Tweede week.
Dinsdag
10. ONZE ZONDEN EN DE BIECHT
-De
belijdenis van de zonden en het voornemen tot verbetering. De belijdenis is
individueel, mondeling en volledig. -Tegenover Christus zelf. Veelvuldige
biecht. -Elke biecht is een goed voor de gehele Kerk. De gemeenschap der
heiligen en het sacrament van de boetvaardigheid.
10.1 Een
stem roept: Baan de Heer een weg in de steppe, effen onze God een heerbaan in
de woestijn, elk dal moet gevuld, elke berg en heuvel geslecht worden, alle
oneffenheden moeten vlak, de rotsmassa's een vallei worden.1 De beste wijze om
onze ziel in gereedheid te brengen voor de Heer die gaat komen, is ons zeer
goed op de biecht voor te bereiden. De noodzaak van dit sacrament, bron van
genade en barmhartigheid gedurende de hele loop van ons leven, komt in het
bijzonder duidelijk naar voren in deze tijd, waarin de liturgie van de Kerk ons
aanzet vol geestdrift te verlangen naar kerstmis, de geboorte van de Heer. Zij
helpt ons met dit smeekgebed: God, om de mensen te bevrijden uit de toestand
van de zonde hebt Gij uw eniggeboren Zoon in deze wereld gezonden. Vervul onze
verwachting en schenk ons in uw liefde de genade om te komen tot de ware vrijheid
die Gij ons hebt beloofd.2
De
biecht is, naast de eucharistie, ook het sacrament dat ons voorbereidt op de
definitieve ontmoeting met Christus aan het eind van ons leven. Ons hele leven
is een voortdurende advent, een verwachten van het laatste ogenblik, waarop we
ons dag na dag zonder onderbreken moeten voorbereiden. Het is een troost te
bedenken dat het de Heer zelf is die vurig verlangt dat wij bij Hem zijn op
de nieuwe aarde, in de nieuwe hemel3 die Hij ons bereid heeft. Elke goed verrichte
biecht is een aanmoediging van de Heer om voort te gaan. Zonder moedeloosheid,
zonder droefheid, vrij van onze onvolkomenheden. Heb goede moed, mijn zoon,
uw zonden zijn u vergeven4, ga heen en begin opnieuw. Hijzelf is het die ons vergeeft
na onze deemoedige schuldbekentenis. Laten we onze zonden belijden bij «God
zelf, ook al zit er in de biechtstoel een mens-priester te luisteren. Die mens
is de trouwe en nederige dienaar van dit grote mysterie dat zich voltrekt
tussen het kind dat terugkeert en de Vader.»5
«De oorzaken van het kwaad
moeten niet buiten de mens gezocht worden maar, vooral, in zijn eigen hart.
Echter ook het tegengif komt uit het hart. Katholieken moeten zich derhalve,
met behulp van de oprechtheid in bekeringsijver die hun eigen is, verzetten tegen
de vervlakking van de mens, en met hun eigen leven de blijdschap van de ware
bevrijding uit de zonde verkondigen [...] door middel van een oprecht berouw,
door het vaste voornemen zich te beteren, en door een vastberaden
schuldbekentenis.»6
Voor wie na het doopsel
tot doodzonde is vervallen, is dit sacrament onontbeerlijk ter zaliging, zoals
het doopsel dat is voor hen die nog niet herboren zijn in het bovennatuurlijk
leven: «het is middel om de mens te verzadigen met de gerechtigheid die juist
van de Verlosser afkomstig is.»7 Dit is voor de Kerk van een zo groot belang, «dat
priesters zich bij gebrek aan tijd misschien verplicht zien bepaalde
activiteiten uit- of zelfs af te stellen, maar nooit het biechthoren.»8
Alle doodzonden die na het
doopsel begaan zijn, en ook de omstandigheden die de soort ervan nader bepalen,
moeten verschijnen voor de rechtbank van de boetvaardigheid in een mondeling
maar geheim opbiechten van de zonden, met een individuele absolutie. De heilige
Vader vraagt ons allemaal om, als het in onze mogelijkheden ligt «de
kerkgemeenschap te helpen het belang van de individuele belijdenis van de
