Derde week. Maandag
19. Rechtvaardigheid in woord en oordeel
-De zonden van de
tong. Zwijgen als men niet kan prijzen. -Geen overhaast oordeel vellen. De
liefde voor de waarheid zal ons brengen tot het zoeken van waarachtige
informatie, en tot het bijdragen aan de waarachtigheid in de media, met alle
middelen binnen ons bereik. -Respect voor het privé-leven.
19.1 De eenvoudigen van hart staan versteld van de wonderen en de prediking
van de Heer. Anderen willen zelfs bij de meest wonderbaarlijke gebeurtenissen
niet geloven in Jezus' goddelijkheid. Sint Marcus vertelt ons in het evangelie
van vandaag1, dat de Heer juist een duivel had uitgedreven. Terwijl de mensen met
stomheid geslagen waren2, zeiden de schriftgeleerden
die van Jeruzalem afkwamen: Door Beëlzebub, de vorst der duivels, drijft Hij de
duivels uit. Door hun verkeerde gesteldheid zijn de
mensen geneigd om de daden van de Heer uit te leggen als het werk van de
duivel. Alles kan verward worden, als een rechtschapen geweten ontbreekt! Als
toppunt van hun verblindheid zeggen ze van Jezus zelfs, dat er een onreine geest in Hem huisde.3 Hij die de heiligheid zelf was!
Uit liefde voor God en zijn naaste, uit liefde
voor de rechtvaardigheid, moet een christen rechtvaardig zijn ook in zijn
spreken, in een wereld waarin zoveel onheil wordt aangericht door woorden. «Een
mens heeft recht op een goede naam, op respect, op achting, op de reputatie die
hij verdient. Hoe beter we iemand kennen, des te meer worden ons zijn persoonlijkheid,
zijn karakter, zijn verstand en zijn hart geopenbaard. Des te meer worden wij
ons bewust [...] met welk criterium we hem moeten 'meten' en wat het betekent
rechtvaardig jegens hem te zijn.»4 Vaak zijn het slecht beheersen van de tong, en «de onbezonnenheid in
handelen en spreken» uitingen van «lichtvaardigheid en frivoliteit»5, van het
ontbreken van innerlijke diepgang en tegenwoordigheid van God. Hoeveel
onrechtvaardigheid kan men niet begaan door onverantwoord te oordelen over het
gedrag van mensen die met ons samenleven, werken of betrekkingen met ons
onderhouden! De apostel Jakobus schreef, dat onze tong een wereld van ongerechtigheid kan scheppen.6
Iedereen heeft er recht op, dat zijn goede naam
bewaard blijft, zolang hij niet door openbare en evident onwaardige daden heeft
laten zien, dat deze hem niet toekomt. Laster, kwaadsprekerij, roddel... houden
een groot gebrek aan rechtvaardigheid in jegens onze naasten, omdat een goede naam belangrijker is dan grote rijkdom7, want als men
deze verliest, kan de mens niet meer zoveel goed doen als hij anders wel zou
hebben kunnen doen.8 De meest voorkomende oorzaak van smaad, negatieve kritiek en roddel is
de afgunst, die de goede kwaliteiten van de naaste, het prestige of het succes
van iemand of van een instelling niet kan verdragen.
Mensen maken zich ook schuldig aan roddel als
ze meewerken aan het verspreiden hiervan, mondeling, via de pers of welk ander
communicatiemiddel dan ook; als ze lasterlijke feiten of uitspraken die men
'van horen zeggen' kent, doorvertellen en openbaar maken; maar ook door te
zwijgen, bijvoorbeeld als men nalaat op te komen voor iemand die beledigd is.
