Twintigste week. Woensdag
51. Op alle uren van de dag
-De Heer roept iedereen om te werken in zijn wijngaard. Hij
roept ons om medeverlossers te zijn met Hem in de wereld. -Wij verrichten
apostolaat op ieder moment en waar we ook zijn. Het voorbeeld van de eerste
christenen. -Iedereen die met ons in contact komt moet de drang voelen om
dichter bij Christus te leven.
51.1 In het evangelie van vandaag spreekt de Heer over een vader van een
gezin die uitgaat om arbeiders te huren voor zijn wijngaard -vroeg in de
morgen, om negen uur 's morgens, om twaalf uur 's middags, om drie uur 's
middags...1 Hij belooft de eerste groep een
denarie te betalen voor een dag werken. De overige groepen worden
achtereenvolgens ook gehuurd met vooruitzicht op hetzelfde rechtvaardige loon.
Aan het eind van de dag, om vijf uur 's middags, gaat de vader nogmaals uit en
vindt nog meer arbeiders zonder werk. Hij vraagt hun: Wat staat ge heel de dag
werkloos? En zij antwoorden: Niemand heeft ons gehuurd. Dus zond de eigenaar ook hen naar de wijngaard.
De Heer wil ons een fundamentele les leren: God roept
iedereen en elke persoon tot zijn dienst. Sommige mensen ontvangen Christus'
uitnodiging 'vroeg in de morgen', in hun jeugd. Zij zijn gezegend met een
speciaal soort goddelijke voorliefde. Anderen ontvangen Christus' roep 'later
op de dag'. Iedereen wordt in verschillende omstandigheden geroepen. De denarie
die we ontvangen aan het einde van de dag is de eeuwige heerlijkheid, deelname
aan het leven van God.2 Bovendien wordt ons een
onvergelijkbaar geluk gegeven hier op aarde, omdat we weten dat we werken voor
de Meester, dat we ons leven geven aan Christus.
Werken in de wijngaard van de Heer, het maakt niet uit hoe
oud we zijn, is samenwerken met Christus aan de verlossing van de wereld: de
juiste leer verspreiden, in het seizoen en buiten het seizoen; anderen
aanmoedigen om Christus nader te volgen met ons gebedsleven; catechese geven;
helpen met het opzetten van fondsen voor nieuwe apostolische middelen; iemand
wegleiden van een situatie die zou kunnen resulteren in een belediging van God;
anderen de mogelijkheid van een roeping in overweging geven...
Wie zich geroepen voelt om te werken in de wijngaard van de
Heer moet inderdaad «deelnemen aan het goddelijke plan van redding. Hij moet
persoonlijk vooruitgang boeken naar zijn eigen verlossing en anderen helpen dit
ook te bereiken. Door anderen te helpen, redt hij zichzelf.»3
Het zal niet mogelijk zijn Christus te volgen als we er
tegelijkertijd niet in slagen de vreugde van onze roeping aan iedereen over te
brengen. «Wie volledig opgaat in zijn eigen belangen is nog niet binnengegaan
in de wijngaard van de Heer.»4 De mensen die
werken voor Christus zijn zij die «altijd waakzaam zijn om nieuwe zielen te
winnen. Zij haasten zich om anderen naar de wijngaard te brengen.»5 Er is spoed geboden want ons leven is kort.
51.2 De Heer gaat uit om arbeiders te huren voor zijn wijngaard op
verschillende uren en op verschillende plaatsen. Ieder uur, elke minuut is een
goede tijd voor apostolaat, om anderen naar de wijngaard te brengen zodat ook
zij van dienst kunnen zijn. God roept elkeen van ons in overeenstemming met
zijn persoonlijke omstandigheden, met zijn deugden en evengoed met zijn
gebreken. Ontelbare aantallen mensen zijn gestorven zonder Christus gekend te
hebben omdat niemand hun het nieuws gebracht heeft. Zullen wij ook verlamd
raken, niet in staat om over God te praten? «Nu zegt u me misschien: en waarom
zou ik me moeten inspannen? Niet ik, maar de heilige Paulus geeft u het
antwoord: 'de liefde van Christus laat ons geen rust' (2 Kor 5,14). De tijd die een mensenleven duurt, is maar kort om de grenzen
van uw liefde te verruimen.»6
De eerste christenen begrepen heel goed dat het apostolaat geen
grenzen kende van personen, plaatsen of situaties. Apostolaat begon gewoonlijk
bij hun eigen gezinnen. «Door hun onderlinge liefde overtuigden zij hun
knechten en kinderen, als ze die hadden, om christen te worden. Als ze eenmaal
christenen waren, noemden ze elkaar zonder onderscheid 'broeders'.»7 Er waren vele gezinnen die het geloof kregen van hun
slaven, van de jongste van hun knechten en kinderen tot de oudste. Misschien
werden ze gevolgd door hun buren, hun cliënten, hun klanten, hun kennissen...
