Negende zondag door het jaar (A)
10. OP ROTS BOUWEN
-Heiligheid bestaat in het volvoeren van de wil van God, in
het grote en in wat verwaarloosbaar schijnt. -Willen wat God wil. Overgave in
de handen van God. -De goddelijke wil vervullen en beminnen, in het kleine van
elke gewone dag en in belangrijke gebeurtenissen.
10.1 De Heer laat een duidelijke
voorliefde blijken voor hen die zich erop richten in hun leven in alles de wil
van God te vervullen; voor hen die zorgen, dat uit hun daden de woorden en
verlangens van hun dialoog met God spreken, die zo omgezet worden in een
werkelijk gebed. Immers: Niet ieder die tot Mij zegt: Heer,
Heer! zal binnengaan in het koninkrijk der hemelen, maar hij die de wil doet
van mijn Vader die in de hemel is, verklaart Jezus in het evangelie van
de mis van vandaag.1 Bij die gelegenheid sprak
Hij tot velen die het smeekgebed veranderd hadden in een puur opzeggen van
woorden en vaste teksten, die verder geen enkel gevolg hadden voor hun
schijnheilig en arglistig gedrag. Ons tweegesprek met Christus moet niet zo
zijn: «Jouw gebed moet het gebed zijn van een kind van God; niet dat van de
schijnheiligen die van Jezus deze woorden moesten horen: Niet
ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het koninkrijk der
hemelen.
»Je gebed, je roepen 'Heer, Heer!' moet gedurende de dag, op
duizend verschillende manieren vergezeld gaan van het verlangen en het
daadwerkelijke pogen de wil van God te volbrengen.»2
Ook is het niet voldoende als je wonderen of buitengewone
dingen doet, zoals in zijn naam profeteren of duivels uitdrijven -als dat
zonder Hem al mogelijk was-, als wij niet in de eerste plaats zijn beminnelijke
wil doen: de grootste offers zouden vergeefs zijn, nutteloos al onze
inspanningen. De Heilige Schrift laat ons daarentegen zien hoe God de mens die
zich in alles probeert te vereenzelvigen met de goddelijke wil, liefheeft en
zegent: Ik heb David gevonden, de zoon van Jesse, een man
naar mijn hart, die mijn wil in alles zal volbrengen.3 En de heilige Johannes schrijft: En die wereld gaat voorbij met heel haar begeerlijkheid, maar wie
de wil doet van God blijft in eeuwigheid.4
Jezus zelf verklaart, dat zijn voedsel is de wil te doen van de Vader en zijn
werk te volbrengen.5 Dat is wat telt, daarin
bestaat de heiligheid te midden van onze verplichtingen: «in het doen van zijn
wil, in het zijn van wie Hij wil die wij zijn»6,
door ons steeds meer los te maken van onze belangen en egoïsme, en ons één te
maken met dat wat God voor ons beschikt heeft.
De weg die naar de hemel voert en naar het geluk hier op
aarde «is de gehoorzaamheid aan de goddelijke wil, en níet het herhalen van
zijn naam».7 Het gebed moet vergezeld gaan van
daden, van het zeer sterke verlangen dat te verwezenlijken wat God wil, hetgeen
ons op zeer verschillende wijzen blijkt. «Het zou toch afschuwelijk zijn -roept
de heilige Theresia uit- als God ons duidelijk hoorde zeggen, dat wij
weggevlucht waren van een zaak die Hem aanging en die wij niet wilden, omdat
het ons beter uitkwam.»8 Wat jammer, als de Heer
ons zou willen leiden langs de ene weg, en wij per se een andere zouden willen
nemen. De wil van God volvoeren: een programma om ons hele leven mee te vullen.
