Derde week. Donderdag
23. OPRECHTHEID EN WAARACHTIGHEID
-De 'stomme duivel'. Oprechtheid. -Liefde tot de waarheid.
Middelen om die deugd te verkrijgen. -Oprechtheid en waarachtigheid tegenover
anderen. Andere gevolgen van de liefde tot de waarheid.
23.1 Het evangelie van
de Mis van vandaag houdt ons voor dat Jezus eens een duivel uitdreef die
stom was. Zodra de duivel uitgegaan was, kon de stomme weer spreken. De mensen
stonden er verbaasd van.1
Ziekte, een gewoon lichamelijk lijden zonder verband met de zonde, is een symbool van de staat waarin de
zondaar zich bevindt; die is geestelijk blind, doof, verlamd... De
genezingen die Jezus verricht heeft, zijn ook, behalve dat het feitelijke, waar
gebeurde voorvallen zijn, een symbool: zij staan voor de geestelijke genezing
die Hij in de mensen zal verwezenlijken. Veel dingen die Jezus doet ten behoeve
van zieken zijn als een teken van de sacramenten.
Met betrekking tot de perikoop van het evangelie die in de
Mis gelezen wordt, zegt de heilige Johannes Chrysostomus dat die man «zijn
eigen verzoek niet kenbaar kon maken, daar hij stom was. Hij kon ook niet aan
anderen vragen het te doen; de duivel had zijn tong vastgezet en samen met zijn
tong had hij ook zijn ziel te pakken.»2 De duivel hield die stevig vastgekluisterd.
Als we in ons persoonlijk
gebed spreken met de Heer over onze stommiteiten en Hem niet vragen die te
genezen, of als we die stommiteiten van ons niet duidelijk maken aan onze
geestelijke leidsman, als we zwijgen omdat hoogmoed onze lippen verzegeld
heeft, wordt de ziekte vrijwel onbehandelbaar. Het niet spreken over het
lijden dat de ziel kwelt, gaat gepaard met niet luisteren. De ziel wordt doof
voor de verlangens van God. Zij spreekt de argumenten en redeneringen tegen die
het licht zouden kunnen verschaffen om op de goede weg terug te komen. Het zal
ons daarentegen gemakkelijk zijn ons hart oprecht te openen als we leven naar
deze raad: «schrik niet als je de last van je arme lichaam en van de menselijke
hartstochten voelt: het zou onnozel en domweg kinderachtig naïef zijn als je er
nu pas achter zou komen dat 'dat' bestaat. Je misère is geen hinderpaal, maar
een aansporing om je meer met God te verenigen, om Hem voortdurend te zoeken,
want Hij zuivert ons.»3
Bij het herhalen in de
tussenzang van de Mis van vandaag: Luistert
heden naar de stem van de Heer en weest niet halsstarrig4, formuleren we
het voornemen geen weerstand te bieden aan de genade en altijd zeer oprecht te
zijn.
23.2 Om een authentiek
menselijk leven te leiden moeten we de waarheid liefhebben. De waarheid is in
zekere zin iets heiligs dat met eerbied en liefde behandeld moet worden. De
waarheid is soms zo verscholen achter zonden, hartstochten en materialisme dat
we haar, als we haar niet zouden liefhebben, niet zouden herkennen. Het is zo
makkelijk een leugen voor waar aan te nemen als dat ten goede komt aan onze
luiheid, onze ijdelheid, onze zinnelijkheid, de schone schijn... Soms ligt de
oorzaak van onze onoprechtheid in eerzucht, hoogmoed, menselijke opzicht: angst
bij anderen een slechte indruk te maken.
