De Boog tekst
home best verkocht alle titels aanbiedingen cadeau bestellijst help contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Dertigste week. Maandag

13. Opzien naar de hemel

-De kromgebogen vrouw en Jezus' erbarming. -Hetgeen ons belemmert naar de hemel op te zien. -Alleen in God begrijpen wij de echte werkelijkheid van het eigen leven en van al het geschapene.

13.1 In het evangelie van de heilige Mis1 verhaalt Lucas ons hoe Jezus, volgens zijn gewoonte, op een sabbat een synagoge binnentrad om te onderrichten. Plotseling kwam er een vrouw die bezeten door een geest, achttien jaar lang ziek was; zij was kromgebogen en kon zich in het geheel niet oprichten. En zonder dat iemand Hem erom vroeg, riep Jezus, bewogen door medelijden, haar bij zich en sprak: Vrouw, gij zijt van uw ziekte verlost. Hij legde haar de handen op en op hetzelfde ogenblik richtte zij zich op en verheerlijkte God.

De overste van de synagoge ergerde zich, omdat Jezus op sabbat genas. In zijn kleinzieligheid begreep hij de grootheid van de goddelijke barmhartigheid niet, die deze vrouw uit haar jarenlange smartelijke omstandigheden bevrijdde. Ogenschijnlijk ijverig in het onderhouden van de sabbat, zoals dat was voorgeschreven in de Wet2, kan de farizeeër Gods vreugde niet zien bij deze wonderlijke genezing. Zijn hart, kil en afgestompt -zonder mededogen- kan niet in de echte werkelijkheid van de feiten doordringen: hij ziet de Messias niet, die daar aanwezig is en zich openbaart zoals de Schriften hadden aangekondigd. En omdat hij niet rechtstreeks tegen Jezus durft te morren, doet hij dat tegenover degenen die tot Hem naderen: Zes dagen zijn er waarop gewerkt moet worden. Komt u dus op die dagen laten genezen en niet op de sabbatdag. Maar net zoals in andere gevallen zwijgt de Heer niet. Jezus gaf hem ten antwoord: 'Huichelaars! Maakt niet ieder van u op sabbat zijn os of ezel van de voederbak los, om hem naar de drinkplaats te voeren? En behoorde dan deze vrouw, nog wel de dochter van Abraham, die niet minder dan achttien jaar lang door de duivel is kromgesloten, niet van die boeien bevrijd te worden op de sabbatdag? Door haar ontmoeting met Christus herkrijgt die vrouw haar waardigheid; zij wordt behandeld als dochter van Abraham en haar waarde overstijgt verre die van de os of de ezel. Zijn tegenstanders stonden beschaamd, maar heel de menigte verheugde zich over al de heerlijke daden die Hij verrichtte.

De vrouw werd bevrijd van de boze geest die haar geketend hield en van de ziekte van haar lichaam. Zij kon Christus reeds zien, en de hemel, en de mensen, en de wereld. Wij moeten deze passages vaak overwegen, want daarin komt de erbarming van de Heer, waaraan wij zozeer behoefte hebben, heel bijzonder tot uitdrukking. «Van deze fijngevoeligheid en deze liefde geeft Jezus niet alleen blijk tegenover een kleine groep leerlingen, maar tegenover allen: de vrome vrouwen, de vertegenwoordigers van de Hoge Raad zoals Nicodemus, tegenover tollenaars zoals Zacheüs, tegenover zieken en gezonden, schriftgeleerden en heidenen, individuele personen en mensenmassa's.

»Het evangelie verhaalt ons, dat Jezus niets had om zijn hoofd op te leggen, maar het vertelt ons ook, dat Hij geliefde en vertrouwde vrienden bezat, die Hem in hun huis wilden opnemen. Het verhaalt van zijn medelijden met de zieken, van zijn verdriet over de onwetenden en dwalenden, van zijn wrevel om de huichelarij.»3

De overweging van de verschillende taferelen uit het evangelie zou ons vertrouwen in Jezus moeten versterken, zeker wanneer we zelf in nood verkeren. Laat ons vechten om ons hart boven de dingen van deze wereld te verheffen. We kunnen nooit onverschillig aan pijn en ellende van onze naaste voorbijgaan. We zouden moeten reageren met het hart van de Meester en met onze naaste medelijden hebben.

13.2 «Zo ontmoette de Heer die vrouw die al achttien jaar lang kromgebogen was: zij kon zich in het geheel niet oprichten (Lc 13,11). Zoals zij -zo leert de heilige Augustinus- zijn degenen die hun hart op aarde hebben4»; na een tijdje zijn ze niet meer in staat naar de hemel op te zien, God te aanschouwen en in Hem het wonder van al het geschapene te zien. «Wie kromgebogen loopt, kijkt altijd naar de aarde, en wie de dingen hier beneden zoekt, herinnert zich niet meer voor welke prijs hij werd vrijgekocht.»5 Hij vergeet, dat alle geschapen dingen hem naar de hemel moeten leiden; hij aanschouwt slechts een verarmd heelal.

De duivel hield de vrouw die door Jezus werd genezen, achttien jaar lang in zijn macht, zodat zij niet naar de hemel kon opzien. Helaas doen anderen hun hele leven lang niets anders dan naar de aarde kijken, gebonden als ze zijn door de begeerte van de lust en de begeerte der ogen en de hovaardij van het geld.6 De begeerte van het vlees verhindert om God te zien, want Hem zullen alleen de zuiveren van hart zien7; deze kwade neiging «is niet beperkt tot de wanorde der zinnelijkheid, maar ze omvat ook de zucht naar gemak, het gebrek aan geestdrift, waardoor wij zoeken naar de gemakkelijkste en aangenaamste weg, de schijnbaar kortste weg, zelfs als wij daarvoor concessies moeten doen aan onze trouw aan God [...].