«Je zult wel ooit, met heilige naijver, gedacht hebben aan
die jonge apostel Johannes, van wie Jezus hield. -Zou jij het niet graag
verdienen, dat men van jou zou zeggen: 'hij die houdt van de Wil van God'. Stel
daartoe alles in het werk.»9 De geijkte middelen
om dat te bereiken zijn: het vervullen van de kleine dagelijkse plichten; het
ons in de loop van de dag afvragen 'doe ik op dit moment, wat ik moet doen?';
tegenslagen die zich in het normale leven voordoen, aanvaarden; vastbesloten
strijden volgens de adviezen die wij gekregen hebben in de geestelijke leiding;
onze mening zuiveren, zo vaak als nodig is, want elke mens heeft de neiging
zijn eigen wil te doen, dat te doen waar hij zin in heeft, dat wat makkelijker
en aangenamer uitvalt.
Heer, ik wil alleen doen wat Gij verlangt, en op de wijze
zoals Gij het wilt. Ik wil niet mijn eigen wil doen, mijn arme bokkensprongen,
maar uw wil. Ik zou willen, Heer, dat mijn leven alleen dit was: uw wil
vervullen in alles, als U kunnen zeggen, in het grote en in het kleine: mijn
spijs, dat wat zin geeft aan mijn leven, is het doen van de wil van God mijn
Vader.
10.2 De inspanning om in alles de
glorie van God te zoeken, zal ons een bijzondere kracht geven tegen
moeilijkheden en tegenspoed die wij moeten lijden: ziekte, laster, economische
nood...
In hetzelfde evangelie van de mis spreekt de Heer ons over
twee huizen, tegelijkertijd gebouwd en schijnbaar identiek. Het verschil trad
echter aan de dag toen zij wat te verduren kregen: regenbuien, overstromingen
en harde windvlagen. Een van beide huizen bleek stevig, want het had een goede
fundering. Het andere stortte in, omdat het op zand gebouwd was. Er bleef niets
van over. Degene die het eerste huis opgetrokken had, het huis dat overeind
bleef, wordt door de Heer een wijs en verstandig man genoemd. De bouwer van het
tweede huis, een dwaas.
Het eerste huis weerstond de aanslagen van de winter goed,
niet door de schoonheid van zijn versiering en zelfs niet door het hebben van
een goede dakbedekking, maar dankzij de ondergrond van steenrots. Dat huis
hield stand in de tijd, diende tot onderkomen van zijn eigenaar en was een
toonbeeld van goede bouw. Zo is het ook met wie zijn leven bouwt op het in de
praktijk gebrachte verlangen, de wil van God te vervullen in het kleine van
elke dag, in belangrijke gebeurtenissen en, als ze hem overkomen, bij grote
tegenslagen. Daardoor hebben wij zieken gezien met een door hun ziekte verzwakt
lichaam, maar met een sterke wil en een grote liefde, die hun pijn met vreugde
droegen, omdat zij ondanks hun ziekte de voorzienigheid van God erkenden, die
altijd degenen zegent die Hem beminnen, maar ieder op een eigen onderscheiden
manier. En zij die laster en roddel ondervinden, of wie te maken krijgt met een
bankroet en de zijnen daaronder ziet lijden, of wie getroffen wordt door de
dood van een geliefde persoon die nog in de bloei van zijn leven was, of wie op
zijn werk gediscrimineerd wordt vanwege zijn religieuze overtuiging... Dat huis
-het leven van de gelovige die Christus volgt met daden- stort niet in, omdat
het gebouwd is op de volledigste overgave aan de wil van God zijn Vader. Een
overgave die hem niet verhindert, als het moet, voor zichzelf op te komen,
passende arbeidsvoorwaarden af te dwingen of middelen toe te passen om een
ziekte te genezen. Maar hij gaat daarbij met rust te werk, zonder benauwdheid
en zonder bitterheid of wrok.
In ons gebed van vandaag zeggen wij de Heer, dat wij ons in
zijn handen willen overgeven, waar wij ons veilig voelen: dat wij niets voor
onszelf verlangen, noch goed, noch kwaad: dat we alleen willen, wat God wil.
Bij de Heer wordt alle bitterheid zoet, alle hardheid zacht.