Zwijgen staat immers vaak gelijk aan het instemmen met wat men hoort. Smaad is
eveneens mogelijk door te 'prijzen', als men het goede dat gedaan werd ten
onrechte wil kleineren. In andere gevallen is het leveren van commentaar op
ongefundeerde geruchten, een daadwerkelijke onrechtvaardigheid tegen de goede
naam van de naaste. Als de laster verspreid wordt door tijdschriften, kranten,
radio, televisie enz. is de verbreiding veel groter, en derhalve ook de ernst
ervan. En niet alleen mensen hebben recht op hun eer en goede naam, maar ook
instellingen. Laster tegen deze laatste is even ernstig als die tegen
individuele personen, en soms nog ernstiger, vanwege de gevolgen die het
verlies van aanzien in het openbaar voor de in diskrediet gebrachte
instellingen kan hebben.9
We kunnen ons vandaag in ons gebed afvragen, of
we in de milieus waarin we leven (gezin, werk, vrienden...) bekend staan als
mensen die nooit kwaad over anderen spreken; of we altijd overeenkomstig die
wijze raad leven: «Als je niets lovends kunt zeggen, houd dan je mond.»10
19.2 We moeten God vragen ons te leren het gepaste te zeggen, geen holle
woorden te gebruiken, op het juiste moment en met mate te spreken, het
noodzakelijke weten te zeggen en het geëigende antwoord te geven; «niet te
spreken met een stortvloed van woorden, en de woorden die ons te binnen
schieten niet in alle heftigheid als een hagelbui te laten neerdalen.»11 Iets dat, jammer
genoeg, in veel milieus zo dikwijls voorkomt.
Wij zullen op voorbeeldige wijze dit aspect van
de liefde en de rechtvaardigheid beleven, als wij gedurende de dag, met de hulp
van de genade, in ons binnenste steeds Gods tegenwoordigheid voor ogen houden,
als we negatieve oordelen aanstonds vermijden. Rechtvaardigheid en liefde zijn
deugden die we op de eerste plaats in ons hart moeten beleven, want de mond spreekt waar het hart van overloopt.12 Daar, in ons binnenste, dienen we gewoonlijk een sfeer van begrip voor
de naaste te hebben, bekrompen oordelen en kleingeestige maatstaven te
vermijden, want «veel mensen, ook zij die zich als christenen beschouwen [...]
beginnen met aan kwaad te denken. Zonder enig bewijs veronderstellen zij bij
voorbaat dat er kwaad is. Méér nog: zij durven die veronderstelling tegenover
iedereen uit te spreken, in de vorm van een oordeel in 't wilde weg.»13
De liefde voor de rechtvaardigheid moet ons
ertoe brengen, nooit een overhaast oordeel over mensen en gebeurtenissen uit te
spreken, gebaseerd op oppervlakkige informatie. We moeten een gezonde kritische
geest bewaren tegenover berichten die tendentieus of gewoon onvolledig kunnen
zijn. Zeer vaak komen objectieve feiten gehuld in persoonlijke meningen tot ons,
en als het berichten betreft over geloof, Kerk, paus, bisschoppen enz., worden
die berichten, als ze afkomstig zijn van ongelovigen of fanatiekelingen, maar
al te gemakkelijk tot in hun diepste werkelijkheid vervormd.
De liefde voor de waarheid moet ons behoeden
voor een gemakzuchtig conformisme en zal ons onderscheidingsvermogen geven,
ons afstand laten nemen van gedeeltelijke simplificaties, ons sectarische
informatiekanalen doen negeren, het 'men zegt' doen afwijzen, ons altijd de
waarheid doen zoeken en een positieve bijdrage laten leveren om juiste
informatie aan de mensen te verstrekken. We kunnen dat bijvoorbeeld doen door
brieven ter opheldering te sturen naar de pers, of door een gedeeltelijke of
verdraaide informatie te benutten om waarheidsgetrouw en in positieve zin over
het betreffende onderwerp te spreken met mensen met wie we elke dag in
aanraking komen... Natuurlijk mogen we nooit -nog voor geen cent- een krant,
tijdschrift of bulletin dat systematisch zulke informatie geeft, steunen.
Indien wij, alle christenen, zó handelden, zouden we deze verwarde situatie,
die in veel landen veroorzaakt of toelaat, dat de waardigheid van mensen wordt
geschonden, spoedig kunnen veranderen.