zonden ten volle op waarde te doen schatten, als een persoonlijke ontmoeting
met de barmhartige Zaligmaker die van ons houdt, en in een zo belangrijke
kwestie trouw te doen zijn aan de richtlijnen van de Kerk.»9 «Wij kunnen niet
vergeten dat bekering een inwendige daad is met uitzonderlijke diepgang,
waarin de mens zich niet door een ander kan laten vervangen. De gemeenschap kan
niet als zijn plaatsvervanger optreden.»10
10.2 De
belijdenis van de zonden moet verder volledig zijn, althans voor zover het zware
zonden betreft en moet bovennatuurlijk zijn: bewust van het feit, dat we de
Heer zelf om vergeving gaan vragen; Hem die wij beledigd hebben, want elke
zonde, ook de zonde begaan tegen onze broeders, is een rechtstreekse belediging
van God. Het biechten met een bovennatuurlijke visie is een echte liefdesakt
jegens God. In de intimiteit van onze ziel horen wij Christus die, net als
tegen Petrus, zegt: Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij lief? En met
dezelfde woorden als die van de apostel zullen wij dan kunnen zeggen: Domine,
tu omnia nosti, tu scis quia amo te, Heer, Gij weet alles; Gij weet dat ik
U liefheb11, ondanks alles.
Na de doodzonde is het
grootste ongeluk voor de ziel de dagelijkse zonde, want die houdt ons af van
veel actuele genaden. Elke kleine ontrouw doet een grote schat verloren gaan.
Zij vermindert de liefdesgloed; vermeerdert de moeilijkheden bij het beoefenen
van de deugden die steeds moeilijker gaan lijken; en vergroot de neiging tot
doodzonde, die ook begaan zal worden als er niet onmiddellijk wordt ingegrepen.
De veelvuldige communie en
de biecht zijn de beste hulpmiddelen in de strijd om de dagelijkse zonden te
vermijden. In de biecht krijgen we bovendien speciale genaden om de feilen en
zonden te voorkomen waarvan we ons beschuldigd hebben en waarover we berouw
hebben. Van de veelvuldige biecht houden is een symptoom van de fijnzinnigheid
van de ziel, van de liefde tot God. Minachting of onverschilligheid voor de
biecht wijzen op een gebrek aan innerlijke fijngevoeligheid en, vaak, op een
echte stijfkoppigheid tegenover het bovennatuurlijke.
De frequentie van biechten
wordt bepaald door de concrete noden van elke ziel. Als een persoon serieus
erop gericht is in alles de wil van God te vervullen en in alles van Hem te
zijn, zal hij de werkelijke behoefte voelen zeer vaak en punctueel zijn
toevlucht tot dit sacrament te nemen. «De periodiek hernieuwde biecht, ook wel
devotiebiecht genoemd, is in de Kerk altijd een gezel geweest op de weg naar de
heiligheid.»12
10.3 Het
zich in het sacrament van de boetvaardigheid verzoenen van iedere mens met God
en met de Kerk is een van de intiemste en persoonlijkste daden van de mens.
Veel elementaire zaken in het heiligdom van het geweten veranderen bij elke
biecht. Tegelijkertijd zullen wij niet kunnen vergeten, dat dit sacrament ook
een diepe en onontkoombare sociale dimensie heeft. Bij wie gaat biechten,
veranderen er ook veel dingen in het gezin, in de studie, het werk, onder
vrienden etcetera.
De zonde veroorzaakt -en
dat is de grootste tragedie- in de mens die die zonde begaat, een grondige
verstoring van zijn evenwicht. En wie zo onevenwichtig is, zal ook de mensen om
hem heen aan het wankelen brengen. In het sacrament van de boetvaardigheid
herstelt de Heer het evenwicht weer. Hij vergeeft niet alleen de zonde, Hij
herstelt ook de verloren orde en harmonie in de ziel.
Een goede biecht is een
geschenk voor de mensen die bij ons in huis wonen, met wie we werken. En ook
heel veel andere mensen met wie we elke dag omgaan, plukken er de vruchten van.
