Achtste week door het jaar. Zaterdag
9. RECHT EN PLICHT APOSTOLAAT TE DOEN
-Het recht en de plicht van iedere christen apostolaat te
doen, komen voort uit zijn vereniging met Christus. -Uitvluchten afwijzen die
ons verhinderen ons te 'mengen' in het leven van de anderen. -Jezus zendt ons
nu, zoals Hij zijn leerlingen van het eerste begin zond.
9.1 De hogepriesters en
schriftgeleerden kwamen naar Jezus toe, toen hij door de voorhof van de tempel
wandelde, en zij vroegen Hem: Welke bevoegdheid hebt Gij om dit alles te doen?
En wie heeft U die bevoegdheid dan daartoe gegeven? 1 Wellicht
omdat zij niet bereid waren te luisteren, liet Hij hen uiteindelijk zonder
antwoord achter.
Wij echter weten, dat Jezus Christus de soevereine Heer van
het heelal is. Alle schepselen in de hemel en op aarde, de zichtbare en
onzichtbare zijn in Hem geschapen... Alles is geschapen door Hem en voor Hem,
en dezelfde Jezus Christus verzoende alle wezens met Zich door de vrede te
herstellen door middel van zijn Bloed dat Hij aan het kruis vergoten heeft.2 Er is niets in het universum dat niet onder de
heerschappij en de vrede brengende invloed van Christus is. Mij is alle macht
gegeven... Hij bezit de volheid van de macht in de hemel en op aarde: ook de
macht om te evangeliseren en het heil te brengen aan elk volk en aan elke mens.
Hij zelf heeft ons geroepen deel te hebben aan zijn zending
en ons te mengen in het leven van de anderen, opdat zij gelukkig zullen zijn
hier op aarde, en in de hemel komen waarvoor zij geschapen zijn. Wij hebben de
opdracht gekregen zijn rijk te verbreiden, «een koninkrijk van waarheid,
heiligheid en liefde, recht en gerechtigheid, een koninkrijk van vrede»3: «wij zijn Christus die voorbijgaat over de weg der
mensen in de wereld»4, en van Hem moeten wij
leren allen te dienen en te helpen, verweven in het raamwerk van de
samenleving. Om hun leven ten dienste te stellen van de anderen, hoeven de
leken zich op niets anders te beroepen dan op hun christelijke roeping die zij
bij het doopsel ontvangen hebben. Dat is als motief voldoende. «De opdracht en
het recht om apostel te zijn, ontlenen de leken juist aan hun eenheid met
Christus, het Hoofd. Door het doopsel in het mystieke lichaam van Christus
ingelijfd en in het vormsel door de kracht van de Heilige Geest gesterkt,
worden zij namelijk door de Heer zelf voor het apostolaat bestemd.»5 Van Hem komt de opdracht en de zending.
Wij hebben het recht ons te bemoeien met het leven van de
anderen, omdat in ons allen hetzelfde leven van Christus stroomt. En als een
van de leden ziek wordt, zwak is, of misschien sterft, wordt heel het lichaam
hierdoor aangetast: Christus lijdt en alle gezonde leden van zijn lichaam
lijden eveneens, omdat «alle mensen één zijn in Christus».6 Hoe verschillend wij ook zijn, wij zijn allen
vereend in Christus, en daardoor is de liefde een levensvoorwaarde voor ons.
Het recht het leven van de anderen te beïnvloeden wordt een vreugdevolle plicht
voor elke christen, waarbij geen uitzonderingen gelden, hoe bijzonder iemands
positie in het leven ook moge zijn. Hij, Jezus «vraagt ons geen toestemming om
ons 'het leven lastig te maken'. Hij dringt zich binnen... Hij is er al».7 Wie van ons zijn leerling wil zijn, moet hetzelfde
doen bij hen die ons op onze weg begeleiden. Wij moeten de gelegenheden die
zich voordoen gebruiken, en ook zullen wij leren nieuwe gelegenheden te
ontdekken om deze zielen dichterbij de Heer te brengen: door hun een goed boek
te suggereren, door hun raad te geven, door met hen duidelijk te spreken over
de noodzaak van het sacrament van de biecht, door hun een kleine dienst te
bewijzen.
