Vijftiende week. Maandag
4. Ouders en de roeping van hun kinderen
-Volledig vrij om Christus te volgen. Een roeping is een
grote eer. -Er komt voor iedereen een tijd om huis en ouders te verlaten. -Het
beste willen voor je kinderen.
4.1 Wie vader
of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig; wie zoon of dochter meer
bemint dan Mij, is Mij niet waardig1, lezen we in het evangelie van vandaag.
Wanneer iemand vrijelijk besluit Christus helemaal te volgen, heeft dat
voorrang boven andere plannen: van vader of moeder, van vriend of vriendin. De
oproep van God komt op de eerste plaats en al het andere op de tweede.
De woorden van Christus scheppen geen onverenigbaarheid
tussen het eerste en vierde gebod, maar benadrukken eerder hun onderling
verband. We behoren God volledig lief te hebben, in overeenstemming met de roeping
die wij hebben gekregen. Wij moeten ook de ouders die God ons heeft gegeven
liefhebben en waarderen, in theorie en in de praktijk, daar wij hun veel
verschuldigd zijn. Maar liefde voor onze ouders kan niet gesteld worden boven
de liefde tot God. Gewoonlijk zal dat weinig problemen opleveren, maar als het
ooit mocht gebeuren, is dat het ogenblik om zich de woorden te herinneren van
de opgroeiende Jezus in de tempel van Jeruzalem: Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet,
dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn? 2 Jezus' antwoord aan Maria en Jozef die Hem, ongerust
als zij waren, hadden gezocht, is een zeer goed voorbeeld voor zowel kinderen
als ouders. Aan kinderen leert het dat genegenheid voor hun familie niet boven
de liefde voor God moet worden geplaatst, in het bijzonder als Onze Lieve Heer
hun vraagt Hem met een totale overgave te volgen; het helpt ouders in te zien
dat hun kinderen boven alles aan God toebehoren en dat Hij het recht heeft met
hen te doen wat Hij wenst, zelfs indien dit in bepaalde omstandigheden een
aanzienlijk offer van hun kant met zich mee zou brengen.3 Het zou erg droevig zijn als iemand, om zijn of haar
ouders niet voor het hoofd te stoten, zich doof hield voor de oproep van God.
En voor de ouders zou de toestand zelfs erger zijn, want, zoals de heilige
Bernardus zei, «de bron van hun troost is de dood van hun kind».4 Die zoon of dochter zou geen grotere schade
toegebracht kunnen worden.
Om de Heer op de juiste manier te volgen is een volkomen
onthechting vereist, een vrijheid van het hart die niet wordt gehinderd door
droefheid of spijt die slechts tot een halfslachtige overgave zou leiden. De
persoon in kwestie moet ook de noodzakelijke onafhankelijkheid hebben om Gods
wil te vervullen. Met halve maatregelen, door een halfhartige beslissing, wordt
niets bereikt. In sommige gevallen kan het gebeuren dat een leven van totale
toewijding aan de Heer door iemands verwanten niet wordt aanvaard. Na van andere
plannen, die op zich heel redelijk zijn, te hebben gedroomd, begrijpen zij deze
nieuwe ontwikkeling niet of willen zij misschien part noch deel hebben aan de
verzaking die het betekent. Wij moeten daar rekening mee houden en ons bewust
zijn dat trouw aan Christus, zelfs ten koste van het veroorzaken van verdriet
aan onze ouders, op de lange duur veel beter is zowel voor onszelf als voor
onze familie. In alle omstandigheden moeten we vastberaden zijn in het volgen
van onze roeping en tegelijkertijd moeten we onze ouders nog meer liefhebben
dan tevoren. Wij moeten veel bidden dat zij gaan begrijpen dat het «voor ouders
geen offer is, als God om hun kinderen vraagt. Voor kinderen die de Heer roept,
is het geen offer Hem te volgen.
»Het is juist een geweldige eer, een grote en heilige trots,
een teken van uitverkiezing, een uitzonderlijke liefkozing, die God op een
bepaald moment doet voelen, maar die van eeuwigheid al in zijn geest was.»5 Het is inderdaad een grote eer en een grote zegen
van God voor dat gezin.
