Kerstijd.
25 december
Hoogfeest van Kerstmis
30. OVERWEGING BIJ HET KERSTFEEST
-In Bethlehem wilden ze Christus niet ontvangen. Ook
nu willen veel mensen Hem niet ontvangen. -Geboorte van de Messias. De
'leerstoel' van Bethlehem. -Aanbidding van de herders. Nederigheid en eenvoud om Christus in ons leven te herkennen.
30.1 In die
dagen kwam er een besluit van keizer Augustus, dat er een volkstelling gehouden
moest worden in heel zijn rijk.1
Nu, in onze dagen, kunnen
wij helder zien dat dat besluit, dat decreet van de keizer van Rome deel
uitmaakte van de voorzienigheid van God. Daardoor gingen Maria en Jozef naar
Bethlehem en daar zou Jezus geboren worden, zoals al eeuwen tevoren voorspeld
was.2 De
heilige Maagd wist dat de geboorte op handen was. Zij ondernam die reis met
haar gedachten bij de Zoon die geboren zou gaan worden in de stad van David.
Zij kwamen aan in
Bethlehem met de vreugde eindelijk in de stad van hun voorouders te zijn en met
de vermoeidheid van een reis van vier of vijf dagen over wegen die in slechte
staat verkeerden. Maria in haar gezegende omstandigheden moet toen wel heel moe
geweest zijn. En in Bethlehem vonden zij geen onderkomen. Er was voor hen geen
plaats in de herberg3,
merkt de heilige Lucas droog op. Misschien vond de heilige Jozef de herberg die
boordevol mensen was, geen passende plaats voor Onze Lieve Vrouw, zeker in haar
toestand. De heilige Jozef moet aan heel veel deuren aangeklopt hebben, voordat
hij Maria direct buiten de stad naar een verblijfplaats voor vee bracht. Laten
we ons dat tafereel eens goed voor ogen halen. Keer op keer legt Jozef, met
groeiende bezorgdheid, de situatie uit. Steeds hetzelfde verhaal: 'Wij komen
uit Nazareth...'. Een paar meter verderop kijkt Maria naar Jozef en hoort de
mensen weigeren. Zij lieten Christus niet binnen. Zij sloten de deuren. Maria
had verdriet om Jozef, en om die mensen. Wat kil is de wereld tegenover haar
God.
Misschien heeft Maria wel
aan Jozef voorgesteld zich voorlopig maar een verblijf te maken in een van die
grotten die zich in de buurt van het stadje bevonden. Zij heeft Jozef misschien
zoiets gezegd als: 'Doe dat maar wel; maak je geen zorgen; alles zal wel
terechtkomen...'. Jozef zal door deze woorden van Maria wel getroost en gesterkt
zijn en naar zijn jonge vrouw geglimlacht hebben. Zo richtten zij zich daar een
verblijf in met de spullen die zij uit Nazareth meegebracht hadden: de doeken
en windsels, een bepaalde doek die Maria gemaakt had met de gedachten die
alleen een moeder kan hebben over haar eerstgeborene...
Zo vond de grootste gebeurtenis van de hele geschiedenis der
mensheid plaats, in volstrekte eenvoud: Terwijl zij daar verbleven, -zegt de evangelist Lucas- brak het uur
aan waarop zij moeder zou worden.4 Met onvoorstelbare liefde wikkelde Maria
Jezus in doeken en legde Hem neer in een kribbe.
Maria had een volmaakter
geloof dan ieder ander, zij had het volmaaktste geloof dat bestond. Elk gebaar,
elke handeling van haar was een uiting van dat geloof en van haar tederheid. Zij zal zijn voeten wel gekust hebben, omdat Hij
haar Heer was. Zij zal Hem wel innig gekust hebben, omdat het haar Kind
was. Zij zal wel heel lang naar Hem gekeken hebben. Daarna heeft zij vast en
zeker haar Kind in de armen van Jozef gelegd. Deze wist heel goed dat het de
Zoon van de Allerhoogste was, het Kind voor wie hij zou moeten zorgen, dat hij
zou moeten beschermen en een vak leren. Het hele leven van Jozef is gericht op
dit weerloze Kind.
Jezus is net geboren en
kan nog niet praten, maar Hij is het eeuwige Woord van de Vader. Er wordt wel
gezegd, dat de kribbe een katheder, een leerstoel, is. Vooral vandaag is het
goed «de lessen bij te wonen die Jezus geeft al sinds Hij kind is, pas geboren,
sinds zijn ogen zich openden op deze gezegende mensenwereld.»5 Hij wordt arm
geboren en Hij leert ons, dat het geluk niet gelegen is in een overvloed aan
bezit. Hij komt ter wereld zonder enige pracht en praal en zet ons aan, nederig
te zijn en niet afhankelijk van de bijval van mensen. «God vernedert zich,
opdat wij naar Hem toe kunnen gaan, opdat onze liefde een adequaat antwoord kan
zijn op zijn liefde, opdat onze vrijheid zich niet alleen voegt naar het
vertoon van zijn macht, maar ook naar het wonder van zijn nederigheid.»6
Laten we nu ons voornemen
de deugden van onthechting en nederigheid te beoefenen. Laten we opzien naar
Maria en zien hoe zij vol blijdschap is. Zij weet dat er voor de mensheid een
nieuw tijdperk aangebroken is: de tijd van de Messias, haar Zoon. Vraag haar om
nooit de blijdschap te hoeven verliezen vlak bij haar Zoon te zijn.
