Om met God in harmonie te zijn wordt verondersteld
dat wij zijn gunsten ontvangen met de dankbaarheid van iemand die de waarde
kent van wat hij krijgt. Als
ge enig begrip hadt van de gave Gods en wist wie het is die u zegt: Geef mij te
drinken, zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben
gegeven 9, zei de Heer tot de
Samaritaanse vrouw, die op het punt stond zich voor de genade te sluiten.10
Onze dankbaarheid aan God voor die vele, vele gaven die we
niet kunnen terugbetalen, mogen we verenigen met de dankzegging van Christus in
de heilige mis. Wie dankbaar is, is in staat de mooie dingen van deze wereld
met heldere blik te zien. Daarom zouden we dagelijks moeten deelnemen aan het
heilig Offer van de mis, en verenigd met Jezus Christus aan onze Vader God
zeggen: Vader, wat bent U goed! Dank U voor alles! Ik dank U voor alles wat ik
om mij heen zie, en voor zoveel andere dingen die U mij gegeven heeft, maar die
voor mij nog verborgen blijven.
Hoe zal
ik de Heer kunnen vergelden al het goede dat Hij mij deed? 11, zouden we ons iedere dag met de Psalmist
kunnen afvragen. Wij kunnen geen betere manier vinden om op gepaste wijze dank
te geven dan door met steeds groeiende devotie de heilige mis bij te wonen, en
aan de Vader het offer van de Zoon aan te bieden waar wij onze nederige en
persoonlijke offerande aan toevoegen. Gewaardig U, God, deze offerande ten volle te zegenen, te
bevestigen, te bekrachtigen, haar waarachtig en aanvaardbaar te maken...12 De aanwezigheid van Christus in het tabernakel is
nog een motief om met een vreugdevol hart dank te zeggen.
43.3 Alhoewel de gehele mis een dankzegging is, wordt dit aspect specifiek
uitgesproken in de prefatie. Vol vreugde zeggen we: om recht te doen aan uw heerlijkheid, om heil en
genezing te vinden zullen wij U danken altijd en overal.
Wij
zullen U danken altijd en overal... Zo zou altijd onze houding
jegens God moeten zijn: altijd dankbaar, onder welke omstandigheden dan ook.
Dit omvat ook die tijden wanneer we bepaalde gebeurtenissen nauwelijks kunnen
begrijpen. «God ziet graag de erkenning van zijn goedheid die ten grondslag
ligt aan het bidden van een 'Te Deum' uit dankbaarheid, telkens als zich iets
buitengewoons voordoet, zonder er belang aan te hechten of het -zoals de wereld
het betitelt- gunstig of niet gunstig is: want, omdat het uit zijn Vaderhanden
komt, is zelfs een slag van de beitel die het vlees verwondt, ook een blijk van
Liefde, die de scherpe kantjes bij ons eraf haalt om ons tot volmaaktheid te
brengen.»13 Alles wat ons overkomt is een
voortdurende roep ut in
gratiarum actione semper maneamus, zodat we steeds blijven in een
doorlopende daad van dankzegging.14
Dankbaar zijn. Deze houding moeten we in ons dagelijks leven
de eerste plaats geven. We kunnen gebruik maken van de kleine voorvallen van
iedere dag om onze dankbaarheid te tonen, in het gezinsleven, op ons werk, met
onze vrienden... We tonen onze dankbaarheid aan de man die ons de krant
verkoopt, aan de bediende die ons helpt, aan de chauffeur die ons in het
verkeer laat voorgaan, aan de drogist in de winkel op de hoek...
In dit stukje van het evangelie toont de Heer ons nóg een
manier waarop we onze rekening met Hem in orde kunnen maken. Deze sluit alle
schulden in die we ons op de hals hebben gehaald door onze zonden en nalatigheden.
De Heer wil graag dat we alle beledigingen die ons zijn aangedaan, vergeven. In
de ergste situatie die we ons kunnen voorstellen zal de som van al die
opgelopen beledigingen de
honderd denariën niet overschrijden; een enigszins belachelijk
bedrag vergeleken met de tienduizend talenten, ongeveer zestig miljoen
denariën. Als we de ons aangedane beledigingen weten te vergeven, misschien
zelfs een zéér pijnlijk onrecht, dan zal de Heer ons onze enorme schuld ten
opzichte van Hem, niet aanrekenen. Dit is de voorwaarde die Jezus stelt aan het
einde van de parabel. En dit zeggen we iedere dag tot God als we het Onze Vader
bidden: Vergeef ons onze
schuld zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven. Als we vergeven
en vergeten doen wij zoals onze Heer, «er is niets dat ons méér op God doet
lijken dan dat we altijd bereid zijn om te vergeven.»15
We besluiten onze meditatie met een door de jaren heen
populair gebleven gebed: «Ik dank U, mijn God, dat U mij geschapen heeft, dat U
mij verlost heeft, mij een christen gemaakt heeft en mij het leven gegeven heeft.
Ik bied U al mijn gedachten, woorden en werken aan van deze dag. Sta niet toe
dat ik U beledig en geef mij de kracht de gelegenheden tot zonde te vermijden.
Geef mij een grotere liefde voor U en voor alle mensen.»
-1. Mt 18,23-35. -2. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III, q8.
-3. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 331.
-4. Romeins Missaal,
Eucharistisch gebed I. -5. Joh 11,41. -6. Vgl. Mt 15,36 -7. Lc 22,19; Mt 26,27. -8. Lc 17,18. -9. Joh 4,10. -10. Vgl. J.M. Pero-Sanz, La hora sexta, 267. -11. Ps 116,12. -12. Romeins Missaal, loc. cit.
-13. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 609. -14. Romeins Missaal, Gebed
na de communie voor de gedachtenis van de heilige Justinus. -15. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs,
19,7.
|