2. OPENBARING DES HEREN
6 januari. Hoogfeest
Vandaag gedenkt de Kerk, dat de
mensgeworden Zoon van God voor de eerste maal geopenbaard werd aan de heidense
wereld; dit geschiedde in de aanbidding van de drie Wijzen. Het feest
verkondigt het wereldomvattende bereik van de zending van Christus, die naar de
wereld komt om de beloften aan Israël te vervullen en om de redding van alle mensen
te voltooien.
Het hoogfeest van de Openbaring, oudtijds
ook 'Theophanie' of 'feest van het Licht' geheten, ontstond in de eerste eeuwen
van het christendom, in het Oosten, en was reeds in de vierde eeuw algemeen.
Het feest wordt sinds zijn ontstaan op 6 januari gevierd.
-Beantwoorden aan de genade. -De wegen die tot
Christus leiden. -De apostolische geest vernieuwen.
2.1 Wij hebben
de ster van de Heer in het oosten gezien en zijn met geschenken gekomen om Hem
onze hulde te brengen.1 Het
licht van Betlehem schittert voor alle mensen en zijn
glans wordt op heel de aarde waargenomen. Jezus, zojuist geboren, «begon zijn
licht en zijn rijkdommen aan de wereld mede
te delen, want Hij voerde met zijn ster mensen uit zo verre landen
achter zich aan.»2 Het feest van vandaag heet
inderdaad Epifanie, dat 'Openbaring' betekent. Op dit feest -een van de oudste
feesten van de Kerk- vieren wij de universaliteit van de verlossing. De
inwoners van Jeruzalem, die op die dag deze mannen
zagen komen over de weg die uit het oosten kwam, zouden de aankondiging
van de profeet Jesaja hebben kunnen begrijpen; deze zegt, zoals wij vandaag
lezen in de eerste lezing van de heilige mis: Sta op en schitter, Jeruzalem, want uw licht is
gekomen, de glorie van Jahwe gaat over u op. En zie, de duisternis bedekt de
aarde en donkerte de volken, maar over u gaat Jahwe lichtend op, zijn glorie
verschijnt over u. En volkeren komen naar uw licht, koningen naar de glans van
uw dageraad. Sla uw ogen op en zie om u heen, allen verzamelen zich en komen
naar u toe: uw zonen komen aan uit de verte.3
De Wijzen, in wie alle rassen en naties worden
uitgebeeld, hebben het einde van hun lange weg bereikt. Het zijn mannen die
hongeren naar God en die eigen gemak, aardse goederen en persoonlijke voldoening
terzijde hebben geschoven om God de Heer te
aanbidden. Zij lieten zich leiden door een uitwendig teken, een ster die
wellicht uitzonderlijk sterk scheen,
«helderder en schitterender dan de andere sterren, zo zeer dat zij de
ogen en harten aantrok van hen die haar aanschouwden, om te tonen dat zoiets
wonderbaarlijks niet zonder betekenis kon zijn.»4
Het waren mannen die zich wijdden aan de bestudering van de hemel en die
gewoon waren daaraan tekenen te zoeken. Waar is de pasgeboren koning der Joden? -zo zeggen zij - want wij hebben zijn ster in het oosten gezien,
en zijn gekomen om Hem onze hulde
te brengen. Misschien waren
zij beïnvloed door de Messiaanse hoop van de Joden van de diaspora, maar we moeten bedenken, dat zij
tegelijk verlicht werden door een innerlijke genade die hen op weg dreef. «Hij die hen leidde -zo luidt het
commentaar van de heilige Bernardus- heeft hen ook onderricht, en dezelfde die hen uiterlijk door middel van een
ster waarschuwde, heeft hen in het binnenste van hun hart verlicht.»5 Het feest van
deze heiligen, die aan de genaden die de Heer hun verleende hebben
beantwoord, is voor ons een goede gelegenheid te overwegen of het leven
voor ons daadwerkelijk een weg is die zich
rechtstreeks naar Jezus begeeft, en
om te onderzoeken of wij de genade beantwoorden die wij in elke situatie
van de Heilige Geest ontvangen, heel in het bijzonder de onmetelijke gave van
de christelijke roeping.