30.2 Jezus,
Maria en Jozef zijn alleen. God echter zoekt eenvoudige mensen om hen
gezelschap te houden. Een paar herders. Misschien «omdat eenvoudigen verstaan /
wat door geen ingewikkeld zoeken / noch lezen in geleerde boeken / begrepen
wordt of nagegaan, / zijn herders toen in uwen stal / geknield en hebben U
aanbeden...», zoals Anton van Duinkerken het onder woorden bracht. Deze nederigen
van hart waren niet geschrokken hun Messias, hun Redder, hun Vredevorst
uiteindelijk in een grot te vinden, in een krib, in doeken gewikkeld. De
profeet Jesaja heeft het over die herders uit de streek rond Bethlehem, als hij
zegt: Het volk dat ronddwaalt in duisternis, ziet dan een helder licht.7 In de hoogheilige nacht wordt deze profetie alleen
vervuld in de herders. Zij zagen een groot licht, de glorie des Heren
omstraalde hen.8 En de
engel sprak tot hen: Vreest niet, want zie, ik verkondig u een blijde boodschap
die bestemd is voor het hele volk. Heden is u een Redder geboren: Christus de
Heer.9
Die nacht waren zij de
eersten en de enigen die dat wisten. «Maar vandaag weten miljoenen mensen
verspreid over de hele wereld het. Het licht van die nacht in Bethlehem heeft
het hart van vele mensen bereikt. Toch blijft tegelijkertijd de duisternis. En
vaak lijkt die duisternis zelfs dichter [...]. De mensen die die nacht het licht
ontvingen, ervoeren een grote blijdschap. De blijdschap die voortspruit uit het
licht. De duisternis van de wereld overwonnen door het licht van de geboorte
van God [...].
»Het doet er niet toe, dat
in die eerste nacht, de nacht van de geboorte van God, de blijdschap van die
gebeurtenissen slechts een paar harten bereikte. Dat is niet van belang. Die
blijdschap is bestemd voor alle mensenharten. Het is in wezen de blijdschap van
het menselijk geslacht, een bovenmenselijke blijdschap. Zou er buiten de
blijdschap die er was een grotere hebben kunnen zijn, zou er groter Nieuws
hebben kunnen bestaan dan dit: God heeft goedgevonden dat de mens veranderd
wordt in zijn Kind, in deze Zoon van God die mens geworden is!»10
God wilde toen, dat deze
herders de eerste brengers van het goede nieuws zouden zijn: zij gingen heen en
maakten bekend wat hun over dit Kind gezegd was. Allen die het hoorden,
stonden verwonderd over hetgeen de herders hun verhaalden.11 Op dezelfde
wijze openbaart Jezus zich aan ons in ons dagelijks leven. En om bij Hem te
komen hebben wij ook gesteldheden als eenvoud en nederigheid nodig. Het is
mogelijk dat Hij ons in de loop van ons leven tekens geeft die, met mensenogen
gezien, niets zeggen. Let erop Christus te ontdekken in de eenvoud van het
alledaagse, gewikkeld in doeken, in een kribbe gelegd, zonder pracht en
praal. En ieder die Christus ziet, voelt zich gedreven Hem direct bekend te
maken. Dat kan niet wachten. De herders waren natuurlijk niet zonder geschenken
voor de pasgeborene op weg gegaan. In de oosterse wereld van toen was het
ondenkbaar dat iemand zich vervoegde bij een verheven persoon zonder een of
ander geschenk. Zij brachten mee wat zij
bij de hand hadden, zoals deze herder: «Hij zei: De engelen zongen zo blij, /
dus al wat ik heb, ik geef het vrij. / Hier, Jezus, hebt U mijn fluit en mijn
jas, / mijn broek, mijn fles en mijn herderstas.»12 En anderen brachten een lam, kaas, boter,
melk, wrongel... Naar alle waarschijnlijkheid is het niet onjuist ons dat
tafereel voor te stellen zoals de ontelbare kerststalletjes doen, of zoals we
het kennen uit de kerstliedjes die de gelovigen als kinderen zingen en die
velen van ons, misschien, als gebed gebruiken.