9.2 Op een gegeven moment zouden
er mensen uit onze omgeving ons kunnen zeggen: met welk recht 'meng' jij je in
het leven van anderen; wie heeft jou toestemming gegeven te spreken over
Christus, over zijn leer, over zijn beminnelijke eisen? Of misschien zijn wij
het zelf wel, die de verleiding voelen ons af te vragen: wie heeft mij opgedragen
mij daarmee te bemoeien? Dan «zou ik u zeggen: 'Christus in eigen persoon
beveelt het u'. Hij vraagt het u. De oogst is groot, maar
werklieden zijn er weinig. Bidt daarom de Heer van de oogst dat Hij werklieden
zendt in zijn wijngaard (Mt 9,37-38). Wees geen lafaard en denk niet:
'Wat kan ík daar nu voor een bijdrage leveren, er zijn al anderen die dat doen.
Voor dat soort activiteiten ben ik niet in de wieg gelegd.' Nee, er is niemand
anders. Als u dat zou kunnen zeggen, zou iedereen dat met evenveel recht kunnen
zeggen. Dit verzoek van Christus is aan alle christenen en aan elk van hen
afzonderlijk gericht. Niemand is ervan vrijgesteld, noch door leeftijd, noch
door gezondheid, noch door werk. Er is geen enkel excuus denkbaar. Ofwel ons
apostolaat brengt vrucht voort, of ons geloof is onvruchtbaar.»8 De Kerk zet ons aan en bemoedigt ons om Christus
bekend te maken, zonder verontschuldigingen of voorwendsels, met blijdschap, in
alle fasen van ons leven. «De jongeren moeten zelf de eerste en onmiddellijke
apostelen van de jongeren worden, apostolaat uitoefenen door en voor elkaar
[...]. Ook kinderen hebben een eigen mogelijkheid tot apostolaat. Naar eigen vermogen
kunnen zij werkelijk levende getuigen van Christus zijn onder hun
leeftijdgenoten.»9 Jongeren, kinderen, ouderen,
zieken, werklozen en mensen met een pracht baan..., wij moeten allen apostelen
zijn die Christus uitdragen met het getuigenis van ons voorbeeld en ons woord.
Wat een goede 'luidsprekers' heeft God in de wereld. Hij zegt tot ons allen: Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel
de schepping.10 De Heer heeft ons
gezonden.
De liefde tot Christus brengt ons tot de liefde voor de
naaste; de roeping die wij ontvangen hebben zet ons aan, aan de anderen te
denken, en de offers die het gevolg zijn van een daadkrachtige liefde niet te
vrezen, want «er is geen teken of insigne dat de christen en de minnaar van
Christus zo onderscheidt als de zorg voor onze broeders en de ijver voor het
heil van de zielen.»11 Daarom is de ijver om de
Meester bekend te maken de graadmeter die de oprechtheid aangeeft van het leven
van de leerling en de sterkte van zijn navolging. Als wij ooit zouden merken
dat wij ons niet druk maken om het heil van de zielen, dat hun verwijdering van
God ons koud laat, dat hun geestelijke noden geen reactie oproepen in onze
ziel, zou dat het teken zijn dat onze liefde verkild is, want zij straalt geen
warmte meer uit naar de mensen aan onze zijde. Het apostolaat is niet een of
ander toevoegsel aan de gewone activiteit van de gelovige; het is het
christelijk leven zelf, dat zich op natuurlijke wijze uit in de apostolische
belangstelling voor familie, collega's, vrienden...
9.3 Welke
bevoegdheid hebt Gij om dit alles te doen?... Dat vragen de farizeeërs
Jezus. Het is niet het geëigende moment om te openbaren waar zijn macht vandaan
komt. Later zal Hij zijn leerlingen de oorsprong ervan doen kennen: Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde.12 Het gezag van Jezus komt niet voort uit de mensen, maar God
de Vader heeft Hem ermee bekleed als «erfgenaam van heel zijn bezit (vgl. Hebr
1,2), om de Leraar, Koning, en Priester van allen te zijn, Hoofd van het nieuwe
en universele volk van de kinderen van God.»13
In deze macht delen de hele kerk en al haar leden. Op alle
christenen rust deze opdracht, in de wereld het werk van Christus voort te
zetten, maar in het bijzonder op hen die naast de roeping van het doopsel een
bijzondere oproep van de Heer ontvangen hebben om Hem van meer nabij te volgen.
