Maandag in de Goede Week
Het Lijden van onze Heer
41. PETRUS VERLOOCHENT DE HEER
-De heilige Petrus zegt de Heer niet te kennen. Onze
verloocheningen. -De blik van Jezus en het aangrijpende berouw van Petrus.
-Echt spijt hebben. Oefeningen van berouw.
41.1 Terwijl het proces
tegen Jezus voor het Sanhedrin voortgaat, vindt de droevigste gebeurtenis in
het leven van Petrus plaats. Hij die alles achtergelaten heeft om onze Heer te
volgen, die zoveel wonderen gezien heeft, zoveel blijken van genegenheid
ontvangen heeft, verloochent Hem nu vierkant. Hij voelt zich in de hoek
gedreven en verklaart onder ede Jezus niet te kennen.
Terwijl
Petrus zich beneden op de binnenplaats bevond, kwam daar één van de
dienstmeisjes van de hogepriester; toen zij Petrus zag die zich zat te warmen,
keek ze hem eens aan en zei: 'Jij was ook bij Jezus de Nazarener'. Maar hij
ontkende het: 'Ik weet niet, ik begrijp niet wat je bedoelt.' En terwijl hij
wegging naar het poortgebouw, kraaide een haan. Maar toen het meisje hem daar
opmerkte, verzekerde ze nog eens aan de omstanders: 'Die is er ook een van'.
Hij ontkende het opnieuw. Even daarna zeiden de omstanders op hun beurt tot
Petrus: 'Waarachtig, jij bent er ook een van; je bent toch een Galileeër?' Toen
begon hij te vloeken en te zweren: 'Ik
ken die man niet over wie jullie het hebben'.1
Hij heeft gezegd zijn Heer niet te kennen, en daarmee ontkent
hij ook de diepe zin van zijn bestaan: apostel te zijn, getuige van het leven
van Christus, belijden dat Christus is de Zoon van de levende God. Zijn eerzaam
leven, zijn roeping tot apostel, de verwachtingen die God van hem had, zijn
verleden, zijn toekomst: alles is ingestort. Hoe is het mogelijk dat hij zegt ik
ken die mens niet!
Een paar jaar eerder deed Jezus een wonder dat voor Petrus
een bijzondere en diepe betekenis had. Bij het zien van de wonderbare visvangst
-de eerste- begreep Petrus alles, hij viel Jezus te voet en zei: 'Heer, ga
weg van mij, want ik ben een zondig mens'. Ontzetting had zich meester gemaakt
van hem.2 Het
lijkt alsof hij in een seconde alles duidelijk gezien heeft: de heiligheid van
Christus en zijn eigen zondigheid. Zwart wordt gezien als contrast van wit,
donker naast licht, vuiligheid naast zuiverheid, de zonde in contrast met
heiligheid. Op dat moment, toen zijn lippen slechts zeiden dat hij omwille van
zijn zonden niet waardig was bij de Heer te blijven, vroegen zijn ogen en zijn
hele houding nooit van Hem gescheiden te worden. Dat was een heel gelukkige
dag. Dat was werkelijk het begin van alles: Wees niet bevreesd, voortaan
zult ge mensen vangen. Ze brachten hun boten aan land en lieten alles achter om
Hem te volgen.3 Vanaf
dat moment had het leven van Petrus een geweldig doel: Jezus liefhebben en mensenvisser
te zijn. Al het overige zal een hulpmiddel en werktuig zijn voor dat doel.
En nu, uit zwakte, meegesleept door vrees en menselijk opzicht, is Petrus
ingestort.
De zonde en ontrouw zijn altijd in meerdere of mindere mate
een verloochening van Christus en van het edelste dat er in onszelf is, de
hoogste idealen die de Heer in ons gezaaid heeft. De zonde is de grootste
ineenstorting van de mens. Daarom moeten we altijd, geholpen door de genade,
standvastig strijden om elke zware zonde te vermijden -die uit verdorvenheid,
zwakheid, schuldige onwetendheid wordt bedreven- en elke weloverwogen
dagelijkse zonde.
