Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Vierendertigste week. Zaterdag

52. Op weg naar het huis van de Vader

-Verlangen naar de hemel. -De «vergoddelijking» van de ziel, van haar mogelijkheden en van het verheerlijkte lichaam. -De bijkomstige heerlijkheid. Waakzaam zijn.

52.1 Toen toonde mij de engel de rivier met het water des levens, helder als kristal, die ontwelde aan de troon van God en van het Lam. Zij liep midden door de straten van de stad, en op haar oevers, aan weerszijden, stond het geboomte des levens, dat twaalf maal vrucht draagt [...]. En de troon van God en van het Lam zal daar staan en zijn dienstknechten zullen Hem vereren. Zij zullen zijn gelaat schouwen en zijn naam zal op hun voorhoofd zijn.1 De Heilige Schrift eindigt waar zij begonnen was: in het Paradijs. En de lezingen van deze laatste dag van het kerkelijk jaar wijzen ons op het doel van onze pelgrimstocht hier op aarde: het Huis van de Vader, onze definitieve woning.

De Apokalyps leert ons door middel van symbolen de werkelijkheid van het eeuwig leven, waar het verlangen van de mens vervuld zal worden: God zien en voor altijd en eeuwig gelukkig zijn. De heilige Johannes laat ons in deze lezing de ontmoeting zien van degenen die getrouw zijn geweest in dit leven: het water is het symbool van de Heilige Geest die uit de Vader en de Zoon voortkomt, uitgebeeld door de rivier die ontspringt aan de troon van God en van het Lam. Gods naam op het voorhoofd van de uitverkorenen drukt uit, dat zij de Heer toebehoren.2 In de hemel zal er geen nacht meer zijn en zij behoeven geen licht meer van lamp of zon, want God de Heer zal over hen lichten, en zij zullen heersen in de eeuwen der eeuwen.3

De dood van de kinderen Gods zal slechts de daaraan voorafgaande doortocht zijn, de onmisbare voorwaarde om zich met God, hun Vader te verenigen en door alle eeuwigheid heen bij Hem te blijven. Bij Hem zal er geen nacht meer zijn. Naarmate wij groeien in de zin van het kindschap Gods verliezen wij de vrees voor de dood, omdat we steeds krachtiger het verlangen voelen om onze Vader te ontmoeten, die op ons wacht. Ons leven is alleen maar de weg naar Hem toe; «daarom moeten we in de tijd leven en werken met in ons hart het heimwee naar de hemel».4

Veel mensen koesteren echter in hun hart niet dat «heimwee naar de hemel», omdat zij zich hier welbevinden in hun voorspoed en materieel comfort, en zich voelen alsof zij in hun eigen definitieve huis vertoeven; maar zij vergeten, dat wij hier geen blijvende stad hebben7 en dat ons hart gemaakt is voor het eeuwig goed. Zij hebben hun hart verkleind en het gevuld met dingen van weinig of geen waarde, die ze bovendien over niet al te lange tijd zullen moeten achterlaten.

Wij, christenen, houden van het leven en al het edele dat wij daarin aantreffen: vriendschap, werk, vreugde, menselijke liefde..., en het mag ons niet verbazen dat wij op het moment waarop wij deze wereld moeten verlaten, een zekere vrees en droefheid ervaren; lichaam en ziel werden immers door God geschapen om een eenheid te vormen, en wij kennen slechts de ervaring van deze wereld. Niettemin zal het geloof ons de onuitsprekelijke troost schenken te weten, dat God het leven niet van ons afneemt maar het nieuw maakt; en als ons aardse huis, ons lichaam, afgebroken wordt, heeft Jezus al een plaats voor ons bereid in de hemel om daar voorgoed te wonen.6 Na de dood wacht ons het Leven.

De kinderen Gods zullen in de heerlijkheid verbaasd staan als zij heel die volmaaktheid van hun Vader zien, want daarvan hebben zij op aarde slechts een voorproef gehad. En zij zullen er zich helemaal thuis voelen, in hun definitieve woonplaats, in de schoot van de allerheiligste Drieëenheid.7

Daarom kunnen we uitroepen: «We gaan toch niet dood! We verhuizen. Dat is alles! Door ons geloof en onze liefde koesteren wij, christenen, deze hoop; een zekere hoop. De dood is alleen maar een 'tot straks'. We zouden moeten sterven met de afscheidswoorden: tot straks!»8

52.2 De heiligen van de Allerhoogste zullen het koningschap ontvangen en ze zullen het voor altijd, van eeuwigheid tot eeuwigheid bezitten.9