Jezus dringt bij ons aan, want «de mensen zijn geroepen tot eeuwig leven. Zij
zijn geroepen tot het heil. Bent u zich daarvan bewust? Bent u zich ervan
bewust [...] dat alle mensen geroepen zijn te leven met God, en dat zij zonder
Hem de sleutel verliezen tot het 'geheim' van zichzelf? Die roeping tot het
heil brengt Christus ons. Hij heeft voor de mens woorden
van eeuwig leven (Joh 6,68). Hij richt zich tot de concrete mens, die leeft
op aarde. Hij richt zich in het bijzonder tot de mens die lijdt, naar het
lichaam of naar de ziel.»14
Jezus zendt ons, zoals Hij die leerlingen naar een naburig
dorp stuurde om een ezel te halen die daar vastgebonden was, en die nog nooit
iemand op zijn rug gevoeld had. Hij droeg hen, op de ezel los te maken en naar
Hem toe te brengen, want dit zou het rijdier zijn waarop Hij zijn triomftocht
in Jeruzalem zou maken. En Hij beval hun, om, als iemand hun zou vragen wat zij
ermee aan het doen waren, te zeggen dat de Heer de ezel nodig had.15 Zij handelden voor de Heer en in zijn naam. Zij
deden het niet voor eigen rekening en ook niet om zelf enig persoonlijk
voordeel te behalen. Die twee leerlingen gingen op weg en zij vonden inderdaad
de ezel, zoals de Heer het hun gezegd had. Toen ze het ezelsveulen losmaakten,
vroegen hun de eigenaars: Waarom maakt ge het veulen los? Zij antwoordden: De
Heer heeft het nodig.16 En die leerlingen van
wie wij de naam niet weten, maar die trouwe vrienden van de Meester geweest
moeten zijn, volvoerden hun taak en deden wat in elk apostolaat gedaan moet
worden: Zij brachten het veulen bij Jezus.17 Bij zijn uitleg van deze passage vestigt de heilige
Ambrosius de aandacht op drie dingen: het bevel van Jezus, de goddelijke macht waarmee
Hij te werk gaat, en de voorbeeldige levenswijze en de intimiteit met de
Meester van hen die de taak vervulden.18 Aan dit
commentaar voegt de H. Jozefmaria Escrivá toe: «Hoe wonderwel zijn deze woorden
van de heilige Ambrosius van toepassing op de kinderen van God. Hij spreekt
over het aan de ezelin vastgebonden ezelsveulen dat Jezus nodig had voor zijn
triomftocht en hij zegt: 'alleen een bevel van de Heer kon het losmaken'. De
handen van de apostelen zullen het losknopen. Voor een dergelijk iets is een
levenswijze en een bijzondere genade vereist. Wees jij ook apostel, om hen die
gevangen zijn, te kunnen bevrijden.
»Laat mij deze tekst nog eens voor jou uitleggen: hoe vaak
moeten wij niet op gezag van Jezus de banden van de zielen losmaken, omdat Hij
hen nodig heeft voor zijn zegetocht! Mogen onze handen, en onze daden, ons leven...
die van een apostel zijn. Dan zal God ons ook de genade van een apostel geven
om de boeien te verbreken van wie vastgeketend is»19,
van zovelen die vastgebonden blijven, terwijl de Heer op hen wacht.
-1. Mc 11,27-33. -2. Vgl. Kol 1,16-20. -3. Romeins Missaal,
prefatie van Christus Koning. -4. H.
Jozefmaria Escrivá, Brief, 8 december 1941.
-5. Vaticanum ii, Decr. Apostolicam actuositatem, 3. -6. H. Augustinus, Commentaar op psalm
39. -7. H. Jozefmaria Escrivá,
De Smidse, 902. -8. Idem,
Vrienden van God, 272. -9. Vaticanum ii, Decr. Apostolicam
actuositatem, 12. -10. Mc 16,15. -11. H. Johannes Chrysostomus, Homilie
over het onbegrijpelijke, 6,3. -12. Mt 28,18.
-13. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen Gentium, 13. -14. Johannes Paulus
ii, Homilie in Lissabon, 14 mei 1982.
-15. Vgl. Lc 19,33-34. -16. Lc
19,33-34. -17. Lc 19,35. -18. Vgl. H. Ambrosius, Commentaar op het
Lucasevangelie. -19. H.
Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 672.
|