Maria en Jozef vragen,
verbaasd en blij, de verlegen herders binnen te komen, naar het Kind te kijken,
het te kussen, voor het Kind te zingen. En dan leggen zij hun geschenken bij de
kribbe neer. Wij kunnen evenmin naar de stal van Bethlehem gaan zonder een
geschenk mee te brengen. Maria zal misschien wel erg blij zijn met een ziel die
zich meer overgeeft, zuiverder is, meer verblijd, want zich bewust van haar
goddelijke afstamming, beter voorbereid door een berouwvolle biecht zodat de
Heer meer ten volle bij ons zijn intrek neemt. Die biecht waarvan God zo vaak
hoopt dat je er haast mee maakt...
Maria en Jozef zijn daar
en vragen ons binnen te komen. En als we eenmaal binnen zijn, zeggen we Jezus
samen met de Kerk: «Koning der wereld die de herders in doeken gewikkeld
vonden, help ons altijd uw armoede en eenvoud na te volgen.»13
30.3 Laat
de hemelen zich verblijden en de aarde juichen voor het aanschijn van de Heer,
want Hij is gekomen.14 «We
hebben zojuist een boodschap gehoord die overvloeit van blijdschap en die alle
erkentelijkheid waardig is: Christus Jezus, de Zoon van God, is geboren in
Bethlehem, stad van Juda. Deze aankondiging doet mij huiveren, doet mijn geest
van binnen branden, en zet mij, zoals altijd, ertoe aan u deze blijdschap en
jubel mee te delen», verkondigt de heilige Bernardus.15 Venite adoremus, kom, ga allemaal mee om Jezus
te zien en te aanbidden, want wij hebben Hem allemaal nodig. «Geen ander gaan, dan
gaan naar Hem. / Geen ander doel dan Bethlehem. / Dat zij mijn uitverkoren
reis.» Dat zingt een bekend Spaans kerstlied en het zegt ons, dat geen weg die
wij gaan de moeite waard is, als deze niet naar het Kind van God voert.
«Onze Zaligmaker is vandaag
geboren. Voor droefheid is geen plaats op de geboortedag van het Leven. Weg is
de vrees voor de dood: dit Leven stort ons blijdschap in, met zijn belofte van
eeuwigheid. Niemand wordt van deze vreugde uitgesloten, allen bezitten
evenveel reden tot blijdschap: want de Heer die zonde en dood vernietigt, is
gekomen om allen te bevrijden nu Hij niemand zonder schuld vindt. Heilige,
verheug u, uw beloning is nabij. Zondaar, wees blijde, verzoening wordt u
aangeboden. Heiden, schep moed, men roept u tot het leven. Immers, Gods Zoon
heeft bij de volheid van de tijd [...] de menselijke natuur aangenomen om deze te
verzoenen met haar Schepper.»16 Dat is voor allen de bron waaruit, als bij een buiten
zijn oevers tredende rivier, de blijdschap van deze feesten stroomt.
Laten we deze kerstdagen
met jubelende stem zingen, omdat de liefde in ons haar intree heeft gedaan tot
aan het einde der tijden. De aanwezigheid van
het Kerstkind is de liefde onder de mensen. De wereld is niet langer een
duistere verblijfplaats. Wie liefde zoekt,
weet waar die te vinden is. En liefde is dat, wat iedere mens wezenlijk
nodig heeft; ook die mensen die doen alsof zij in alles al verzadigd zijn.
Als wij vandaag ergens een
Kerstkindje kussen of naar een stalletje kijken, of dit grote geheim overwegen,
laat ons dan God danken voor zijn verlangen naar ons af te dalen om gekend en
bemind te worden. En laten wij besluiten ook als kinderen te worden om zo ooit
in het hemelrijk binnen te kunnen gaan. En aan het slot van dit gebed zeggen we
God onze Vader: Wij bidden U, neem ons op in het goddelijk leven van Hem die
vandaag ons mens-zijn heeft willen delen: Jezus Christus, onze Heer.17
Heilige Maria, moeder van
God, bid voor ons.
-1.
Evangelie uit de Nachtmis, Lc 2,1-14. -2. Mi 5,1 e.v. -3. Lc
2,7. -4. Lc 2,6. -5. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 14. -6. Ibidem.
-7. Jes 9,2. -8. Lc 2,9. -9. Lc 2,10-11. -10. Johannes Paulus ii, Homilie
in de nachtmis van 1980. -11 Lc 2,17-18. -12. Gabriël Smit, De vrolijke herder, naar een zestiende
eeuws Engels handschrift. -13. Gebed uit de Lauden van 5 januari. -14. Offertorium
van de Nachtmis. -15. H. Bernardus,
In Nativitate Domini, sermo VI, over de aankondiging van Kerstmis, 1.
-16. H. Leo de Grote, Preek I
over de Geboorte van de Heer, 1-3. -17. Gebed uit de Dagmis.
|