Dertigste week. Maandag
13. Opzien naar de hemel
-De kromgebogen
vrouw en Jezus' erbarming. -Hetgeen ons belemmert
naar de hemel op te zien. -Alleen in God begrijpen wij de echte werkelijkheid van het eigen leven en van al het geschapene.
13.1 In het evangelie van de heilige Mis1
verhaalt Lucas ons hoe Jezus, volgens zijn gewoonte, op een sabbat een synagoge
binnentrad om te onderrichten. Plotseling
kwam er een vrouw die bezeten door een geest, achttien jaar lang ziek was; zij
was kromgebogen en kon zich in het geheel niet oprichten. En zonder dat iemand Hem erom vroeg, riep Jezus, bewogen door
medelijden, haar bij zich en sprak: Vrouw,
gij zijt van uw ziekte verlost. Hij legde haar de handen op en op hetzelfde
ogenblik richtte zij zich op en verheerlijkte God.
De overste van de synagoge ergerde zich, omdat
Jezus op sabbat genas. In zijn kleinzieligheid begreep hij de grootheid van de
goddelijke barmhartigheid niet, die deze vrouw uit haar jarenlange smartelijke
omstandigheden bevrijdde. Ogenschijnlijk ijverig in het onderhouden van de
sabbat, zoals dat was voorgeschreven in de Wet2,
kan de farizeeër Gods vreugde niet zien bij deze wonderlijke genezing. Zijn
hart, kil en afgestompt -zonder mededogen- kan niet in de echte werkelijkheid
van de feiten doordringen: hij ziet de Messias niet, die daar aanwezig is en
zich openbaart zoals de Schriften hadden aangekondigd. En omdat hij niet
rechtstreeks tegen Jezus durft te morren, doet hij dat tegenover degenen die
tot Hem naderen: Zes dagen zijn er
waarop gewerkt moet worden. Komt u dus op die dagen laten genezen en niet op de
sabbatdag. Maar net zoals in andere gevallen zwijgt
de Heer niet. Jezus gaf hem ten
antwoord: 'Huichelaars! Maakt niet ieder van u op sabbat zijn os of ezel van de
voederbak los, om hem naar de drinkplaats te voeren? En behoorde dan deze
vrouw, nog wel de dochter van Abraham, die niet minder dan achttien jaar lang
door de duivel is kromgesloten, niet van die boeien bevrijd te worden op de
sabbatdag? Door haar ontmoeting met Christus
herkrijgt die vrouw haar waardigheid; zij wordt behandeld als dochter van Abraham en
haar waarde overstijgt verre die van de os of de ezel. Zijn tegenstanders
stonden beschaamd, maar heel de
menigte verheugde zich over al de heerlijke daden die Hij verrichtte.
De vrouw werd bevrijd van de boze geest die
haar geketend hield en van de ziekte van haar lichaam. Zij kon Christus reeds
zien, en de hemel, en de mensen, en de wereld. Wij moeten deze passages vaak
overwegen, want daarin komt de erbarming van
de Heer, waaraan wij zozeer behoefte
hebben, heel bijzonder tot uitdrukking. «Van deze fijngevoeligheid en
deze liefde geeft Jezus niet alleen blijk tegenover een kleine groep
leerlingen, maar tegenover allen: de vrome vrouwen, de vertegenwoordigers van
de Hoge Raad zoals Nicodemus, tegenover tollenaars zoals Zacheüs, tegenover
zieken en gezonden, schriftgeleerden en heidenen, individuele personen en mensenmassa's.
