Vierendertigste week. Zaterdag
52. Op weg naar het huis van de Vader
-Verlangen naar de hemel. -De
«vergoddelijking» van de ziel, van haar mogelijkheden en van het verheerlijkte
lichaam. -De bijkomstige heerlijkheid. Waakzaam zijn.
52.1 Toen toonde mij de engel de rivier met het water des levens, helder als
kristal, die ontwelde aan de troon van God en van het Lam. Zij liep midden door
de straten van de stad, en op haar oevers, aan weerszijden, stond het geboomte
des levens, dat twaalf maal vrucht draagt [...]. En de troon van God en van het
Lam zal daar staan en zijn dienstknechten zullen Hem vereren. Zij zullen zijn
gelaat schouwen en zijn naam zal op hun voorhoofd zijn.1 De Heilige Schrift eindigt waar zij
begonnen was: in het Paradijs. En de lezingen van deze laatste dag van het
kerkelijk jaar wijzen ons op het doel van onze pelgrimstocht hier op aarde: het
Huis van de Vader, onze definitieve woning.
De Apokalyps leert ons door middel van symbolen
de werkelijkheid van het eeuwig leven, waar het verlangen van de mens vervuld
zal worden: God zien en voor altijd en eeuwig gelukkig zijn. De heilige
Johannes laat ons in deze lezing de ontmoeting zien van degenen die getrouw
zijn geweest in dit leven: het water is het symbool van de Heilige Geest die
uit de Vader en de Zoon voortkomt, uitgebeeld door de rivier die ontspringt aan
de troon van God en van het Lam. Gods naam op het voorhoofd van de
uitverkorenen drukt uit, dat zij de Heer toebehoren.2
In de hemel zal er geen nacht meer
zijn en zij behoeven geen licht meer van lamp of zon, want God de Heer zal over
hen lichten, en zij zullen heersen in de eeuwen der eeuwen.3
De dood van de kinderen Gods zal slechts de
daaraan voorafgaande doortocht zijn, de onmisbare
voorwaarde om zich met God, hun Vader te verenigen en door alle eeuwigheid heen bij Hem te blijven. Bij Hem zal er geen nacht meer zijn. Naarmate
wij groeien in de zin van het kindschap Gods verliezen wij de vrees voor de
dood, omdat we steeds krachtiger het verlangen voelen om onze Vader te
ontmoeten, die op ons wacht. Ons leven is alleen maar de weg naar Hem toe;
«daarom moeten we in de tijd leven en werken met in ons hart het heimwee naar
de hemel».4
Veel mensen koesteren echter in hun hart niet
dat «heimwee naar de hemel», omdat zij zich hier welbevinden in hun voorspoed
en materieel comfort, en zich voelen alsof zij in hun eigen definitieve huis
vertoeven; maar zij vergeten, dat wij
hier geen blijvende stad hebben7 en dat ons hart gemaakt is voor het
eeuwig goed. Zij hebben hun hart verkleind en het gevuld met dingen van weinig
of geen waarde, die ze bovendien over niet al te lange tijd zullen moeten
achterlaten.
Wij, christenen, houden van het leven en al het
edele dat wij daarin aantreffen: vriendschap, werk, vreugde, menselijke liefde...,
en het mag ons niet verbazen dat wij op het moment waarop wij deze wereld
moeten verlaten, een zekere vrees en droefheid ervaren; lichaam en ziel werden
immers door God geschapen om een eenheid te vormen, en wij kennen slechts de
ervaring van deze wereld. Niettemin zal het geloof ons de onuitsprekelijke
troost schenken te weten, dat God het
leven niet van ons afneemt maar het nieuw maakt; en als ons aardse huis, ons
lichaam, afgebroken wordt, heeft Jezus al een plaats voor ons bereid in de
hemel om daar voorgoed te wonen.6 Na de dood wacht ons het Leven.