Dingen worden op een heel andere wijze gedaan en gezegd, wanneer we op het
goede moment de genade van dat sacrament ontvangen hebben. Als een gelovige
gaat biechten, heeft dat ook een onmeetbaar goed voor heel de Kerk tot gevolg.
Elke keer als de priester de woorden van de absolutie uitspreekt, verheugt en
verrijkt Zij zich op wondere wijze als geheel. Door de gemeenschap van de
heiligen heeft elke biecht een luide weerklank in het gehele Mystieke Lichaam
van Christus. In de Kerk -waarvan Christus de hoeksteen is- ondersteunt elke
gelovige de anderen met goede werken en verdiensten en wordt hij tegelijkertijd
door de anderen ondersteund. Allen hebben behoefte aan de gemeenschappelijke
geestelijke goederen en hebben er, feitelijk, ononderbroken deel aan. Onze
verdiensten zijn een hulp voor onze broeders, de mensen, die over de hele
wereld verspreid zijn. Op dezelfde wijze zijn zonde, lauwheid, dagelijkse
zonden, oppervlakkigheid, een ballast voor alle lidmaten van de pelgrimerende
Kerk: Wanneer één lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden; wordt één
lid geëerd, alle delen in de vreugde.13
«Dit is de keerzijde van
die saamhorigheid die zich op godsdienstig niveau in het diepe en prachtige
mysterie van de gemeenschap der heiligen ontwikkelt, dankzij welke men heeft
kunnen zeggen dat 'iedere ziel die zich verheft, de wereld verheft' (Elisabeth
Leseur). Aan deze 'wet van de verheffing' beantwoordt helaas de 'wet van het
vallen', zodat men kan spreken van een 'gemeenschap in zonde', waardoor een
ziel die zich verlaagt door te zondigen, met zichzelf ook de Kerk en in zekere
zin heel de wereld vernedert. Met andere woorden: er is geen enkele zonde, hoe
innerlijk en geheim ook, hoe absoluut individueel ook, die uitsluitend diegene
aangaat die die zonde bedrijft. Elke zonde heeft een weerslag, met meer of
minder heftigheid, met meer of minder schade, op geheel de Kerk en op heel de
mensenfamilie.»14
Als iemand in de juiste
gesteldheid gaat biechten, is dat een moment van blijdschap voor de biechteling
zelf, maar ook voor allen. En als zij de drachme gevonden heeft, roept zij
haar vriendinnen en buurvrouwen bij elkaar en zegt: Deelt in mijn vreugde.15 De gelukzaligen
in de hemel, de zalige zielen in het vagevuur en de Kerk die nog steeds
pelgrimeert in deze wereld, verheugen zich elke keer als er een absolutie
verleend wordt.
Het losmaken van de
kluisters van de zonde is tegelijkertijd het aanhalen van de banden der
broederschap. Zouden wij niet met meer blijdschap tot dat sacrament moeten
naderen, wat sneller, in de wetenschap dat wij zoveel andere gelovigen en
vooral de mensen dicht om ons heen helpen door het simpele feit dat we goed
biechten?
Laten we God, samen met de
Kerk, smeken: dat de aanwezigheid van uw Zoon, die op handen is, ons
vernieuwt en ons bevrijdt zodat we niet opnieuw vervallen in de oude slavernij
van de zonde.16
-1. Jes
40,1-11. -2. Gebed uit de Mis van zaterdag in de eerste week van de
advent. -3. Vgl. Apok 21,1. -4. Mt 9,2. -5. Johannes Paulus ii, Homilie in
de parochie van de heilige Ignatius te Rome, 16 maart 1980. -6. Idem, Homilie, Rome, 5 april
1979. -7. Idem, Enc. Redemptor
hominis, 20. -8. Idem, Toespraak,
Rome, 17 november 1978. -9. Idem,
Toespraak, Tokio, 23 februari 1981. -10. Idem, Enc. Redemptor hominis, 20. -11. Joh
21,17. -12. Johannes Paulus ii,
Toespraak, 30 januari 1981. -13. 1 Kor 12,26. -14. Johannes Paulus ii, Ap. exhort. Reconciliatio
et paenitentia, 16. -15. Lc 15,9. -16. Gebed uit de Mis van
dinsdag in de eerste week van de advent.
|