In de hemel zal ons alles volledig jong en nieuw toeschijnen. En die nieuwheid zal zo indrukwekkend zijn, dat het oude heelal verdwenen zal zijn als een boekrol die wordt opgerold10; en toch zal de hemel ons niet vreemd voorkomen. Het zal de woonplaats zijn, waarnaar zelfs het meest verdorven hart vanuit het diepst van zijn wezen altijd heeft gehunkerd. Het zal de nieuwe gemeenschap zijn van de kinderen Gods, die daar de volheid van hun aanneming bereikt hebben. We zullen een nieuw hart en een nieuwe wil bezitten; onze lichamen zullen na de verrijzenis omgevormd zijn. En dit geluk in God zal de echte persoonlijke betrekkingen niet uitsluiten. «Daar treden alle werkelijk menselijke, authentiek persoonlijke vormen van liefde binnen. De liefde van echtgenoten, de liefde tussen ouders en kinderen, vriendschap, verwantschap, zuivere kameraadschap...

»Wij zijn op weg door het leven en naarmate de jaren verstrijken, worden steeds talrijker de geliefden die ons wachten 'aan de andere zijde' van de scheidslijn van de dood. Deze wordt iets minder schrikwekkends en zelfs iets verheugends, wanneer we in staat zijn te bemerken dat hij de poort is naar onze ware 'woning', waarin degenen die ons zijn voorgegaan in het teken van het geloof op ons wachten. Onze gemeenschappelijke woonplaats is niet de kille graftombe; het is Gods schoot.»11

Hier treffen wij een bedroevende armoede aan, die ons doet overwegen wat ons leven zal zijn in de hemel, bij God onze Vader. Het Oude Testament duidt het leven in de hemel aan door het beloofde land op te roepen, waarin we geen dorst en vermoeienis lijden maar waar daarentegen alle goeds in overvloed aanwezig is. Zij lijden geen honger of dorst, geen gloeiende wind, geen brandende zon die hen deert, want Degene die zich ontfermt over hen, Hij  geleidt hen.12 Jezus, in wie de volheid van de openbaring plaatsheeft, wijst ons keer op keer met aandrang op dit volmaakte en oneindige geluk. Zijn boodschap is een boodschap van vreugde en hoop in deze wereld en in de wereld die nog komen gaat.

De ziel met haar mogelijkheden, en het lichaam na de verrijzenis zullen als het ware vergoddelijkt zijn; maar dit neemt niet het oneindige verschil tussen schepsel en Schepper weg. De gelukzaligen zullen God zien zoals Hij in zichzelf is, maar tevens zullen zij Hem op volmaakte wijze leren kennen in de schepselen die op bijzondere manier met hen verbonden zijn; ook in het kennen daarvan zullen zij een onmetelijke vreugde verkrijgen. De heilige Thomas zegt, dat de gelukzaligen in Christus alles leren kennen wat tot de schoonheid en heelheid van de wereld behoort, in zoverre zij deel uitmaken van het heelal. En omdat zij leden van de mensengemeenschap zijn, leren zij kennen wat het doel was van hun liefde of belang op aarde; en als schepselen die tot de orde der genade zijn verheven, bezitten zij een heldere kennis van de waarheden die betrekking hebben op het heil: de menswording van de Heer, het goddelijk moederschap van Maria, de Kerk, de genade en de sacramenten.13

«Bedenk eens hoe aangenaam God onze Heer de wierook is die Hem ter ere verbrand wordt; bedenk ook hoe weinig de zaken van de aarde waard zijn die, nauwelijks begonnen, al weer aan het opraken zijn...

»Daarentegen wacht jou in de hemel een grote Liefde: zonder verraad, zonder bedrog; heel de liefde, heel de schoonheid, heel de grootsheid, heel de kennis... En zonder er genoeg van te krijgen zal Hij jou verzadigen zonder je te verzadigen.»14

52.3 In de hemel zullen wij God zien en ons oneindig in Hem verheugen, overeenkomstig de heiligheid en de ver­diensten die we hier op aarde hebben verworven. Maar Gods barmhartigheid is zo groot, zo groot zijn vrijgevigheid, dat Hij heeft gewild dat zijn uitverkorenen nog een nieuwe reden voor geluk in de hemel ontmoeten door middel van de wettige, geschapen goederen waarnaar de mens verlangt: dat is wat de theologen 'bijkomstige heerlijkheid' noemen. Tot deze gelukzaligheid behoren het gezelschap van Jezus Christus, die wij in heerlijkheid zullen zien, die wij zullen herkennen na zovele momenten van gesprek met Hem, na al die keren dat we Hem in de heilige communie hebben ontvangen..., het gezelschap van de Maagd, van de heilige Jozef, van de engelen, met name onze eigen engelbewaarder en van alle heiligen. Bijzonder verheugd zullen we zijn, dat we hen mogen ontmoeten die we op aarde het meest bemind hebben: ouders, broers en zussen, verwanten, vrienden..., mensen die een beslissende invloed op ons heil hebben uitgeoefend...