Ook uit onze zonden moeten
we echter, als we zo ongelukkig zijn daartoe te vervallen, voordeel weten te
trekken, want berouw stelt de vriendschap met de Heer ten zeerste veilig. Onze
fouten behoeven ons nooit te ontmoedigen als we ons nederig gedragen. Oprechte
spijt is altijd de gelegenheid voor een nieuwe ontmoeting met de Heer, waar
onverwachte gevolgen aan verbonden kunnen zijn voor ons innerlijk leven. Als
wij zondigen moeten we naar de Heer terugkeren zo vaak als maar nodig is, zonder benauwdheid, maar wel
met verdriet. «Petrus heeft er een uur
over gedaan om te vallen; maar het kostte hem maar een enkele minuut om op te
staan en zich hoger op te richten dan voor zijn val.»4 De hemel zit vol grote zondaars die erin slaagden
berouw op te wekken. Jezus ontvangt
ons altijd en Hij verheugt zich wanneer we weer de weg inslaan die we, misschien in kleine dingen,
verlaten hebben.
41.2 De Heer is, mishandeld,
naar een hof gevoerd. Toen keerde Hij zich om en keek Petrus aan.5 «Hun blikken kruisten elkaar. Petrus had wel zijn
hoofd willen afwenden, maar hij kan zijn ogen niet losmaken van Hem die hij
toch een moment tevoren verloochend had. Hij kent de blikken van de Heer goed:
die onweerstaanbare blik vol gezag en betovering die zijn roeping bepaalde; en
die liefdevolle blik van de Meester op de dag waarop Hij, zijn leerlingen
aanziend, zei: 'Zij zijn mijn broeders, mijn zusters en mijn moeder'. En dan
die blik die hem had doen beven toen hij, Petrus, het Kruis van de weg van
Jezus had willen wegnemen! En de manier waarop Hij vol liefde en mededogen de
jongeling aankeek die te rijk was om Hem te volgen! En de blik vol tranen voor
het graf van Lazarus... Ja, hij kent de blikken van de Verlosser!
»En toch heeft hij op het
gezicht van de Heer nooit de uitdrukking gezien die hij er op dit moment op
ontdekt, zijn ogen doordrenkt van
droefheid, maar zonder enige strengheid. Ongetwijfeld een verwijtende blik, maar een die tegelijkertijd smeekt en
schijnt te herhalen: 'Simon, Ik heb voor je gebeden!' Die blik is maar een kort
ogenblik op hem blijven rusten; Jezus werd ruw door de soldaten meegesleept,
maar Petrus kan Hem nog steeds zien.»6
Hij ziet die
vergevensgezinde blik gericht op de diepe wond van zijn schuld. Hij begreep
toen de ernst van zijn zonde, en het vervuld zijn van de voorspelling van de
Heer met betrekking tot zijn verraad. En Petrus begreep de woorden van de Heer:
eer vandaag een haan kraait, zult gij Mij drie maal verloochenen. En hij
ging naar buiten en weende bitter.7 Het naar buiten gaan «was het belijden van zijn
schuld. Hij weende bitter omdat hij in staat was lief te hebben, en meteen
vervulden de zoetheden van de liefde de bitterheid van de smart.»8
Doordat hij wist dat de Heer
naar hem gekeken had, was het hem niet mogelijk tot wanhoop te vervallen. Het
was een bemoedigende blik, waarin Petrus zich begrepen en vergeven voelde. Wat
moest hij toen denken aan de parabels van de Goede Herder, van de verloren
zoon, van het verloren schaap.
Petrus ging naar buiten. Hij verwijderde zich van die situatie waarin hij
zich op onverstandige wijze begeven had, om mogelijke herhalingen te voorkomen.
Hij realiseerde zich, dat zijn plaats niet hier was. Hij dacht aan zijn Heer en
weende bitter. In het leven van Petrus zien we ons eigen leven.
«Verdriet uit liefde. -Omdat Hij goed is. -Omdat Hij je vriend is, die voor jou
zijn leven gaf. -Omdat al het goede dat je hebt, van Hem is. -Omdat je Hem zo
dikwijls beledigd hebt... Omdat Hij je heeft vergeven... Hij!... Jou! -Huil, mijn
kind, huil van verdriet en liefde tegelijk.»9
Het berouw geeft de ziel een
bijzondere kracht, het doet de hoop weer opleven, maakt dat de gelovige
zichzelf vergeet en zich opnieuw dichter naar God toe beweegt in een diepere
akte van liefde. Het berouw is een graadmeter voor de kwaliteit van het
innerlijk leven en trekt altijd de barmhartigheid van God aan. Mijn ogen
rusten op die mens die deemoedig is en op de mens met een rouwmoedig hart.10
Het was voor Jezus geen
moeilijkheid zijn Kerk te bouwen op een man die kon vallen en gevallen was. God
rekent ook op zwakke werktuigen om zijn grote plannen mee te verwerkelijken,
als ze maar berouw hebben. Hij zal er de mensen mee redden.