Wij aanschouwen het Kind in de armen van Maria
en zeggen Hem: «Jezus, mijn Heer: maak dat ik uw genade zozeer voel, zozeer
volg, dat ik mijn hart ledig [...], opdat Gij het vullen moge, mijn Vriend, mijn
Broeder, mijn Koning, mijn God, mijn Liefde!»6
2.2 De Wijzen kwamen te Jeruzalem aan; wellicht dachten zij, dat dit het eindpunt van hun reis was; maar daar, in de grote
stad, vonden zij de
pasgeboren koning der Joden niet. Misschien -dat
lijkt menselijkerwijs gesproken het meest
logisch, wanneer men op zoek is naar een koning- begaven zij zich rechtstreeks naar het paleis van Herodes; maar
de wegen van de mensen zijn dikwijls niet de wegen van God. Zij onderzoeken,
wenden alle middelen aan die hun ter beschikking staan: waar is Hij?, vragen zij. En wanneer wij Hem werkelijk willen ontmoeten, komt God
ons tegemoet, Hij wijst ons de weg, ook via middelen die minder geëigend kunnen
lijken.
«Waar is de pasgeboren koning der Joden?
(Mt 2,2). Door dezelfde vraag bewogen beschouw ook ik nu Jezus, liggend in een kribbe (Lc 2,12), op een plaats die
eigenlijk slechts voor dieren bestemd is.
Waar, o Heer, is uw koninklijke waardigheid? Waar zijn de diadeem, zwaard en
scepter? Die behoren Hem toe, maar Hij wil ze niet. Hij heerst, in
doeken gewikkeld. Hij is een weerloze Koning, die zich aan ons vertoont,
hulpeloos als een klein kind [...].
»Waar is de Koning? Is het niet zo, dat Jezus
vooral wil heersen in het hart, in uw hart?
Daarom werd Hij kind. Want wie houdt niet van zo'n klein schepseltje? Waar
is de Koning? Waar is Christus, van wie de Heilige Geest wil dat Hij vorm
aanneemt in onze ziel?»7
En wij zijn, zoals de Wijzen, vaak op weg
gegaan op zoek naar Christus; als wij ons
afvragen waar Hij is, geven wij ons rekenschap ervan, dat «Hij zich niet
kan bevinden in de trots die ons van God scheidt, niet in de liefdeloosheid die
ons isoleert. Daar kan Christus niet zijn, want daar is de mens alleen.»8
Wij moeten de ware tekenen vinden die ons naar
het Jezuskind leiden. In deze mannen die
geroepen werden om God te aanbidden,
herkennen wij heel de mensheid: van het verleden, van onze dagen en van
de komende tijden. In deze Wijzen herkennen wij onszelf, zoals we op weg zijn
naar Christus door middel van onze bezigheden in het gezin, de maatschappij en ons beroep, door middel van onze trouw
in het kleine van elke dag... Sint Bonaventura legt uit, dat de ster die ons leidt drievoudig is: de heilige Schrift die wij gedegen dienen te kennen; een ster die
altijd boven ons staat opdat wij ze kunnen zien en de juiste richting
vinden, namelijk Maria onze Moeder; en een innerlijke, persoonlijke ster,
namelijk de genade van de Heilige Geest.9 Met
deze steunpilaren vinden wij op elk ogenblik het pad dat naar Betlehem, naar
Jezus leidt.
De Heer zelf heeft in ons hart het verlangen
gelegd Hem te zoeken: Niet gij
hebt Mij uitgekozen, maar Ik u.10
Het is zijn voortdurende roepstem die ons Hem laat ontmoeten in het heilig
evangelie, in ons kinderlijk beroep op Maria, in het gebed, in de sacramenten,
heel bijzonder in de heilige eucharistie, waar Hij altijd op ons wacht. Onze
hemelse Moeder spoort ons aan de tred te versnellen, want haar Zoon wacht op
ons.
Over enige tijd, misschien niet eens zo heel
lang, zal de ster die wij tijdens ons aardse leven hebben gevolgd, voor eeuwig
boven ons hoofd stralen; dan zullen wij Jezus weer ontmoeten, gezeten op een
troon, aan de rechterhand van God de Vader en in de volheid van zijn macht en
heerlijkheid; en heel dicht bij Hem, zijn Moeder. Dan zal er de volmaakte epiphanie zijn, de
stralende openbaring van Gods Zoon.