Aangezien iedere man, iedere vrouw zijn of haar eigen individualiteit en intellectuele vermogens behoudt, zal hij of zij ook in de hemel in staat zijn nieuwe kennis te verwerven door gebruik te maken van de eigen mogelijkheden.15 Daarom zal de komst van nieuwe zielen in de hemel een reden tot vreugde zijn, evenals de geestelijke vooruitgang van de geliefden die op aarde achterbleven, de vrucht van de eigen apostolische arbeid in de loop der tijd, de bovennatuurlijke vruchtbaarheid van de tegenslagen en moeilijkheden die we ondervonden omdat we de Meester dienden... Daarbij zal nog, na het laatste oordeel, het bezit van het eigen lichaam komen, verrezen en verheerlijkt, waarvoor de ziel geschapen werd. Deze 'bijkomstige heerlijkheid' zal nog toenemen tot de dag van het algemene oordeel.16

Het is goed en nodig om de hoop op de hemel te bevorderen; dat geeft troost in de moeilijkste ogenblikken en helpt om de deugd van trouw krachtig te bewaren. Zo veel staat ons binnen afzienbare tijd te wachten, dat we heel goed de voortdurende waarschuwingen van de Heer kunnen begrijpen om waakzaam te zijn en ons niet zodanig door de aardse zaken in beslag te laten nemen, dat we de hemelse vergeten. In het evangelie van de heilige Mis van vandaag17, de laatste van het liturgisch jaar, waarschuwt Jezus ons: Zorgt ervoor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen des levens; laat die dag u niet als een strik onverhoeds grijpen [...]. Weest dus te allen tijde waakzaam en bidt, dat ge stand moogt houden voor het aangezicht van de Mensenzoon.

Laten we ook vaak aan die andere woorden van Jezus denken: Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden.18 Daar, in de hemel, zal ons definitieve huis zijn, heel dicht bij Hem en zijn allerheiligste Moeder. Hier zijn we slechts op doortocht. «En als het ogenblik komt waarop we onze ziel aan God teruggeven, zullen we niet bang voor de dood zijn. De dood zal voor ons een verhuizing zijn. Hij zal komen wanneer God dat wil, maar het zal een bevrijding zijn, het begin van het Leven met een hoofdletter. Vita mutatur, non tollitur (Prefatie I van de overledenen) [..]. Het leven wordt veranderd, niet weggenomen. Wij zullen op een nieuwe manier beginnen te leven, hecht verenigd met de allerheiligste Maagd, om eeuwigdurend de allerheiligste Drieëenheid te aanbidden, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; dat is de beloning die voor ons klaar ligt.»19

Morgen begint de Advent, de tijd van hoop en verwachting. Laten wij Jezus verwachten, heel dicht naast Maria.

-1. Eerste lezing (even jaren), Apok 22,1-6. -2. Vgl. The Navarre Bible, Revelation, in loc. -3. Apok 22,5. -4. Johannes Paulus ii, Toespraak, 22 oktober 1985. -5. Heb 13,14. -6. Romeins Missaal, Prefatie van de overledenen. -7. Vgl. B. Perquin, Abba, Father, bl. 314. -8. H. Jozefmaria Escrivá, geciteerd uit Informatiebulletin van de Vicepostulatie van het Opus Dei, nr. 1, bl. 5. -9. Eerste lezing (oneven jaren), Dan 7,18. -10. Apok 6,14. -11. C. López Pardo, Sobre la vida y la muerte, Madrid 1973, bl. 358. -12. Jes 49,10. -13. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, 1, q.89,a.8. -14. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 995. -15. Vgl. H. Thomas van Aquino, o.c., I, q89, a1 ad 3. -16. Vgl. Romeinse Katechismus, I, 13, n. 8. -17. Lc 21,34-36. -18. Joh 14,2. -19. A. del Portillo, Homilie 15 augustus 1989, in Romana, n. 9, VII-XII-89, bl. 243.



Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 08 feb 2012