«Jezus, vol vertrouwen leg ik mij in uw armen, mijn hoofd
verborgen aan uw liefhebbende borst, mijn hart gevlijd aan uw Hart: ik wil, in
alles, wat Gij wilt.»10 Alleen wat Gij wilt,
Heer. Meer verlang ik niet.
10.3 Om op moeilijke momenten sterk
te blijven is het voor ons een noodzaak, in tijden van voorspoed met goede moed
kleine tegenslagen te aanvaarden die opkomen in het werk, in het gezin..., in
alle aspecten van het dagelijkse leven, en trouw en onzelfzuchtig onze plichten
van staat te vervullen: studie, zorg voor het gezin... Zo wordt het fundament
verstevigd en het hele bouwwerk versterkt. Trouw te zijn in het kleine, dat
nauwelijks opgemerkt wordt, maakt het voor ons mogelijk ook trouw te zijn in
het grote11, sterk te zijn op beslissende
momenten.
Als wij trouw zijn in het vervullen van de goddelijke wil in
het kleine, in de dagelijkse plichten, in de adviezen die wij krijgen in de
geestelijke leiding, in het aanvaarden van de normale dagelijkse tegenslagen...,
dan zullen wij de gewoonte krijgen in alles de voorzienigheid van God te zien:
in gezondheid en ziekte, in de dorheid van het gebed en de vertroosting, in de
kalmte en in de bekoring, in werk en in ontspanning... Het zal ons vervullen
van vrede. Daardoor zullen wij onverschillig worden voor menselijk opzicht,
omdat het voor ons enkel van belang is te doen wat de Heer wil dat wij doen.
Dat geeft ons een grote vrijheid, altijd voor het aanschijn van God te
handelen, stoutmoedig in het apostolaat te zijn, openhartig over God te spreken.
Door die trouw in de kleinste dingen, uit liefde tot God,
zien we daarin «niet de kleinheid als zodanig, wat eigen is aan kleingeestige
types, maar de grootheid van Gods wil, die wij met grootmoedigheid moeten
eerbiedigen, ook in de kleine dingen.»12
Een hecht en stevig fundament kan ook dienen als ondergrond
voor andere, zwakkere bouwwerken: het blijft nooit alleen. Ons innerlijk leven
kan veel anderen ten dienste zijn, die er de nodige sterkte in kunnen vinden
als hun krachten verflauwen, omdat moeilijkheden en tegenspoed voor hen hard en
zwaar te verduren zijn.
Laten wij ons geen ogenblik afzonderen van Jezus. «Herhaal,
als je verdrietig bent..., en ook in het uur waarin je zegeviert: Heer, laat mij
niet los, laat mij niet in de steek, help mij als een onervaren schepsel, leid
mij altijd aan de hand!»13 En met Hem zullen
wij, terwijl wij volbrengen wat Hij ons voor onze bestwil aanwijst, aan het
einde van onze weg geraken, waar wij Hem van aangezicht tot aangezicht zullen
aanschouwen. En naast Jezus zullen wij zijn Moeder Maria aantreffen, die ook
onze Moeder is. Tot haar nemen wij onze toevlucht aan het eind van deze tijd
van gebed, opdat onze tweespraak met God nooit een loze kreet wordt, en opdat
zíj ons moge geven, dat wij in ons leven nog maar voor een ding aandacht
hebben: het vervullen van de allerheiligste wil van haar Zoon in alle zaken.
«Heer, laat mij niet los, laat mij niet in de steek, help mij als een onervaren
schepsel, leid mij altijd aan de hand!»
-1. Mt 7,21-27. -2. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 358. -3. Hnd 13,22.
-4. 1 Joh 2,17. -5. Vgl. Joh
4,34. -6. H. Theresia van Lisieux, Autobiografische geschriften. -7. H. Hilarius van Poitiers, in Catena
aurea, vol.1, bl. 449. -8. H. Theresia
van Ávila, Het boek der stichtingen,
5,5. -9. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 422. -10. Ibidem, 529. -11. Vgl. Lc 16,20.
-12. J. Tissot, La vie
intérieure. -13. H. Jozefmaria
Escrivá, o.c., 654.
|