De kinderen Gods zullen in de heerlijkheid
verbaasd staan als zij heel die volmaaktheid van hun Vader zien, want daarvan
hebben zij op aarde slechts een voorproef gehad. En zij zullen er zich helemaal
thuis voelen, in hun definitieve woonplaats, in de schoot van de allerheiligste
Drieëenheid.7
Daarom kunnen we uitroepen: «We gaan toch niet
dood! We verhuizen. Dat is alles! Door ons geloof en onze liefde koesteren wij,
christenen, deze hoop; een zekere hoop. De dood is alleen maar een 'tot
straks'. We zouden moeten sterven met de afscheidswoorden: tot straks!»8
52.2 De heiligen van de Allerhoogste zullen het koningschap ontvangen en ze
zullen het voor altijd, van eeuwigheid tot eeuwigheid bezitten.9
In de hemel zal ons alles volledig jong en
nieuw toeschijnen. En die nieuwheid zal zo indrukwekkend zijn, dat het oude
heelal verdwenen zal zijn als een
boekrol die wordt opgerold10; en toch zal de hemel ons niet vreemd voorkomen. Het zal de woonplaats
zijn, waarnaar zelfs het meest verdorven hart vanuit het diepst van zijn wezen
altijd heeft gehunkerd. Het zal de nieuwe gemeenschap zijn van de kinderen
Gods, die daar de volheid van hun aanneming bereikt hebben. We zullen een nieuw
hart en een nieuwe wil bezitten; onze lichamen zullen na de verrijzenis
omgevormd zijn. En dit geluk in God zal de echte persoonlijke betrekkingen niet
uitsluiten. «Daar treden alle werkelijk menselijke, authentiek persoonlijke
vormen van liefde binnen. De liefde van echtgenoten, de liefde tussen ouders en
kinderen, vriendschap, verwantschap, zuivere kameraadschap...
»Wij zijn op weg door het leven en naarmate de
jaren verstrijken, worden steeds talrijker de geliefden die ons wachten 'aan de
andere zijde' van de scheidslijn van de dood. Deze wordt iets minder
schrikwekkends en zelfs iets verheugends, wanneer we in staat zijn te bemerken
dat hij de poort is naar onze ware 'woning', waarin degenen die ons zijn voorgegaan in het teken van het geloof op ons wachten. Onze gemeenschappelijke woonplaats is niet de kille
graftombe; het is Gods schoot.»11
Hier treffen wij een bedroevende armoede aan,
die ons doet overwegen wat ons leven zal zijn in de hemel, bij God onze Vader.
Het Oude Testament duidt het leven in de hemel aan door het beloofde land op te
roepen, waarin we geen dorst en vermoeienis lijden maar waar daarentegen alle
goeds in overvloed aanwezig is. Zij
lijden geen honger of dorst, geen gloeiende wind, geen brandende zon die hen
deert, want Degene die zich ontfermt over hen, Hij geleidt hen.12 Jezus, in wie de
volheid van de openbaring plaatsheeft, wijst ons keer op keer met aandrang op
dit volmaakte en oneindige geluk. Zijn boodschap is een boodschap van vreugde
en hoop in deze wereld en in de wereld die nog komen gaat.
De ziel met haar mogelijkheden, en het lichaam
na de verrijzenis zullen als het ware vergoddelijkt zijn; maar dit neemt niet
het oneindige verschil tussen schepsel en Schepper weg. De gelukzaligen zullen
God zien zoals Hij in zichzelf is, maar tevens zullen zij Hem op volmaakte
wijze leren kennen in de schepselen die op bijzondere manier met hen verbonden
zijn; ook in het kennen daarvan zullen zij een onmetelijke vreugde verkrijgen.
De heilige Thomas zegt, dat de gelukzaligen in Christus alles leren kennen wat
tot de schoonheid en heelheid van de wereld behoort, in zoverre zij deel
uitmaken van het heelal. En omdat zij leden van de mensengemeenschap zijn,
leren zij kennen wat het doel was van hun liefde of belang op aarde; en als
schepselen die tot de orde der genade zijn verheven, bezitten zij een heldere
kennis van de waarheden die betrekking hebben op het heil: de menswording van
de Heer, het goddelijk moederschap van Maria, de Kerk, de genade en de
sacramenten.13
«Bedenk eens hoe aangenaam God onze Heer de
wierook is die Hem ter ere verbrand wordt; bedenk ook hoe weinig de zaken van
de aarde waard zijn die, nauwelijks begonnen, al weer aan het opraken zijn...
»Daarentegen wacht jou in de hemel een grote
Liefde: zonder verraad, zonder bedrog; heel de liefde, heel de schoonheid, heel
de grootsheid, heel de kennis... En zonder er genoeg van te krijgen zal Hij jou
verzadigen zonder je te verzadigen.»14
52.3 In de hemel zullen wij God zien en ons
oneindig in Hem verheugen, overeenkomstig de heiligheid en de verdiensten die
we hier op aarde hebben verworven. Maar Gods barmhartigheid is zo groot, zo
groot zijn vrijgevigheid, dat Hij heeft gewild dat zijn uitverkorenen nog een
nieuwe reden voor geluk in de hemel ontmoeten door middel van de wettige,
geschapen goederen waarnaar de mens verlangt: dat is wat de theologen
'bijkomstige heerlijkheid' noemen. Tot deze gelukzaligheid behoren het gezelschap
van Jezus Christus, die wij in heerlijkheid zullen zien, die wij zullen
herkennen na zovele momenten van gesprek met Hem, na al die keren dat we Hem in
de heilige communie hebben ontvangen..., het gezelschap van de Maagd, van de
heilige Jozef, van de engelen, met name onze eigen engelbewaarder en van alle
heiligen. Bijzonder verheugd zullen we zijn, dat we hen mogen ontmoeten die we
op aarde het meest bemind hebben: ouders, broers en zussen, verwanten,
vrienden..., mensen die een beslissende
invloed op ons heil hebben uitgeoefend...
