Vijfde zondag van Pasen
29. RECHTVAARDIGHEID
-Rechtvaardigheid in onze verhouding met anderen, met mensen
die van ons afhankelijk zijn, met de maatschappij. -Bevorderen van de
rechtvaardigheid. -Grondslag en doel van de rechtvaardigheid.
29.1 Want Jahwe's woord is waarachtig,
onveranderlijk al zijn daden. Gerechtigheid en recht heeft Hij lief; van
Jahwe's erbarmen is de aarde vol.1
Rechtvaardigheid is de kardinale deugd, die een juiste en
zuivere samenleving onder mensen mogelijk maakt. Zonder die deugd zal de
samenleving onmogelijk blijken. De maatschappij, het gezin, de onderneming
houden op menselijk te zijn en verworden tot plaatsen waar 'de mens voor de
mens een wolf is'. Rechtvaardigheid regelt de menselijke aspecten van de
samenleving, dat wil zeggen, baseert haar op de persoonlijkheidsrechten. «Dat
is het grondprincipe van het bestaan en naast elkaar bestaan van mensen zowel
als van menselijke gemeenschappen, van maatschappijen en volkeren.»2
Een aspect van deze deugd raakt de relaties met buren,
vrienden, collega's en, in het algemeen, met elke andere persoon. Deze deugd
regelt de verhoudingen van de mensen onderling, door ieder te geven wat hem
toekomt. Een ander aspect van de rechtvaardigheid heeft betrekking op de
verplichtingen van de maatschappij jegens ieder individu afzonderlijk. Ten
slotte bestaat er nog een ander niveau van rechtvaardigheid, waar datgene
geregeld wordt wat ieder individu verschuldigd is aan de gemeenschap waartoe
hij behoort, waarvan hij deel uitmaakt.
Rechtvaardigheid in een gemeenschap komt van hen die die
gemeenschap vormen. Het zijn de afzonderlijke personen die hun rechtvaardigheid
of onrechtvaardigheid in de gemeenschap projecteren. Dat geldt vooral voor
mensen met meer verantwoordelijkheid. Dat geldt voor het gezin, voor het
bedrijf, het land en voor de hele gemeenschap der volkeren. Als we werkelijk
willen, dat er in een gemeenschap -of het nu gaat om een gehucht of een heel
land- rechtvaardigheid heerst, zullen we rechtvaardig moeten zijn tegenover de
afzonderlijke individuen. Het zou goed zijn als ieder van ons zou beginnen
rechtvaardig te zijn op deze drie niveaus: tegenover de mensen met wie we elke
dag te maken hebben; tegenover de mensen die van ons afhankelijk zijn; en door
aan de gemeenschap waarvan we deel uitmaken, te geven wat we verschuldigd zijn.
Dat is de eerste verplichting van rechtvaardigheid, namelijk rechtvaardig zijn
in alle aspecten van ons leven; rechtschapen en open met elkaar leven;
rechtvaardig zijn tegenover het gezin, de buren... en de staat. De strijd om in
de gemeenschap een grotere rechtvaardigheid te laten heersen is de vrucht van
een reeks persoonlijke beslissingen, die invloed hebben op wie deze deugd
beoefent. Zo zal een mens steeds opnieuw gedreven worden door «een onwankelbare
en onveranderlijke wil ieder het zijne te geven»3 want daarin bestaat de kern van deze
deugd.
Als er ergens één edele en mooie taak is die overeenstemt met
het algemeen welzijn van de medeburgers, dan vinden we die in de persoonlijke
verantwoordelijkheid voor een rechtvaardiger, opener samenleving.
29.2 «God roept ons door alles wat er in het
dagelijks leven gebeurt, door de vreugde en het leed van onze medemensen, door
de aardse zorgen van onze vrienden en kennissen, door de vele kleine dingen van
het gezinsleven. En God roept ons ook door de grote problemen, conflicten en
wetten die een stempel zetten op de geschiedenis en de hoop en de inspanning
van een groot deel van de mensheid onder druk zetten.» 4 Het geloof spoort ons aan om
aanwezig te zijn in elke nobele inzet zowel voor «de kleine dingen van het
gezinsleven» als voor «conflicten en regelingen die een stempel zetten op de
geschiedenis» om zelf geheiligd te worden en die werkelijkheden te heiligen,
door deze menselijker en rechtvaardiger te maken door ze naar God te voeren.
«Hoe begrijpelijk zijn het ongeduld, de beklemming en de onstuimige wensen van
hen, die met hun van nature christelijke ziel (Vgl. Tertullianus, Apologeticum,
17), zich niet willen neerleggen bij de individuele en sociale ongerechtigheid,
die aan het menselijke hart ontspruiten. Zoveel eeuwen al leven de mensen samen
en nog altijd is er zoveel haat, zoveel fanatisme in ogen die niet willen zien
en harten die niet willen beminnen.»5
Het geloof zet ons in beweging, omdat de behoefte aan
rechtvaardigheid in de wereld groot is. «De rijkdommen der aarde, slechts
verdeeld onder een paar mensen... de cultuurgoederen, aan een kleine kring
voorbehouden en daarbuiten alleen maar honger naar brood en kennis... Daarbuiten
menselijk leven dat heilig is, omdat het van God komt... en dat behandeld wordt
als een louter ding, als getallen van een statistiek. Wij begrijpen dat
verlangen naar rechtvaardigheid, dat ons ertoe drijft naar Christus op te zien,
die ons voortdurend aanspoort om dat nieuwe gebod van de liefde te
verwezenlijken. Alle situaties van ons leven bergen een goddelijke boodschap in
zich en eisen van ons een antwoord van liefde en overgave aan de anderen.»6
De christen zet zich in om onrecht te bestrijden met de
liefde tot Jezus en tot zijn broeders en zusters, de mensen. De rechtvaardige,
in de ware zin van het woord, is de mens die een spoor van liefde en blijdschap
achterlaat en het met het onrecht niet op een akkoordje gooit, als hij het
ergens tegenkomt: in het gezin, het werk, in de gemeente waar hij woont... Als we
ons gewetensonderzoek doen, is het mogelijk dat we onrecht ontdekken dat
hersteld moet worden: overijlde oordelen tegen personen of instellingen, gebrek
aan werklust, oneerlijke behandeling van anderen...