Het is heel goed mogelijk dat Petrus na de verloocheningen en
zijn berouw Maria is gaan zoeken. Laten wij dat ook doen nu onze gebreken en
verloocheningen ons nog levendig voor de geest staan.
41.3 Naast een grote
kracht geeft echt berouw de ziel een bijzondere blijdschap, en maakt deze
geschikt op vruchtbare wijze met anderen om te gaan. «De Meester gaat heel
dicht langs ons heen, een keer en nog een keer. Hij kijkt naar ons... En als je
naar Hem kijkt, als je naar Hem luistert, als je Hem niet afwijst, zal Hij jou
leren hoe je een bovennatuurlijke zin kunt geven aan al jouw handelingen... En
dan zal ook jij, waar je je ook bevindt, troost, vrede en vreugde mogen
zaaien.»11
Ook op Judas bleef de blik van de Heer rusten die hem
aanspoorde terug te keren toen hij zich, op het ogenblik van zijn verraad,
geroepen wist met de titel van vriend. Vriend, zijt ge daarvoor hier? Op
dat moment heeft hij geen berouw gekregen, maar later wel degelijk: toen hij
zag dat Jezus veroordeeld was, kreeg hij berouw over wat hij gedaan had en hij
gaf de dertig zilverlingen terug.12
Wat een verschil tussen
Judas en Petrus. De twee verraden
-ieder op zijn eigen wijze- de trouw aan hun Meester. Beiden krijgen berouw.
Petrus zal -ondanks zijn verloocheningen- de rots worden waarop de Kerk van
Christus zal rusten tot aan het einde der tijden. Judas ging heen en hing
zich op. Eenvoudige menselijke spijt is niet voldoende. Spijt alleen is de
oorzaak van benardheid, verbittering en wanhoop.
Naast Christus verandert spijt in een vreugdevolle smart,
omdat de verloren vriendschap teruggevonden wordt. In een paar ogenblikken
verenigt Petrus zich -door het verdriet van zijn verloochening- veel inniger
met de Heer dan hij het tevoren was. Uit zijn verloochening ontspruit een trouw
die hem tot de marteldood zal voeren.
Judas deed juist het tegenovergestelde, hij blijft alleen
achter: Wat gaat ons dat aan, dat is uw zaak. Dat is het antwoord van de
hogepriesters. In de totale eenzaamheid, die het gevolg is van de zonde, weet
hij zich niet zover te krijgen naar Jezus te gaan: gebrek aan hoop.
We moeten in ons hart steeds de smart van de liefde opwekken
omwille van onze zonden. En laat vooral niemand vergeten aan het eind van elke
dag en ter voorbereiding van de biecht een gewetensonderzoek te doen.
«Laat mij je in jouw ontmoediging iets troostvols herhalen:
aan wie doet wat hij kan, weigert God zijn genade niet. God is een Vader, en
als een kind van Hem in de stilte van zijn hart zegt: Mijn Vader in de hemel,
hier ben ik, help mij... Als het zijn toevlucht neemt tot de Moeder van God, die
ook onze Moeder is, dan gaat het vooruit.»13
-1. Mc 14,66-71. -2. Vgl. Lc 5,8-9. -3. Lc
5,10-11. -4. G. Chevrot, Simon
Petrus, bl. 169. -5. Vgl. Lc 22,61. -6. G. Chevrot, o.c., bl. 172. -7. Lc 22,61-62. -8.
H. Augustinus, Sermo 295. -9.
H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
436. -10. Ps 66,2. -11. H.
Jozefmaria Escrivá, De Kruisweg, achtste statie, 4. -12. Vgl. Mt
27,3. -13. H. Jozefmaria Escrivá,
De Kruisweg, tiende statie, 3.
|