»De andere vijand [...] is de begeerlijkheid der ogen. Dat is een eindeloze gierigheid die ons ertoe drijft alleen maar waarde te hechten aan wat tastbaar is: onze ogen blijven als het ware aan de aardse dingen kleven en zijn daarom niet in staat de bovennatuurlijke werkelijkheid te ontdekken. Daarom kunnen wij de woorden van de Heilige Schrift niet alleen gebruiken om te wijzen op de begeerte naar materiële goederen, maar ook om de misvor­ming aan de kaak te stellen, waardoor wij al het ons omringende -de anderen, de gebeurtenissen in ons leven en in onze tijd- slechts met menselijke visie beschouwen.

»De ogen van de ziel worden troebel. Onze zelfgenoegzame rede meent alles te kunnen begrijpen uit eigen kracht, zonder God nodig te hebben [...]. Zo kunnen wij ons onvoorwaardelijk overleveren in de handen van onze derde vijand: de superbia vitae, de hoogmoed. Die heeft niet alleen betrekking op kortstondige gedachten van ijdelheid en eigenliefde, maar veeleer op een zelfverheffing van heel ons wezen. Wij mogen vooral niet bagatelliseren: die hoogmoed is de ergste van alle kwalen, de wortel van al onze dwalingen.»8 Geen van deze vijanden vermag echter iets tegenover ons, als wij de oprechtheid bezitten die nodig is om zijn eerste uitingen te ontdekken, hoe klein die ook mogen zijn, en wij de Heer smeken ons te helpen om opnieuw onze blik tot Hem te richten.

13.3 Het geloof in Christus moet zich openbaren in de kleine voorvallen van een gewone dag en moet ons ertoe brengen «het dagelijkse leven op aarde in te richten door naar de hemel te kijken, dat wil zeggen, naar God, het hoogste en uiteindelijke doel van onze inspanningen en onze verlangens.»9

Wanneer wij in geloof naar God opzien, begrijpen wij de zin van ons bestaan: historische gebeurtenissen en voorvallen in het eigen leven krijgen een nieuwe betekenis... De reden van het kruis dat we misschien te dragen krijgen, de zin van pijn en lijden zullen ons duidelijk worden; al ons werk krijgt een bovennatuurlijke betekenis als we het aan God weten op te dragen.

De christen is geenszins opgesloten in de aardse werkelijkheden; integendeel, «hij kan en moet juist het door God geschapene beminnen. Van God immers ontvangt hij het en hij heeft er respect en eerbied voor, omdat het als uit de hand van God voortvloeit»10, maar «alleen door in armoede en vrijheid van geest gebruik ervan te maken, geraakt hij in het waarachtige bezit van de wereld, alsof hij niets heeft en toch alles bezit. Want alles is van u, maar gij zijt van Christus en Christus is van God (1 Kor 3,22).»11 De heilige Paulus gaf de eerste christenen van Filippi de aanbeveling: Tenslotte, broeders, houdt uw aandacht gevestigd op al wat waar is, al wat edel is, wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en aantrekkelijk, op wat deugd heet en lof verdient.12

De christen verwerft een bijzondere zielegrootheid, wanneer hij gewoon is de menselijke werkelijkheden en de -kleine of grote- gebeurtenissen in zijn dagelijks leven op God te betrekken: indien hij ze benut om dank te brengen, om hulp te vragen en de taak die hij onder handen heeft aan te bieden, om vergeving voor zijn fouten te vragen... Kortom, wanneer hij niet vergeet dat hij een kind van God is op alle uren van de dag en in alle omstandigheden, en wanneer hij zich niet door de gebeurtenissen, het werk, de problemen die opdoemen... zozeer laat inpakken, dat hij de grote werkelijkheid vergeet die aan alles zijn bestaansreden geeft: de bovennatuurlijke zin van zijn leven.

«Rennen, rennen!... Doen, doen!... Koortsachtige bedrij­vigheid, de dwaasheid om steeds in beweging te zijn... Prachtige materiële constructies... -Geestelijk gezien: planken brandhout, goedkoop katoen, beschilderde coulissen... rennen, doen! Een hoop volk aan het lopen: heen en weer. Zij werken namelijk met het zicht op het heden: zij leven van het ene moment in het andere. Jij moet alles bezien in het licht der eeuwigheid, toekomst en verleden steeds voor ogen houdend... -Rust. Vrede. Leid een intens innerlijk leven. Zonder te rennen, zonder de dwaasheid alsmaar van plaats te willen veranderen. Vanaf de plaats die het leven je heeft toegewezen, zul je dan voor velen een geestelijke krachtbron van licht en energie zijn!..., zonder zelf aan kracht en licht in te boeten.»13

Laten we onze toevlucht zoeken tot de erbarming van de Heer, opdat Hij ons deze gave, het leven vanuit het geloof, verleent, zodat wij op aarde wandelen met de ogen gericht op de hemel, met de blik gevestigd op Hem, op Jezus.

-1. Lc 13,10-17. -2. Vgl. Ex 20,8. -3. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 108. -4. H. Augustinus, Commentaar op Psalm 37, 10. -5. H. Gregorius de Grote, Homilieën over de evangelies, 31, 8. -6. Vgl. 1 Joh 2,16. -7. Vgl. Mt 5,8. -8. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 5-6. -9. Johannes Paulus ii, Engel des Heren 8 september 1979. -10. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et spes, 37. -11. Ibidem. -12. Fil 4,8. -13. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 837.




Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
Spreken met God Deel 5
van € 17,95 voor € 15,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Priester zijn
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 50 vragen over Jezus
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps:   xml   html      ©De Boog 2009