29.3 De oorsprong, de grote kracht die de
rechtvaardige drijft, is de liefde tot Christus. Hoe meer we de Heer trouw
zijn, hoe meer we gebonden zullen zijn door de echte rechtvaardigheid. De
gelovige weet, dat de naaste, de 'ander', Christus zelf is, aanwezig in de
anderen. «Alleen vanuit het geloof valt te begrijpen, waardoor het oordeel over
ons handelen rechtvaardig of onrechtvaardig zal luiden: Christus omhelzen of
verwerpen.»7 Dat
is de grote motor van ons handelen. Dat is wat alleen wij gelovigen, door ons
geloof, kunnen zien: Christus wacht op ons in onze broeders en zusters. Want
Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven. Ik had dorst... Nalatigheden:
Al wat gij niet voor een van deze geringsten hebt gedaan, hebt gij ook voor
Mij niet gedaan.8
De Heer is in iedere mens die behoeftig is. «De armen in de
samenleving, niet alleen beschouwd als individuen, maar ook als etnische of
culturele groepen, de zieken, de armsten en de aan de rand van de maatschappij
levende lagen van de bevolking moeten een voortdurende zorg voor de Kerk en
voor de gelovigen zijn. Het is nodig de inspanningen te verhogen hen bij te
staan en hun levensomstandigheden te delen. Het is nodig dat we in de noden van
onze broeders en zusters de roeping van God voelen; dat de hele samenleving
veranderd wordt in een rechtvaardiger wereld waar ook de allerarmsten welkom
zijn en graag vertoeven.»9
«In onze broeders, de mensen, moeten wij Christus zien, die
ons in hen ontmoet.»10 Het
zou voldoende moeten zijn te onderzoeken of we aandacht en respect voor de
anderen hebben, of we een heftig verlangen naar een door de naastenliefde
verrijkte gerechtigheid koesteren, om te weten of onze navolging van Christus
echt is. Als de omgang met Christus diep en echt is, zullen deze
vertrouwelijkheid en liefde in rijke mate óverstromen naar de anderen.
«De geestelijke en lichamelijke inspanning voor de christen
bij zijn dienst aan anderen, is groot: hij moet het doen met zijn wil, zijn
gevoel en zijn daden. Tegenover die eisen zal hij, met de hulp van de genade,
niet afgeschrikt worden en ook niet met een nerveuze gespannenheid en
verrassende 'invallen' onbesuisd aan de slag gaan. Hij zal evenmin
'rustzoekende' te werk gaan: caritas enim urget nos, de liefde van
Christus laat ons geen rust (2 Kor 5,14).»11 Dit zal ons aanzetten meer te doen dan
nodig is, zonder het essentiële over het hoofd te zien.
«Men moet op de eerste plaats aan de eisen van
rechtvaardigheid voldoen -onderricht het Tweede Vaticaanse Concilie-, opdat men
niet als een gebaar van naastenliefde aanbiedt, waartoe men reeds op grond van
rechtvaardigheid verplicht was.»12 Het beoefenen van de rechtvaardigheid zal ons voeren tot
een voortdurende ontmoeting met Christus. In laatste instantie is «aan een mens
rechtvaardigheid bewijzen, een erkenning van Gods tegenwoordigheid in hem.»13
Verder is het ook zo, dat een gelovige geen echte
rechtvaardigheid kan beoefenen, als hij niet in de juiste gesteldheid verkeert
om liefde te betuigen14,
zijn rechtvaardigheid zou dan alleen maar 'aardsgericht' zijn en dus beperkt.
Christus verwacht meer van ons in onze contacten met onze naaste. Laten we Hem
vragen: «dat Hij ons een goed hart geeft, in staat medelijden te hebben met het
leed van alle schepselen: een hart dat in staat is te begrijpen dat de ware
balsem om het lijden in deze wereld te verlichten de liefde is, de
naastenliefde.»15
-1. Ps 33,4-5. -2. Johannes Paulus ii, Algemene audiëntie, 8
november 1978. -3. H. Thomas van Aquino,
Summa Theologiae, II-II, q58, a1. -4. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt,
110. -5. Ibidem, 111. -6. Ibidem, 111. -7. P. Rodríguez, Fe y vida de fe,
Eunsa (Pamplona 1974), bl. 215. -8. Vgl. Mt 25,42-45. -9. Spaanse Bisschoppenconferentie, Testigos
del Dios vivo, 28 juni 1985, 59. -10. H.
Jozefmaria Escrivá, o.c., 111. -11. F. Ocáriz, Amor a Dios, amor a los hombres, Palabra (3e druk; Madrid
1973), bl. 109. -12 Vaticanum ii, Decr.
Apostolicam actuositatem, 8. -13. P.
Rodríguez, o.c., bl. 217. -14. H.
Thomas van Aquino, o.c., II-II, q4, a7. -15. H. Jozefmaria Escrivá, o.c.,
167.
|