Zesde zondag door het jaar (C)
45. Persoonlijke nederigheid en
vertrouwen op God
-Alleen de nederige kan waarlijk op de Heer
vertrouwen. -De grote hindernis is de hoogmoed. Uitingen daarvan. -Zich oefenen
in de deugd van nederigheid.
45.1 Heer, wees mij tot onneembare
rots, tot een burchtmuur die mij beveiligt..., bidden
we in de introïtus van de mis van vandaag.1 Hij is de kracht en de zekerheid tussen
alle zwakheid die we in onszelf en om ons heen aantreffen. Hij is ons krachtige
houvast op ieder ogenblik, op elke leeftijd en in elke omstandigheid. Gezegend is hij die op Jahwe vertrouwt en zich
veilig weet bij Hem, zegt de profeet Jeremia ons in
de eerste lezing. Hij is als een boom
die aan een rivier staat en wortels heeft tot in het water. Hij heeft geen
last van de hitte, zijn blad blijft groen. Komt er een tijd van droogte, het
deert hem niet; altijd blijft hij vrucht dragen.2 Daarentegen is vervloekt hij die op mensen vertrouwt, die bouwt op
een schepsel en zich afkeert van de Heer. Zijn
leven zal onvruchtbaar zijn zoals een
kale struik in de steppe.
Tot U roep ik, Heer die
mijn rots zijt: persoonlijke nederigheid en
vertrouwen in God gaan altijd hand in hand. Alleen de nederige zoekt zijn geluk
en zijn kracht bij de Heer. Een van de redenen waarom hoogmoedigen zo vurig erop uit zijn geprezen te worden, zichzelf overschatten
en zich gekrenkt voelen door het minste of geringste dat hen in hun eigen
achting of in die van anderen kan verlagen, is het gebrek aan innerlijke
sterkte. Zij hebben geen ander steunpunt, geen hoop op geluk dan in zichzelf.
Daarom zijn zij vaak overgevoelig voor de minste kritiek, doen zij alles om
hun wil door te drijven, verlangen zij ernaar bekend te zijn en zoeken zij de
achting van anderen. Ze doen als een schipbreukeling die zich vastklampt aan
een dunne plank die hem niet kan houden. En wat ze in hun leven ook bereikt
hebben, zij zijn altijd onzeker, onvoldaan, hebben nooit vrede. Zo iemand, die
niet nederig is en geen vertrouwen heeft in God, zijn Vader die steeds weer
zijn handen naar hem uitstrekt, zal op dorre woestijngrond staan, in een
onvruchtbaar gebied, waar niemand woont, zoals ons
in de liturgie van de mis van vandaag verteld wordt. De hoogmoedige is
onverzadigbaar, nooit tevreden en zal nooit echte vrede en geluk kennen.
De christen stelt zijn hoop op God. Hij kent en
aanvaardt zijn eigen zwakheid, vertrouwt niet te zeer op zijn eigen kracht. Hij
weet dat hij bij alles wat hij doet alle mogelijke menselijke middelen moet
aanwenden, maar hij weet ook goed, dat hij in de eerste plaats op zijn gebed
moet rekenen. Hij erkent en aanvaardt vol vreugde, dat hij alles wat hij bezit
van God heeft ontvangen. Nederigheid bestaat niet zozeer in het verachten van
zichzelf -omdat God ons niet veracht, daar wij het werk van zijn handen zijn-,
maar in het vergeten van zichzelf en in oprechte bezorgdheid voor anderen.
Innerlijke eenvoud leidt ons tot het bewustzijn dat we kinderen van God zijn.3 «Wanneer we
denken dat alles voor onze ogen in elkaar stort, zal er niets instorten, quia tu es, Deus, fortitudo mea, want Gij, God, zijt mijn sterkte (Ps. 43,2). Als God in onze ziel woont,
is al het overige -hoe belangrijk het ook lijkt- bijzaak, voorbijgaand.
Daarentegen zijn wij, in God, het blijvende.»4 Midden in onze zwakheid -in welke vorm
die zich ook aandient- voelen wij ons bij God, in een onverwoestbare sterkte.
45.2 De grootste hindernissen die de ziel
tegenkomt om Christus te volgen en anderen te helpen, liggen in een ongeordende
eigenliefde, die soms leidt tot overschatting van de eigen krachten en andere
keren tot moedeloosheid en wanhoop bij het zien van de eigen fouten en
gebreken. Hoogmoed openbaart zich vaak in een inwendige alleenspraak, waarin de
eigen belangen overdreven en opgeblazen worden: het eigen 'ik' wordt steeds
voorop geplaatst. In een gesprek brengt de trots iemand ertoe over zichzelf en
zijn eigen zaken te praten en ten koste van alles de achting van anderen te
zoeken. Sommigen streven ernaar hun eigen mening te handhaven, terecht of ten
onrechte. Ze laten geen enkele fout van een ander onverbeterd passeren, en ze
maken een harmonieus samenleven moeilijk. De slechtste vorm om de eigen waarde
te benadrukken is anderen in diskrediet trachten te brengen. Trotse mensen
horen niet graag dat anderen geprezen worden en ze staan altijd klaar om de
gebreken te ontdekken van iedereen die boven de middelmaat uitkomt. Typerend
voor hen is dat zij geen tegenspraak of verbetering dulden.5
Wie vervuld is van trots lijkt God niet erg
nodig te hebben in zijn werk, bij wat hij onderneemt en zelfs niet in zijn
ascetische strijd om beter te worden. Hij overdrijft zijn bekwaamheden, sluit
zijn ogen voor zijn tekortkomingen en beschouwt tenslotte als een goede
kwaliteit wat in werkelijkheid een gebrek is. Hij overtuigt zich, bij
voorbeeld, dat hij ruimhartig denkt en edelmoedig is, omdat hij zich niet veel
gelegen laat liggen aan de kleine verplichtingen van elke dag en vergeet dat
men, om trouw te zijn in het grote, ook trouw moet zijn in het kleine. Zo gaat
hij zich verheven voelen en anderen met meer deugden dan hij minachten.6
De heilige Bernardus onderscheidt verschillende
stadia van de hoogmoed: nieuwsgierigheid -alles van anderen willen weten-;
oppervlakkigheid door gebrek aan diepgang in zijn gebed en in zijn doen en
laten; dwaze en misplaatste vreugde, vaak gevoed door de gebreken van anderen,
die bespottelijk worden gemaakt; grootspraak; het verlangen op te vallen;
arrogantie; aanmatiging; het niet erkennen
van de eigen fouten, zelfs als ze overduidelijk zijn; het verdoezelen van de
fouten tijdens de biecht...
