Eerste week. Woensdag
8. ONZE ZONDEN BELIJDEN
-De biecht, een ontmoeting met Christus. -Het ABC van een
goede biecht: Allesomvattend, Beknopt, Concreet en Duidelijk. -Licht en genade
die we in dit sacrament ontvangen. Het belang van onze innerlijke gesteldheid.
8.1 Gedenk uw
barmhartigheid, Heer, uw altijd geschonken ontferming1, lezen we in de
introïtus van de Mis van vandaag.
De Veertigdagentijd is de meest geschikte periode om te
overdenken hoe we het sacrament van de biecht ontvangen, die ontmoeting met
Christus, die Zichzelf aanwezig stelt in de persoon van de priester. Het is een
ontmoeting die altijd uniek en anders is. In dit sacrament begroet Hij ons als
de Goede Herder. Hij heelt onze wonden. Hij reinigt en sterkt ons. Wat Christus
door de profeten beloofd had, wordt vervuld in dit sacrament: Ik zal zelf
mijn schapen weiden en ze zelf een rustplaats wijzen, luidt de godsspraak van
Jahwe de Heer. Het verloren dier zal Ik zoeken, het afgedwaalde terughalen, het
gewonde verbinden, het zieke sterken, de vette en sterke dieren bewaren.2
Als we dit sacrament gaan ontvangen moeten we vooral aan
Christus denken en aan niets anders. We moeten goed bedenken dat Hij het
middelpunt van dit sacrament is. Gods
heerlijkheid en liefde moeten belangrijker zijn dan onze zonden. We
moeten veel meer naar Jezus kijken dan naar onszelf. We moeten onze ogen meer
richten op zijn goedheid dan op onze ellende, want innerlijk leven is een
tweespraak van liefde waarin God altijd het referentiepunt is.
De verloren zoon die weer thuiskomt -dat zijn wij als we
vastbesloten gaan biechten- gaat de weg terug vanwege de betreurenswaardige
situatie waarin hij verkeert. Evengoed blijft hij zich steeds zijn zonden
bewust: Ik ben het niet waard uw zoon genoemd te worden. Als hij echter
toch zijn vaders huis nadert, begint de genegenheid voor allen die met zijn
thuis te maken hebben, terug te komen, het huis dat altijd in zijn herinnering
gebleven is als zijn echte thuis. Dan ziet hij in de verte de onmiskenbare
figuur van zijn vader die hem tegemoet komt. Dit is het belangrijkste moment
-de ontmoeting. Elke berouwvolle biecht is «een reiken naar de heiligheid van
God, een herontdekking van zijn eigen identiteit, die verward en door elkaar
geraakt is door de zonde, een bevrijding in het diepst van de eigen persoon en
zo een herovering van de verloren vreugde, de vreugde gered te worden, welke
vreugde door de meerderheid tegenwoordig niet meer ervaren kan worden.»3 Wij moeten
zorgen, dat anderen dat heimwee naar God voelen, ervaren en naar Hem toegaan
die op hen wacht.
Wij zouden een verlangen moeten voelen zo snel mogelijk met
de Heer alleen te zijn. Zo zagen de leerlingen ernaar uit bij Hem te zijn,
nadat Hij een paar dagen weg was geweest. Dan kunnen we alle ondervonden
verdriet voor Hem uitstorten, dat we voelden bij het vaststellen van onze
zwakten, fouten, onvolmaaktheden en zonden; de verkeerde dingen zowel in onze
beroepsmatige verplichtingen als in onze verhouding met andere mensen; in onze
apostolische activiteit en natuurlijk ook in onze devoties.
Het verlangen dat we hebben Christus tot middelpunt van onze
biecht te maken, is belangrijk om niet tot routine te vervallen en om uit de
diepte van onze ziel de dingen op te halen die heel zwaar zijn en alleen in het
licht van Gods liefde aan de oppervlakte komen.