4.2 Als iemand zijn hart geheel aan God geeft, wordt dit hem teruggegeven,
jeugdiger en groter, met een groter vermogen anderen te beminnen. Dan wordt de
liefde voor zijn ouders, broers en zussen verrijkt door de passage door het
Hart van Christus.
De heilige Thomas van Aquino wijst erop dat Jakobus en
Johannes wegens het volgen van Christus en het verlaten van hun vader werden
geprezen. Zij werden niet geprezen omdat Hij hen ertoe had gebracht iets
verkeerds te doen, maar omdat «zij zich ervan bewust werden dat hun vader in
staat zou zijn, zijn leven op een andere manier te leven terwijl zij Christus
volgden.»6 De Meester kwam voorbij en riep hen,
en vanaf dat ogenblik verbleekte al het andere tot iets onbetekenends. In de
hemel zullen hun ouders ongetwijfeld een bijzondere beloning hebben ontvangen,
in belangrijke mate dankzij het antwoord van hun zonen op de goddelijke oproep.
Een roeping is een zegen en een groot goed voor alle betrokkenen.
Roeping is het initiatief van God; Hij weet goed wat het
beste is voor de geroepen persoon en voor zijn familie. Vele ouders aanvaarden
de wil van God met vreugde en onvoorwaardelijk en zijn gelukkig als één van hun
kinderen wordt geroepen Christus te volgen. Toch zijn er ook die heel anders
reageren; om verscheidene redenen, sommige logisch en te begrijpen, en andere
gekleurd door zelfzucht. Met het excuus dat hun kinderen te jong zijn om Gods
roep te beantwoorden -ofschoon niet te jong om andere verplichtingen op zich te
nemen- of dat zij de nodige ervaring missen, veroorloven zij zich toe te geven
aan de bekoring waar paus Pius xi
op doelde: «Zelfs onder hen die op het katholieke geloof pochen, is er geen
gebrek aan ouders die zich niet neerleggen bij de roeping van hun kinderen en,
elk mogelijk soort van argument naar voren brengend, zonder scrupules tegen de
goddelijke roepstem vechten. Zij zijn zelfs in staat middelen te gebruiken die
niet alleen de roeping tot een meer volmaakte staat schaden, maar het geweten
zelf en het eeuwige heil van hen die hun meest beminden zouden moeten zijn.»7 Zij vergeten dat zij de 'medewerkers' van God zijn
en dat hun kinderen vroeger of later het huis toch zullen verlaten, ofwel om
hun eigen gezin te stichten, ofwel vanwege werk of studie. Meestal is het geen
ramp als jongelui het ouderlijk huis verlaten; soms zijn het de ouders zelf
die, voor het bestwil van de kinderen, de eersten zijn die er de hand in hebben
dat het gebeurt. Waarom zouden ze dan moeilijk doen wanneer een van hen
Christus wil volgen? «Christus trekt nooit mensen uit elkaar.»8
4.3 Goede ouders willen altijd het beste voor hun kinderen. Aangezien zij
in staat zijn grote offers te brengen voor hun materiële welvaart, waarom dan
ook niet voor hun bovennatuurlijk welzijn? Zij offeren zich op zodat hun
kinderen gezond opgroeien, goed kunnen studeren en goede vrienden hebben; en
ook zo dat zij een leven leiden zoals God dat wenst, christelijk en eerzaam.
Dit is de zending waartoe God de ouders in het huwelijk heeft geroepen -de
opvoeding van hun kinderen. Het is de uitdrukkelijke wil van God voor hen, en
een gevolg van de natuurwet.