De hoogmoedige ziet niet graag hoe hij echt is.
Laten we in ons gebed van vandaag nagaan of we de deugd van de nederigheid naar
waarde schatten, of we deze dikwijls aan God vragen, of we ons voortdurend
ervan bewust zijn hoezeer wij de hulp van God onze Vader nodig hebben, in de
grote en in de kleine dingen. O, God -zeggen we met
de psalmist- mijn God, naar U blijf ik zoeken; mijn ziel dorst van verlangen naar U;
al wat ik ben smacht naar U in een troosteloos dor land zonder water.8 Dit kan in de loop van deze dag ons schietgebed zijn.
45.3 Zichzelf vergeten is een onmisbare voorwaarde om heilig te worden;
alleen dan kunnen we naar God opzien als naar ons absolute Goed, en bezitten we
het vermogen ons over anderen te bekommeren. Met het gebed -het eerste middel
dat we altijd moeten aanwenden- moeten we ons ook in de deugd van nederigheid
oefenen, bij ons doen en laten, in het gezinsleven, als we alleen zijn... altijd.
We moeten trachten ons niet te veel in beslag te laten nemen door onze persoonlijke zaken: gezondheid,
rust, of men ons acht en waardeert, of men rekening met
ons houdt. We moeten proberen
niet te veel over onszelf te praten of over onze eigen
aangelegenheden, over wat ons in een goed daglicht plaatst. Laten we niet
nieuwsgierig zijn en alles willen weten. We hoeven ook niet aan iedereen te
laten weten dat wij iets weten. Laten we geduldig en met een goed humeur
tegenslagen aanvaarden en die vreugdevol aan de Heer aanbieden. Laten we onze
eigen mening niet opdringen, tenzij de waarheid of gerechtigheid dit vereist,
en laten we dan kalm, maar wel standvastig zijn. We moeten over de fouten van
anderen heen stappen, ze verontschuldigen en hen met fijngevoelige liefde
helpen ze te overwinnen. We zullen een vermaning aanvaarden, zelfs als ze niet
terecht lijkt; laten we soms toegeven aan de wil van anderen, als tenminste
naastenliefde of plicht niet in het spel zijn. Laten we nooit opscheppen over
talenten, bezit of kennis... Laten we aanvaarden, dat we geminacht worden of niet
geraadpleegd op een gebied waarop we over meer kennis of ervaring menen te
beschikken. We zoeken geen aanzien of bewondering, en hechten niet aan
lofprijzing en eerbetoon. We streven wel naar een groter beroepsprestige, maar
dan omwille van God, en niet uit trots of om op te vallen.
We zullen in deze deugd vooral groeien wanneer
we vernederd worden en dat vreugdevol omwille van Christus dragen.9 Minachting maakt ons blij en onze eigen gebreken dragen wij met
geduld. Bij het tabernakel prijzen wij onze zwakheden aan en wij bidden er de
Heer om zijn genade en vragen Hem bij ons te blijven. Nogmaals erkennen we dat
alles wat goed is in ons, alleen van Hem komt. Wat van onszelf komt, belemmert
de Heilige Geest ons te vervullen met zijn gaven. We zullen nederig leren zijn
in de omgang met Jezus en Maria. Veelvuldige overweging van het Lijdensverhaal
zal ons brengen tot de beschouwing van Christus, die om onzentwille tot het
uiterste toe werd vernederd en mishandeld; daar zal onze liefde en een oprecht
verlangen om Hem na te volgen worden ontstoken.
Het voorbeeld van onze Moeder Maria, Ancilla Domini, de Dienstmaagd des Heren, zal ons de deugd van nederigheid doen
beoefenen. Tot haar richten wij ons aan het einde van ons gebed, aangezien «zij
tegelijkertijd een moeder is van barmhartigheid en van tederheid, tot wie
niemand tevergeefs zijn toevlucht heeft gezocht. Leg je vol vertrouwen in haar
moederlijke schoot; bid haar die deugd voor jou te verkrijgen die zij zo
hooggeacht heeft; wees niet bang dat je niet verhoord wordt, want Maria zal je
verzoek bij God brengen die de nederigen verheft en de trotsen neerwerpt; en
aangezien Maria almachtig is bij haar Zoon zal ze zeker verhoord worden.»10
-1. Introïtus, Ps 30-3. -2. Jer 17,78. -3. E. Boylan, This Tremendous Love. -4. H. Jozefmaria
Escrivá, Vrienden van God, 92. -5. E. Boylan, o.c.-6. R. Garrigou-Lagrange o.p., Het zieleleven van den christen, I. -7. H. Bernardus, Over de graden van de
nederigheid, 10. -8. Ps 63,2. -9. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 594. -10. G. Pecci (Leo xiii), De practijk van de nederigheid, 85-86.
|