8.2 God, ontferm U
over mij in uw barmhartigheid, delg mijn zondigheid in uw erbarmen. Was mijn
schuld volkomen van mij af, reinig mij van al mijn zonden.4
In de loop van ons leven hebben we God vaak om vergeving
gevraagd en vaak heeft Hij ons vergeven. Aan het eind van elke dag, als we
overwegen wat we in de loop van die dag gedaan hebben, zouden we moeten zeggen:
Ontferm U over mij in uw barmhartigheid... Ieder van ons weet hoezeer hij
Gods genade nodig heeft.
Daarom gaan we biechten: om
de absolutie te vragen, vergeving voor onze tekortkomingen, alsof we bedelen om
een aalmoes waar we volstrekt geen recht op hebben. We gaan met vertrouwen;
niet omwille van onze verdiensten, maar met onze hoop op zijn genade die eeuwig
en oneindig en altijd tot vergeving bereid is. Cor contritum et humiliatum,
Deus, non despicies... Een vermorzeld en vernederd hart wijst Gij niet af.5 Hij vraagt alleen dat we onze fouten erkennen, dat
we nederig en oprecht onze schuld bekennen. Daarom gaan we biechten zodat de
persoon die Gods plaats inneemt, die in naam van God optreedt, ons er
vergiffenis voor kan schenken. Het is niet van belang of hij ons begrijpt of
moed inspreekt. Wij gaan om vergiffenis te vragen. Daarom bestaat onze
zelfbeschuldiging niet in het enkel meedelen van de zonden, want het gaat er
niet om dat wij een historisch verslag geven van onze overtredingen, maar dat
we eerlijk en naar waarheid onszelf ervan beschuldigen: Ik beleid mijn
schuld... Het is een hard aankomende beschuldiging van iets waarvan we wensen
dat het nooit gebeurd was. O God, delg mijn zondigheid in uw erbarmen. Was
mijn schuld volkomen van mij af, reinig mij van al mijn zonden.
De heilige Jozefmaria Escrivá
gaf ons gewoonlijk met een eenvoudig en praktisch criterium de raad dat onze
biecht 'Allesomvattend, Beknopt, Concreet en Duidelijk' moest zijn.
'Allesomvattend': een integrale belijdenis zonder uit een
vals schaamtegevoel iets weg te laten om niet 'al te slecht te lijken' in de
ogen van de biechtvader.
'Beknopt': met weinig woorden, alleen de woorden die nodig
zijn om nederig te zeggen wat we hebben gedaan of nagelaten, zonder onnodige
uitweidingen of verfraaiingen. Het gebruik van te veel woorden bergt vaak,
bewust of onbewust, in zich het verlangen rechtstreekse en volledige
eerlijkheid te ontvluchten. Om niet in deze fout te vervallen moeten we een
goed gewetensonderzoek doen.
'Concreet': een biecht zonder uitweidingen, zonder
algemeenheden. De biechteling zal de biechtvader «op de hoogte brengen van zijn
situatie en ook zal hij zeggen wanneer hij voor het laatst zijn zonde heeft
beleden, welke moeilijkheden hij ondervindt om een christelijk leven te
leiden.»6 Hij
zet zijn zonden en de omliggende omstandigheden die met de fouten verband
houden uiteen, zodat de biechtvader kan
oordelen, van de zonden ontslaan en helen.7
'Duidelijk': een biecht waarin we zorgen dat we begrepen
worden, de juiste aard van de fout uiteenzetten en daarbij bescheiden en fijnzinnig
laten blijken hoe betreurenswaardig we eraan toe zijn.
Laten we nagaan of het, telkens wanneer we ons voorbereiden
op het ontvangen van dit sacrament, vaststaat, dat wat we de biechtvader gaan
zeggen, voldoet aan deze kenmerken.