Laten we vooreerst rechtvaardig zijn in ons eigen
oordeel, in onze woorden, en trachten we te bewerken dat deze deugd in onze
omgeving beleefd wordt; laten we nooit, om geen enkele reden, laster, smaad of
kwaadsprekerij toestaan. Een duidelijk bewijs van rechtvaardig zijn en van
liefde voor de waarheid, is de bereidheid om onze mening te herzien -indien
nodig ook in het openbaar-, als we bemerken dat wij ons ondanks onze goede
bedoeling vergist hebben, of dat we een nieuw gegeven hebben gekregen dat ons
dwingt een eerder gevormd oordeel te heroverwegen.
19.3 Het is een feit dat iemand wiens gezichtsvermogen vervormd is, de
voorwerpen vervormd ziet. Zo zal degene wiens 'ogen van de ziel' aangetast
zijn, scheve en duistere bedoelingen zien waar alleen maar verlangens heersen
om God te dienen, of hij zal gebreken zien die in feite zijn eigen gebreken
zijn. Reeds de heilige Augustinus gaf de raad: «Zoekt de deugden waarvan gij
denkt dat ze bij uw broeders ontbreken, dan zult ge niet langer hun gebreken
zien, omdat ge ze niet langer zelf hebt.»14 Laten wij vaak tot God bidden, dat wij
altijd en eerst het goede zien -en dat is veel- van de mensen uit onze
omgeving. Dan zullen we hun fouten weten te verontschuldigen, en hen kunnen
helpen om die te overwinnen.
De rechtvaardigheid beleven in woord en oordeel
betekent ook ieders privé-leven respecteren, dit beschermen tegen de
nieuwsgierigheid van buitenstaanders, niet in het openbaar bekend maken wat in
de persoonlijke levenssfeer, in de familie- of vriendenkring hoort te blijven.
Dit is een fundamenteel recht, maar vaak zien we hoe dit aangetast en schade
toegebracht wordt. «Het zou niet moeilijk zijn, in onze tijd gevallen van [...]
agressieve nieuwsgierigheid te signaleren die tot ziekelijk rondsnuffelen in
het privé-leven van andere mensen voert. Een minimum aan gevoel voor
rechtvaardigheid eist, zelfs bij het onderzoek naar een vermoedelijk misdrijf,
bedachtzaamheid en terughouding, zodat een pure mogelijkheid niet meteen tot
feit wordt gebombardeerd. En als iets niet alleen geen overtreding, maar
misschien zelfs een achtenswaardige daad blijkt te zijn, dan moet men de
ziekelijke zucht om zich daarmee te bemoeien als pervers kwalificeren.
»Tegenover hen die munt willen slaan uit
verdachtmakingen en die een 'handeltje met de privé-sfeer' schijnen te drijven,
is het noodzakelijk de waardigheid van iedere persoon en zijn recht op
privé-leven te verdedigen. Over die verdediging zijn alle rechtschapen mensen
het gewoonlijk eens, christen of niet, want er staat een gemeenschappelijke
waarde op het spel: de legitieme wil om zichzelf te zijn, het recht om zich
niet uit te leveren aan de sensatielust van anderen, maar de vreugden, zorgen
en leed van zijn gezin voor zich te houden.»15
«Sancta
Maria, Sedes Sapientiae -Heilige Maria, Zetel van
Wijsheid. -Roep onze Moeder dikwijls op die manier aan, opdat zij haar kinderen
bij hun studie, in hun werken, in hun omgang met elkaar moge vervullen van de
waarheid die Christus ons heeft gebracht.»16
-1. Mc 3,22-30. -2. Vgl. Lc 11,14. -3. Mc 3,30. -4. Johannes
Paulus ii, Toespraak, 8 november 1978. -5. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 17. -6. Jak 3,6. -7. Spr 22,1. -8. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae,
II-II, q73, a2. -9. Vgl. F.
Fernández Carvajal, Antología de textos, vgl. Difamación. -10. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 443. -11. H. Gregorius van Nyssa, Homilie I, over de liefde tot de armen. -12. Mt 12,34. -13. H. Jozefmaria
Escrivá Als Christus nu langs
komt, 67. -14. H.
Augustinus, Commentaar op Psalm 30, 6. -15. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 69. -16. Idem, De Voor, 607.
|