De Heer leefde deze deugd zó voor dat Hij over zichzelf zei: Ik
ben de waarheid.5 De
duivel echter is een leugenaar en vader van alle leugens.6 Alles wat hij
belooft is bedrog. Jezus zal de Vader voor de zijnen, voor ons, vragen: wijd
hen U toe in de waarheid.7
Er wordt tegenwoordig veel gesproken over oprecht zijn,
authentiek zijn of woorden van gelijke strekking. Toch neigen de mensen ertoe
zich te verbergen in de anonimiteit en de echte drijfveren achter hun handelen
voor zichzelf en voor anderen te verdoezelen. Ook voor God proberen zij in de
anonimiteit te blijven en gaan een persoonlijke ontmoeting met Hem in het gebed
of bij het gewetensonderzoek zoveel mogelijk uit de weg. Wij kunnen echter geen
goede christenen zijn als we niet oprecht zijn tegenover onszelf, tegenover God
en tegenover de medemens. Wij mensen zijn soms bang voor de waarheid omdat het
hard en pijnlijk kan overkomen. Soms komen wij in verleiding om maar te 'doen
alsof', tot een klein bedriegerijtje, tot halve waarheden of tot een 'leugentje
om bestwil'. Bij andere gelegenheden laten we ons wellicht verleiden om feiten
of zaken niet bij de naam te noemen en daarmee de waarheid geweld aan te doen
ter wille van de lieve vrede.
Oprechtheid is een christelijke deugd van de eerste rang. En
wij zouden geen goede christenen kunnen zijn, als we die niet tot in de
uiterste consequenties zouden beleven. Wie oprecht is tegenover zichzelf, heeft
de kans zijn tekortkomingen zonder omwegen te erkennen, zonder smoesjes te
zoeken. De oprechtheid doet ons waakzaam zijn tegenover de verleiding ons een
eigen waarheid te 'maken', doen alsof waar is wat in onze kraam te pas komt,
zoals diegenen doen die hun ogen sluiten voor de waarheid door te zeggen dat
het 'voor hen' geen zonde is als ze een of ander gebod van de Wet van God
overtreden. Subjectiviteit, hartstochten, lauwheid kunnen een bijdrage leveren
aan de onoprechtheid tegenover zichzelf. De persoon die de oprechtheid niet
radicaal beleeft, misvormt gemakkelijk zijn geweten en blijft achter met een
innerlijke blindheid voor de zaken van God.
Een andere manier om jezelf regelmatig te bedriegen is te
proberen de consequenties van de waarheid niet te kennen om er niet mee geconfronteerd te hoeven worden, of niet de hele
waarheid te zeggen: «Je wilt nooit doordringen tot 'de kern van de waarheid'.
-Soms laat je het uit hoffelijkheid, meestal om je eigen stemming niet te
bederven en een enkele keer om dit anderen te besparen. Maar altijd uit
lafheid. Met deze angst om je in de dingen te verdiepen, zul je nooit een mens
worden met een gezond oordeel.»8
Het eerste middel dat we kunnen toepassen om oprecht te
worden is het gebed: Vraag de Heer je fouten en karakterzwakten te kennen; dat
Hij ons de sterkte geeft ze als zodanig te erkennen en de moed om hulp te
vragen en te strijden. Op de tweede plaats het dagelijks gewetensonderzoek,
kort maar krachtig, om onszelf te kennen. Vervolgens geestelijke leiding en de
biecht, door de ziel echt te openen, door de hele waarheid te zeggen, met het
verlangen onze intimiteit te laten kennen aan
degenen die ons kunnen helpen op onze
weg naar de hemel. «Laat niet toe, dat zich in uw ziel een haard van verderf
nestelt, ook al is die nog zo klein. Spreek. Stromend water is helder,
stilstaand water vormt een poel van stinkende verrotting; zo wordt drinkbaar
water een brij vol ongedierte.»9 Het zal ons vaak helpen oprecht te zijn, als we beginnen
met te zeggen wat ons het meeste kost. Als we, met de hulp van de genade, die
'stomme duivel' afweren, zullen we constateren, dat één van de onmiddellijke
vruchten van oprechtheid de vreugde is, en de vrede van de ziel. Vragen we
daarom de Heer deze deugd, voor onszelf en voor onze medemens.