Aangezien iedere man, iedere vrouw zijn of haar
eigen individualiteit en intellectuele vermogens behoudt, zal hij of zij ook in
de hemel in staat zijn nieuwe kennis te verwerven door gebruik te maken van de
eigen mogelijkheden.15 Daarom zal de komst van
nieuwe zielen in de hemel een reden tot vreugde zijn, evenals de geestelijke
vooruitgang van de geliefden die op aarde achterbleven, de vrucht van de eigen
apostolische arbeid in de loop der tijd, de bovennatuurlijke vruchtbaarheid van
de tegenslagen en moeilijkheden die we ondervonden omdat we de Meester dienden...
Daarbij zal nog, na het laatste oordeel, het bezit van het eigen lichaam komen,
verrezen en verheerlijkt, waarvoor de ziel geschapen werd. Deze 'bijkomstige
heerlijkheid' zal nog toenemen tot de dag van het algemene oordeel.16
Het is goed en nodig om de hoop op de hemel te
bevorderen; dat geeft troost in de moeilijkste ogenblikken en helpt om de deugd
van trouw krachtig te bewaren. Zo veel staat ons binnen afzienbare tijd te
wachten, dat we heel goed de voortdurende waarschuwingen van de Heer kunnen
begrijpen om waakzaam te zijn en ons niet zodanig door de aardse zaken in
beslag te laten nemen, dat we de hemelse vergeten. In het evangelie van de
heilige Mis van vandaag17, de laatste van het
liturgisch jaar, waarschuwt Jezus ons: Zorgt ervoor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van
dronkenschap en de zorgen des levens; laat die dag u niet als een strik
onverhoeds grijpen [...]. Weest dus te allen tijde waakzaam en bidt, dat ge stand
moogt houden voor het aangezicht van de Mensenzoon.
Laten we ook vaak aan die andere woorden van
Jezus denken: Ik ga heen om een plaats
voor u te bereiden.18
Daar, in de hemel, zal ons definitieve huis zijn, heel dicht bij Hem en zijn
allerheiligste Moeder. Hier zijn we slechts op doortocht. «En als het ogenblik
komt waarop we onze ziel aan God teruggeven, zullen we niet bang voor de dood zijn. De dood zal voor ons een verhuizing zijn.
Hij zal komen wanneer God dat wil, maar het zal een bevrijding zijn, het
begin van het Leven met een hoofdletter. Vita mutatur, non tollitur (Prefatie I van
de overledenen) [..]. Het leven wordt veranderd, niet weggenomen. Wij zullen op
een nieuwe manier beginnen te leven, hecht verenigd met de allerheiligste
Maagd, om eeuwigdurend de allerheiligste Drieëenheid te aanbidden, de Vader, de
Zoon en de Heilige Geest; dat is de beloning die voor ons klaar ligt.»19
Morgen begint de Advent, de tijd van hoop en
verwachting. Laten wij Jezus verwachten, heel dicht naast Maria.
-1. Eerste lezing (even jaren), Apok 22,1-6. -2. Vgl. The Navarre Bible, Revelation, in loc. -3.
Apok 22,5.
-4. Johannes Paulus ii, Toespraak, 22 oktober
1985. -5. Heb 13,14. -6. Romeins Missaal, Prefatie van de overledenen. -7. Vgl. B. Perquin, Abba, Father, bl. 314. -8. H. Jozefmaria Escrivá, geciteerd uit Informatiebulletin van de Vicepostulatie van het
Opus Dei, nr. 1, bl. 5. -9. Eerste lezing (oneven
jaren), Dan 7,18. -10. Apok 6,14. -11. C. López Pardo, Sobre la vida y la muerte, Madrid 1973, bl. 358. -12. Jes 49,10. -13. Vgl. H. Thomas van
Aquino, Summa Theologiae, 1, q.89,a.8. -14. H.
Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 995. -15.
Vgl. H. Thomas van Aquino, o.c., I, q89, a1 ad 3. -16.
Vgl. Romeinse Katechismus, I, 13, n. 8. -17. Lc 21,34-36. -18. Joh 14,2. -19. A. del Portillo, Homilie 15 augustus 1989, in Romana, n. 9, VII-XII-89, bl. 243.
|