»Het evangelie verhaalt ons, dat Jezus niets
had om zijn hoofd op te leggen, maar het vertelt ons ook, dat Hij geliefde en
vertrouwde vrienden bezat, die Hem in hun huis wilden opnemen. Het verhaalt van
zijn medelijden met de zieken, van zijn verdriet over de onwetenden en
dwalenden, van zijn wrevel om de huichelarij.»3
De overweging van de verschillende taferelen
uit het evangelie zou ons vertrouwen in Jezus moeten versterken, zeker wanneer
we zelf in nood verkeren. Laat ons vechten om ons hart boven de dingen van deze
wereld te verheffen. We kunnen nooit onverschillig aan pijn en ellende van onze
naaste voorbijgaan. We zouden moeten reageren met het hart van de Meester en
met onze naaste medelijden hebben.
13.2 «Zo ontmoette de Heer die vrouw die al
achttien jaar lang kromgebogen was: zij
kon zich in het geheel niet oprichten (Lc 13,11).
Zoals zij -zo leert de heilige Augustinus- zijn degenen die hun hart op aarde
hebben4»; na een tijdje zijn ze niet meer in
staat naar de hemel op te zien, God te aanschouwen en in Hem het wonder van al
het geschapene te zien. «Wie kromgebogen loopt, kijkt altijd naar de aarde, en
wie de dingen hier beneden zoekt, herinnert zich niet meer voor welke prijs hij
werd vrijgekocht.»5 Hij vergeet, dat alle
geschapen dingen hem naar de hemel moeten leiden; hij aanschouwt slechts een verarmd
heelal.
De duivel hield de vrouw die door Jezus werd
genezen, achttien jaar lang in zijn macht, zodat zij niet naar de hemel kon
opzien. Helaas doen anderen hun hele leven lang niets anders dan naar de aarde
kijken, gebonden als ze zijn door de begeerte
van de lust en de begeerte der ogen en de hovaardij van het geld.6 De begeerte van het vlees verhindert
om God te zien, want Hem zullen alleen de zuiveren
van hart zien7; deze kwade neiging «is niet
beperkt tot de wanorde der zinnelijkheid, maar ze omvat ook de zucht
naar gemak, het gebrek aan geestdrift, waardoor wij zoeken naar de
gemakkelijkste en aangenaamste weg, de schijnbaar kortste weg, zelfs als wij
daarvoor concessies moeten doen aan onze trouw aan God [...].
»De andere vijand [...] is de begeerlijkheid der
ogen. Dat is een eindeloze gierigheid die ons ertoe drijft alleen maar waarde
te hechten aan wat tastbaar is: onze ogen blijven als het ware aan de aardse
dingen kleven en zijn daarom niet in staat de bovennatuurlijke werkelijkheid te
ontdekken. Daarom kunnen wij de woorden van de Heilige Schrift niet alleen
gebruiken om te wijzen op de begeerte naar materiële goederen, maar ook om de
misvorming aan de kaak te stellen, waardoor wij al het ons omringende -de
anderen, de gebeurtenissen in ons leven en
in onze tijd- slechts met menselijke visie beschouwen.
»De ogen van de ziel worden troebel. Onze
zelfgenoegzame rede meent alles te kunnen begrijpen uit eigen kracht, zonder
God nodig te hebben [...]. Zo kunnen wij ons onvoorwaardelijk overleveren in de
handen van onze derde vijand: de superbia
vitae,
de hoogmoed. Die heeft niet alleen betrekking op
kortstondige gedachten van ijdelheid en eigenliefde, maar veeleer op een zelfverheffing
van heel ons wezen. Wij mogen vooral niet bagatelliseren: die hoogmoed is de ergste van alle kwalen, de wortel van al onze dwalingen.»8 Geen van deze vijanden vermag echter iets tegenover
ons, als wij de oprechtheid bezitten die nodig is om zijn eerste uitingen te
ontdekken, hoe klein die ook mogen zijn, en wij de Heer smeken ons te helpen om
opnieuw onze blik tot Hem te richten.