23.3 Oprecht tegenover God, tegenover onszelf en
tegenover anderen. Als we tegenover God niet oprecht zijn, kunnen we Hem niet
beminnen, Hem niet dienen. Als we niet oprecht zijn tegenover onszelf, kunnen
we geen goed gevormd geweten bezitten, dat het goede bemint en het kwade
verwerpt. Als we niet oprecht zijn jegens anderen, wordt samenleven onmogelijk
en kunnen we geen weldaad zijn voor het oog van God.
De mensen om ons heen moeten ons kennen als waarachtige
personen, die nooit liegen of bedrog plegen. Ons woord als christenen en als
eerbare mannen en vrouwen moet voor anderen een grote waarde hebben: Maar uw
ja moet ja zijn en uw neen, neen; en wat daar nog bij komt, is uit den boze.10 De Heer wil het
woord van de mens van goede wil, die zich gebonden acht door wat hij zegt,
vervullen. De waarheid in ons handelen moet ook een weerspiegeling zijn van
onze omgang met God.
De liefde tot de waarheid zal ons ertoe brengen dingen recht
te zetten als we iets verkeerds gedaan hebben. «Gewen je nooit welwetend te
liegen, niet om je te verontschuldigen en niet ergens anders om en houd, om dat
te bereiken, steeds in je gedachten, dat God de God der waarheid is. Als je
daar ooit door een fout in te kort schiet, spreek dan, als het kan,
onmiddellijk je eigen woorden tegen en leg het uit of herstel het. Het is
immers zo, dat een gemeend excuus meer genade en kracht aanvoert ter
verontschuldiging dan leugens doen.»11
Een andere deugd die met
waarachtigheid en oprechtheid samenhangt is de trouw, de waarachtigheid in het
gedrag: het nakomen van een gegeven woord, beloften, overeenkomsten. Onze vrienden en de mensen met wie we
contact hebben, moeten ons kennen als
betrouwbare mannen en vrouwen.
Geloofwaardigheid is de trouw aan een nauwgezette afspraak
met God of tegenover God. Jezus noemt zichzelf Getrouw en Waarachtig.12 En de Heilige
Schrift spreekt voortdurend over God als over Hem die getrouw is aan het
verbond met zijn volk, Hij die getrouw het plan van de verlossing nakomt, die
zijn belofte houdt.13 Ongeloofwaardigheid
is altijd bedrog, terwijl geloofwaardigheid een onmisbare deugd is in het
persoonlijk en in het maatschappelijk leven. Afhankelijk van deze deugd zijn
bij voorbeeld het huwelijk, het nakomen van overeenkomsten, het handelen van
overheden...
Waarheidsliefde brengt ons er ook toe over gebeurtenissen of
personen niet al te snel een op oppervlakkige informatie gebaseerd oordeel te
vellen. Het is noodzakelijk een gezonde kritische geest te hebben met
betrekking tot de berichten die door radio, televisie, kranten, tijdschriften
worden verspreid. Die zijn vaak tendentieus of rondweg onvolledig. Niet zelden
worden objectieve feiten, te midden van opvattingen en interpretaties die een
misvormde visie op de werkelijkheid geven, verdraaid.
We moeten met name voorzichtig omgaan met berichten die
direct of indirect te maken hebben met de Kerk. Uit dezelfde waarheidsliefde
moeten we de informatiekanalen van partijdige mensen links laten liggen, die
vertroebelen het water. We moeten zoeken naar berichtgeving die objectief,
waarheidsgetrouw en ter zake doende is, terwijl we tegelijkertijd een bijdrage
moeten leveren aan het juist informeren van anderen. Zo zal de belofte van
Jezus werkelijkheid worden: de waarheid zal u vrij maken.14.
-1. Lc 11,14 en Mt 9,32-33. -2. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën
over de evangelies, 32,1. -3. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 134. -4. Ps 95(94),7-8. -5. Joh
14,6. -6. Vgl. Joh 8,44. -7. Joh 17,17 e.v. -8. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
133. -9. Idem, Vrienden van
God, 181. -10. Mt 5,37. -11. H.
Franciscus van Sales, Inleiding tot het devote leven, III,30.
-12. Apok 19,11. -13. Vgl. Rom 3,7. -14. Joh 8,32.
|