In het evangelie vinden we veel smeekbeden ten voordele van
kinderen: de vrouw die volhardend Jezus volgt totdat zij genezing van haar
dochter verkrijgt9; de vader die vraagt dat de
duivel, die zijn zoon pijnigt, wordt uitgebannen10;
Jaïrus, de overste van de synagoge van Kafarnaüm, die gespannen de Heer opwacht
omdat zijn twaalfjarig dochtertje op sterven ligt.11
We bewonderen de vastberadenheid van de moeder van Jakobus en Johannes, die de
Heer benadert om Hem iets te vragen dat zij zelf niet zouden durven vragen.
Zonder aan zichzelf te denken nadert zij tot Jezus, en voor Hem knielend vroeg zij Hem iets.12 Hoeveel vaders en moeders hebben door de eeuwen
heen niet voor hun kinderen bijzondere gunsten gevraagd waarvan ze niet
gedroomd zouden hebben die voor zichzelf te vragen? De Heer, die dit bewijs van
genegenheid begrijpt, verwerpt het niet, maar in plaats daarvan wendt Hij zich
tot de twee zonen en belooft hun de grootste eer die iemand kan ontvangen: de
uitnodiging om zijn eigen beker met Hem te delen, zijn eigen bestemming, zijn
eigen zending.
Ouders behoren het beste voor hun kinderen te vragen, en het
beste voor hen is de weg te volgen die God voor hen heeft voorzien. Dit is het
grote geheim om op aarde gelukkig te zijn en de onbegrensde vreugde van de
hemel te verwerven. Maar de roeping tot ongehuwde zuiverheid om liefde tot God
is de meest verheven van alle roepingen. «De Kerk heeft gedurende heel haar geschiedenis
steeds de voortreffelijkheid van deze gave verdedigd boven de genade van het
huwelijk, wegens de volstrekt uitzonderlijke band die het heeft met het Rijk
Gods.»13 Hoeveel roepingen tot een volledige overgave heeft
God niet aan kinderen gegeven wegens de edelmoedigheid en het gebed van hun
ouders! In feite maakt de Heer gewoonlijk gebruik van ouders om een geschikte
omgeving te scheppen waarin het zaad van de roeping kan ontwikkelen en opbloeien.
«Christelijke echtgenoten zijn voor elkaar, voor hun kinderen en voor de andere
familieleden medewerkers aan hun aller heil en getuigen van het geloof. Zij
zijn de eersten om het geloof aan hun kinderen over te dragen en hen op te
voeden in dat geloof; door woord en voorbeeld vormen zij hen tot een
christelijk en apostolisch leven, bij de beroepskeuze helpen zij hen met
wijsheid en wanneer zij eventueel in hen een geestelijke roeping ontdekken,
moeten zij die met alle zorg begeleiden.»14 Meer
kunnen zij niet doen, want het is hun taak niet om uit te maken of hun kinderen
een roeping hebben of niet. Hun taak is het om hen te helpen hun geweten goed
te vormen en hen in staat te stellen hun eigen weg te ontdekken zonder hen
onder druk te zetten.
Een roeping in een gezin is een bijzonder teken van Gods
liefde en vertrouwen voor al zijn leden. Het is een voorrecht en een grote
schat die beschermd moet worden, in het bijzonder met gebed. God zegent de
plaats waar een trouwe roeping wordt geboren: «het is geen offer om je kinderen
aan de dienst van God te geven; het is een eer en een vreugde.»15
-1. Mt
10,34-11,1. -2. Lc
2,49. -3. Vgl. The Navarre
Bible, aantekeningen bij Mt 10,34-37 en Lc 2,49. -4. H. Bernardus, Brieven, 3,2. -5. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 18. -6. H.
Thomas van Aquino, Summa
Theologiae, II-II, q101, a4, ad1. -7. Pius
xi, Enc. Ad
catholici sacerdotii, 20 december 1935. -8. Vgl. H. Jozefmaria
Escrivá, De Voor, 23. -9. Vgl. Mt 15,21-28. -10. Vgl. Mt 17,14-20. -11. Vgl. Mt 9,18-26. -12. Mt 20,20. -13. Johannes Paulus ii, Apost. exhort. Familiaris consortio, 16.
-14. Vaticanum ii, Decr.
Apostolicam actuositatem, 11.
-15. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 22.
|