2.3 Het hoogfeest van de Openbaring beweegt ons ertoe
de apostolische geest die de Heer in ons hart heeft gelegd te vernieuwen. Vanaf
het begin werd dit feest beschouwd als de
eerste openbaring van Christus aan alle volkeren. «Met de geboorte van Jezus is
er een ster in de wereld ontstoken, een lichtende roeping is ontstoken;
hele volksstammen begeven zich op weg (vgl. Jes 60,1 vv.); nieuwe paden op aarde
worden opengelegd; wegen die komen en evenzeer wegen die vertrekken. Christus
is het middelpunt. Méér nog, Christus is het hart: er is een nieuwe stroom op
gang gekomen, die nooit meer eindigen zal en die bestemd is om een programma te vormen, een noodzaak, een
dringende zaak, een voortdurende inspanning, die zijn bestaansgrond
vindt in het feit dat Christus de Redder is. Christus is nodig [...]. Christus
wil verkondigd, gepredikt, verbreid worden...»11
Het feest van vandaag herinnert ons opnieuw eraan, dat wij Christus moeten
uitdragen en Hem bekend maken in het binnenste van de samenleving, door
voorbeeld en woord: in het gezin, in de ziekenhuizen, op de universiteit, op
het kantoor waar wij werken...
Sla uw
ogen op en zie om u heen: uw zonen komen aan uit de verte... Uit de verte, van alle plaatsen en elke toestand waarin ze zich bevinden, hoe ver
zij ook van God verwijderd mogen lijken. In ons hart weerklinkt de uitnodiging
die de Heer jaren later zal richten tot hen die Hem volgen: Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn
leerlingen.12 Het maakt niet uit
of onze verwanten, vrienden of metgezellen 'ver weg' zijn. Gods genade is
machtiger en met zijn hulp kunnen wij erin slagen hen met ons te verenigen om
Jezus te aanbidden.
Laten we vandaag niet met lege handen tot Jezus
naderen. Hij heeft onze gaven niet nodig, want Hij is heerser over al wat
bestaat, maar Hij verlangt van ons edelmoedigheid, opdat ons hart aldus groter
kan worden en méér genade en gaven kan
ontvangen. Vandaag overhandigen wij Hem het zuivere goud van de liefde: tenminste, het verlangen
Hem meer te beminnen, om anderen beter te
behandelen; de wierook
van onze gebeden en onze goede werken, die zó in gebed worden veranderd;
de mirre van onze
offers die -verenigd met het kruisoffer dat steeds hernieuwd wordt in de
heilige mis- ons tot medeverlossers met Hem maakt.
Wanneer wij de Koningen om iets vragen -zij
zijn immers heilig en kunnen voor ons in de hemel ten beste spreken- dan vragen
wij hen niet om goud, wierook of mirre voor onszelf, maar laten wij veeleer tot
hen bidden, dat zij ons de weg wijzen om Jezus te ontmoeten, dicht bij zijn
Moeder, en dat zij ons kracht en nederigheid schenken om niet te falen in deze
taak die de belangrijkste is die wij moeten vervullen.
Na de koning aanhoord te hebben vertrokken zij. En zie, de ster die zij in het oosten gezien hadden, ging
voor hen uit totdat ze boven de plaats waar het Kind zich bevond stil bleef
staan. Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde.13 Het is de onvergelijkelijke vreugde
van de ontmoeting met God, die men met alle middelen, met alle krachten van de
ziel heeft gezocht.
Zij
gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn Moeder Maria en op hun knieën
neervallend betuigden zij Het hun hulde. Zij haalden hun schatten te voorschijn
en boden Het geschenken aan: goud, wierook en mirre.14 Dit waren zeer kostbare en gewaardeerde geschenken
in het Oosten. «En ditzelfde Kind dat deze geschenken van de Koningen
aanvaardde, blijft altijd degene voor wie alle mensen en volkeren 'hun schatten
te voorschijn halen', d.w.z. hun gaven. Door zich open te stellen voor de mensgeworden
God, verkrijgen de gaven van de menselijke geest een bijzondere waarde.»15 Alles krijgt een nieuwe waarde, wanneer het aan God
wordt aangeboden.
-1. Communie-antifoon, vgl. Mt 2,2. -2. Fray Luis de Granada, Vida
de Jesucristo,
Rialp, 2 ed., Madrid 1975, VI, bl. 54. -3. Jes 60,1-6.
-4. H. Leo de Grote, Homilieën
bij het hoogfeest van de Openbaring des Heren, I, 1. -5. Vgl. H. Bernardus, Bij de Openbaring des Heren, I, 5. -6. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 913. -7. Idem, Als Christus nu langs komt, 31. -8. Ibidem. -9. Vgl. H. Bonaventura, Bij de Openbaring des Heren. -10. Joh 15,16. -11. Paulus vi,
Homilie 6-1-1973.
-12. Mt 28,19. -13. Mt 2,9-10. -14. Mt 2,11.
-15. Johannes
Paulus ii, Algemene Audiëntie 24-1-1979.