8.3 «De vastentijd is
bijzonder geschikt om te zorgen voor een bewust en gevormd geweten. Met name in
deze tijd houdt de Kerk ons de overweldigende noodzaak van de sacramentele
biecht voor, zodat we allemaal de verrijzenis van Christus kunnen beleven, niet
alleen in de liturgie, maar ook in onze eigen ziel.»8
De biecht doet ons delen in het Lijden van Christus en, door
zijn verdiensten, in zijn Verrijzenis. Elke keer als we het sacrament in de
juiste gesteltenis ontvangen, vindt er in onze ziel de wedergeboorte van het
genadeleven plaats. Het bloed van Christus dat Hij liefderijk vergoten heeft,
zuivert en heiligt de ziel en deelt door de kracht van het sacrament genade toe
-als die verloren gegaan was- of doet deze toenemen in een mate die afhankelijk
is van de gesteltenis van de biechteling.
«De intensiteit van het berouw is, soms, evenredig aan een
grotere genade dan wat men door de zonde verloor; soms aan een gelijke, soms
aan een kleinere. Daarom staat de biechteling soms op met een grotere genade
dan hij tevoren had; soms met dezelfde genade, soms met minder. Wij moeten
hetzelfde zeggen van de deugden die afhangen van en voortvloeien uit de
genade.»9
In de biecht geeft God de ziel een groter licht en toegenomen
kracht -bijzondere genaden om te strijden tegen de neigingen die we gebiecht
hebben en de gelegenheid tot zondigen te mijden en niet in dezelfde fouten te
vervallen. Hij vraagt om en ontvangt hulp in zijn dagelijkse strijd. «Zie hoe
goed God is en hoe gemakkelijk Hij zonden vergeeft. Hij herstelt met zijn
vergiffenis niet alleen wat verloren was, maar kent ons onverhoopte weldaden
toe.»10 Hoe
vaak hebben we na de biecht, na de Heer verteld te hebben dat we ons jegens Hem
slecht gedragen hadden, de grootste genaden ontvangen. Jezus vergeldt altijd
kwaad met goed om ons te sterken in ons geloof. De straf die we voor onze
zonden verdiend hebben -net zoals de inwoners van Ninive straf verdiend hadden,
zoals we zien in de eerste lezing vandaag11- wordt door God kwijtgescholden als Hij
ons berouw, onze werken van boetvaardigheid en het herstel van de aangerichte
schade ziet.
Het eerlijk belijden van onze fouten heeft altijd een vrede
en vreugde tot gevolg in onze ziel. De zonde en een gebrek aan overeenstemming
met de genade veroorzaakten droefheid die nu omgezet wordt in vreugde. «De
momenten van een eerlijke biecht moeten onder de zoetste ogenblikken gerekend
worden, onder de troostrijkste en beslissendste momenten van ons leven.»12
«Nu begrijp je hoeveel je Jezus hebt laten lijden, en je bent
vol smart. Wat is het toch eenvoudig om Hem vergiffenis te vragen, en jouw
veelvuldig verraad uit het verleden te bewenen. Je hebt een onbedwingbaar
verlangen alles goed te maken. -Goed. Maar vergeet niet, dat de geest van
boetvaardigheid vooral bestaat in het vervullen van de plicht van elk ogenblik,
wat het je ook moge kosten.»13
-1. Introïtus, Ps 24,6. -2. Ez
34,15-16. -3. Johannes Paulus ii,
Apost. exhort. Reconciliatio et Poenitentia, 2 december 1984, 31, 3. -4.
Ps 51 (50),3-4. -5. Ps 51(50),19. -6. Paulus vi, Ordo Poenitentiae, 16. -7. Vgl. Paulus vi, o.c., 16. -8. Johannes Paulus ii, Brief aan
de gelovigen in Rome, 28 februari 1979. -9. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III, q89, a2,
c. -10. H. Ambrosius, Commentaar
op het evangelie van de heilige Lucas, 2,73. -11. Eerste lezing van
de Mis, Jona 3,1-10. -12. Paulus vi,
Toespraak, 27 februari 1975. -13. H.
Jozefmaria Escrivá, De Kruisweg, negende statie, 5.
|