De verspreiding van het evangelie in het hele leger werd versneld door de
deugden en het martelaarschap van de eerste christenen. Het leger zelf
verschafte martelaars in Italië, in Afrika, in Egypte en langs de oevers van de
Donau. De uiteindelijke vervolging begon met een zuivering van de legioenen.8
Alle situaties zijn gunstig om zielen naar Christus te
brengen, zelfs de situaties die het minst geschikt lijken te zijn. Voor een
Romeins tribunaal in Caesarea spreekt de heilige Paulus die als gevangene
gebracht is voor de procurator Festus en koning Agrippa. Hij openbaart de
mysteries van het geloof met zo'n overtuiging dat terwijl hij zich zo aan het verdedigen was, Festus
met luider stem uitriep: Ge zijt krankzinnig, Paulus, uw grote geleerdheid
brengt uw hoofd op hol. De heilige Beda merkt op: «Ze beschouwden
het als krankzinnigheid dat een man in ketenen eerder zou kiezen te spreken
over zijn innerlijk geloof dan over de lasteringen van zijn vijanden.»9
Later zegt Agrippa tot Paulus: Bijna zoudt ge mij door uw overtuigende woorden
christen maken. En Paulus antwoordt: Ik zou God willen bidden, dat vroeg of laat niet
alleen gij, maar allen die mij heden aanhoren, zouden worden als ik ben,
afgezien dan van deze boeien.10
En waarom kunnen wij onze verwanten, buren en vrienden niet
geduldig naar de Heer brengen? Onze liefde voor Christus is duidelijk te zien
door onze apostolische geest. Wij zullen geen enkele gelegenheid voorbij laten
gaan. Ieder uur is een goed uur om arbeiders naar de wijngaard van de Heer te brengen.
Alle leeftijden zijn goede leeftijden voor ons om te dienen als
mede-verlossers.
51.3 Het is verrassend dat de vader in de parabel helemaal aan het eind van
de dag nog uitging, toen er nog maar weinig te doen was. Het is ook verrassend
de verklaring te horen die degenen die zelfs op dat late uur nog werkloos
waren, gaven: Niemand
heeft ons gehuurd. Niemand heeft ons het goede
nieuws verteld dat de eigenaar van het veld arbeiders zoekt om in zijn
wijngaard te werken. Is dit niet hetzelfde antwoord dat veel gedoopte
christenen vandaag geven? Hun geloof kwijnt weg omdat niemand van hen gebruik
gemaakt heeft. «Je hebt een gesprek gehad met deze en gene en met nog iemand
anders, want je wordt verteerd door ijver voor de zielen. -Deze werd bang; gene
ging te rade bij een 'voorzichtig' iemand, die hem een verkeerd advies heeft
gegeven... -Zet door: laat niemand zich later kunnen excuseren door te beweren quia nemo nos conduxit - dat niemand ons heeft geroepen.»11
Niemand van onze verwanten, onze vrienden, onze buren..., zelfs niet iemand met
wie we een middag hebben doorgebracht, of een reis gemaakt, of gewerkt in
hetzelfde kantoor, of gestudeerd aan dezelfde school... niemand zou onaangedaan
moeten zijn door onze liefde voor Christus. Als de liefde groot is, toont ze
zich bij de kleinste gelegenheid.
Velen zullen geraakt worden door de woorden die we spreken
met kracht en met de vreugde van de Meester. Anderen zullen geholpen worden
door ons goede voorbeeld van goed verricht werk, van berusting bij lijden, van klaarblijkelijke
naastenliefde jegens anderen... Allen zullen zich aangespoord voelen door ons
gebed en door onze diepe vreugde, die de vruchten zijn van de navolging van
Christus. Niemand die ons gekend heeft moet aan het eind van zijn leven kunnen
zeggen dat hij nooit geroepen is.
Sommigen van de arbeiders klaagden over het loon dat ze
kregen. Daar was geen reden toe, daar de Heer aan ieder het overeengekomen
bedrag gaf: een denarie. Die ontevredenen begrepen niet dat de Heer dienen een
eer is en geen verplichting. Werken voor Christus is regeren. Door God van het
openbare plein geroepen worden is een reden om dankbaar te zijn. Terwijl we
dienen als apostelen midden in de wereld vinden we meer dan genoeg compensatie.
We proberen van Christus te houden en Hem steeds trouwer te dienen, terwijl we
nieuwe arbeiders zoeken om voor Hem te werken. De Heer zal die dienst nooit
vergeten. We moeten in gedachten houden dat de denarie zelf geslagen is met «de
beeldenaar van de Koning».12 God geeft zijn
eigen leven voor ons. En aan het einde van de tijd zal Hij ons heerlijkheid
zonder einde geven: ieder
ontvangt zijn loon naar eigen arbeid.13
«Laten we samen de hulp inroepen van de Moeder van Christus,
van haar die Jezus heeft zien opgroeien, van haar die zag hoe Hij zijn tijd
onder de mensen benutte: Leer mij mijn dagen nuttig te maken ten dienste van de
Kerk en van de zielen. Leer mij te luisteren met de uiterste gevoeligheid van
mijn hart naar uw liefdevol verwijt. Lieve Moeder, altijd als het nodig is:
laat mijn tijd niet míjn tijd zijn. Mijn tijd is van onze Vader die in de hemel
is.»14 We vragen ook de heilige Jozef om ons te
leren hoe we ons leven in Christus' dienst moeten benutten terwijl we ons
bezighouden met onze gewone activiteiten midden in de wereld.
-1. Mt 20,1-16. -2. Vgl. F.M.
Moschner, Parabels
van het Koninkrijk der hemelen, 215. -3. Johannes Paulus ii, Over de verstandigheid,
25 oktober 1978. -4. H. Gregorius de Grote,
Preken over de evangeliën,
19,2. -5. Ibidem. -6. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 43. -7. Aristides, geciteerd door D. Ramos, El testimonio de los primeros cristianos. -8. A.G. Hamman, La vie quotidienne des premiers chrétiens. -9.
H. Beda, Commentaar op de Handelingen van de Apostelen,
in loc. -10. Hnd
26,24-32. -11. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor 205. -12. H. Hiëronymus, Commentaar op het evangelie van
Marcus, 4,3. -13. 1 Kor 3,8. -14. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 54.
|