13.3 Het geloof in Christus moet zich
openbaren in de kleine voorvallen van een gewone dag en moet ons ertoe brengen
«het dagelijkse leven op aarde in te richten door naar de hemel te kijken, dat
wil zeggen, naar God, het hoogste en uiteindelijke doel van onze inspanningen
en onze verlangens.»9
Wanneer wij in geloof naar God opzien,
begrijpen wij de zin van ons bestaan: historische gebeurtenissen en voorvallen
in het eigen leven krijgen een nieuwe betekenis... De reden van het kruis dat we
misschien te dragen krijgen, de zin van pijn en lijden zullen ons duidelijk
worden; al ons werk krijgt een bovennatuurlijke betekenis als we het aan God
weten op te dragen.
De christen is geenszins opgesloten in de
aardse werkelijkheden; integendeel, «hij kan en moet juist het door God
geschapene beminnen. Van God immers ontvangt hij het en hij heeft er respect en
eerbied voor, omdat het als uit de hand van God voortvloeit»10, maar «alleen door in armoede en vrijheid van geest
gebruik ervan te maken, geraakt hij in het waarachtige bezit van de wereld,
alsof hij niets heeft en toch alles bezit. Want alles is van u, maar gij zijt van Christus en Christus is van God (1 Kor 3,22).»11 De heilige Paulus
gaf de eerste christenen van Filippi de aanbeveling: Tenslotte, broeders, houdt uw aandacht gevestigd op
al wat waar is, al wat edel is, wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en
aantrekkelijk, op wat deugd heet en lof verdient.12
De christen verwerft een bijzondere
zielegrootheid, wanneer hij gewoon is de menselijke werkelijkheden en de -kleine
of grote- gebeurtenissen in zijn dagelijks leven op God te betrekken: indien
hij ze benut om dank te brengen, om hulp te vragen en de taak die hij onder handen
heeft aan te bieden, om vergeving voor zijn fouten te vragen... Kortom, wanneer
hij niet vergeet dat hij een kind van God is op alle uren van de dag en in alle
omstandigheden, en wanneer hij zich niet door de gebeurtenissen, het werk, de
problemen die opdoemen... zozeer laat inpakken, dat hij de grote werkelijkheid
vergeet die aan alles zijn bestaansreden geeft: de bovennatuurlijke zin van
zijn leven.
«Rennen, rennen!...
Doen, doen!... Koortsachtige bedrijvigheid, de dwaasheid om
steeds in beweging te zijn... Prachtige materiële constructies... -Geestelijk
gezien: planken brandhout, goedkoop katoen, beschilderde coulissen... rennen,
doen! Een hoop volk aan het lopen: heen en weer. Zij werken namelijk met het
zicht op het heden: zij leven van het ene moment in het andere. Jij moet alles
bezien in het licht der eeuwigheid, toekomst en verleden steeds voor ogen houdend... -Rust. Vrede. Leid een
intens innerlijk leven. Zonder te rennen, zonder de dwaasheid alsmaar
van plaats te willen veranderen. Vanaf de plaats die het leven je heeft toegewezen,
zul je dan voor velen een geestelijke krachtbron van licht en energie zijn!...,
zonder zelf aan kracht en licht in te boeten.»13
Laten we onze toevlucht zoeken tot de erbarming
van de Heer, opdat Hij ons deze gave, het leven vanuit het geloof, verleent,
zodat wij op aarde wandelen met de ogen gericht op de hemel, met de blik
gevestigd op Hem, op Jezus.
-1. Lc 13,10-17. -2. Vgl. Ex 20,8. -3. H. Jozefmaria Escrivá, Als
Christus nu langs komt, 108. -4. H. Augustinus, Commentaar op Psalm 37, 10. -5. H. Gregorius de Grote, Homilieën over de evangelies, 31, 8. -6. Vgl. 1 Joh 2,16. -7. Vgl. Mt 5,8. -8. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 5-6. -9. Johannes
Paulus ii, Engel des Heren 8 september 1979. -10. Vaticanum ii, Past.
const. Gaudium et spes, 37. -11. Ibidem. -12. Fil 4,8. -13. H. Jozefmaria Escrivá, De
Weg, 837.
|