Zaterdag na Aswoensdag
4.
REDDEN WAT VERLOREN WAS
-Jezus komt als de geneesheer om
de hele mensheid te genezen, want wij zijn allemaal ziek. Nederigheid om je te
laten genezen. -Christus geneest onze ziekte. Werkzaamheid van het sacrament
van de biecht. -Hopen op God, als we onze eigen zwakte voelen. «Wie gezond is,
heeft geen dokter nodig, wie ziek is, wel.» Hoop in het apostolaat.
4.1 Het Evangelie van
vandaag1 verhaalt
de roeping van Matteüs; hoe hij door de Heer geroepen werd en het prompte
antwoord van de tollenaar. Hij liet alles achter, stond op, en volgde Hem.
De nieuwe apostel wilde zijn dankbaarheid jegens Jezus laten
zien met een feestmaal, dat Lucas beschrijft als een 'groot' feestmaal: waarbij
onder anderen talrijke tollenaars met hen aanlagen. Al zijn vrienden waren
daar.
De farizeeën waren ontdaan. Waarom drinkt Gij met
tollenaars en zondaars? Tollenaars werden beschouwd als zondaars vanwege de
buitensporige inkomsten die zij door hun werk konden verkrijgen en vanwege hun
relaties met de heidenen.
Jezus antwoordde de farizeeën met deze troostrijke woorden: Niet
de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken. Ik ben niet gekomen om de
rechtvaardigen te roepen, maar de zondaars, opdat ze zich bekeren.2 Jezus komt zijn
koninkrijk aanbieden aan alle mensen, zijn zending is wereldwijd. «De
heilsdialoog werd niet bepaald door de verdiensten van degenen met wie deze
gevoerd werd; hij stond open voor alle mensen, zonder onderscheid.»3
Jezus komt voor allen, want wij zijn ziek en allen zondaars; Niemand
is goed, God alleen.4 We moeten allen Gods genade en vergeving zoeken om het
leven te verwerven5 en het heil te bereiken. De mensheid is niet in twee
categorieën opgesplitst: degenen die al gerechtvaardigd zijn door hun eigen
inspanningen, en de zondaars. We hebben God allemaal nodig, elke dag. Wie denkt
God niet nodig te hebben, zal het heil niet verwerven. Hij zal overschaduwd
worden door zijn eigen innerlijke dood of ziekte.
De woorden van onze Heer, die zichzelf voorstelt als onze Geneesheer, brengen ons ertoe Hem nederig en
vertrouwvol te bedanken voor de vergeving van onze zonden en de zonden van allen die naar het schijnt ver van God
willen blijven. We zeggen Hem vandaag met de heilige Theresia van
Avila: «O, mijn waarachtige God, wat vraag ik U toch iets groots: dat Gij hem
zoekt, die U niet zoekt; dat Gij opendoet voor wie niet aanklopt; dat Gij
gezondheid geeft aan wie ziek wil blijven en die zelfs zijn best doet die
ziekte nog te verergeren! Gij zegt, mijn Heer, dat U kwam om de zondaars te
zoeken. Wij, o Heer, zijn de ware zondaars. Mijn God, let niet op onze
blindheid, maar op het vele bloed dat uw Zoon voor ons vergoten heeft. Laat uw
barmhartigheid blinken over zulke ingeroeste kwalen; gedenk, Heer, dat gij ons
gemaakt hebt met uw eigen hand.»6 Als wij ons op deze wijze, nederig, tot Jezus keren, zal
Hij ons en degenen die wij trachten dichter bij Hem te brengen, genadig zijn.
4.2 In het Oude Testament wordt de Messias
beschreven als de herder die zou komen om liefderijk voor zijn schapen te
zorgen, door hun wonden te verbinden en hun ziekten te genezen.7 Hij is komen
zoeken wat verloren was, om zondaars te roepen, om zijn leven te geven als
losprijs voor velen.8 Zoals
voorzegd is: Hij is het die onze ziekten op zich nam en onze smarten heeft
gedragen [...] en dankzij zijn striemen is er voor ons genezing.9
Christus alleen geneest al onze zwakten; wij zijn op zijn
minst een béétje ziek en daarom hebben we Christus nodig. «Hij is onze
geneesheer en Hij geneest onze zelfzucht als wij zijn genade laten doordringen
in de diepte van onze ziel.»10 We moeten naar Hem toegaan, zoals de zieke naar een dokter
gaat en vertelt wat er werkelijk Mis met hem is en om een behandeling vraagt.
«Jezus heeft ons getoond, dat de ergste ziekte huichelarij is, hoogmoed die ons
ertoe drijft om persoonlijke zonden te ontveinzen. Jegens de Geneesheer moeten
we, als eerste voorwaarde, ten volle oprecht zijn, de waarheid geheel
blootleggen en dan zeggen: Heer, als Gij wilt -en Gij wilt het altijd- kunt Gij
mij genezen. Gij kent mijn zwakheid; ik ben mij bewust van dit of dat tekort,
ik lijd aan bepaalde gebreken. En dan laten we Hem eenvoudigweg de wonden zien
en, zo nodig, de verzwering. Heer, Gij hebt zovele zielen verzorgd, laat mij,
wanneer ik U in mij draag of U aanbid in het tabernakel, in U een goddelijke
Geneesheer zien.»11
Soms zal de Heer rechtstreeks in onze ziel ingrijpen: Ik
wil, word rein.12 Ga
door, wees nog nederiger, maak je geen zorgen. In andere gevallen, en altijd
als er sprake is van zware zonden, zegt onze Heer: Ga en toon uzelf aan de
priesters.13 Nader
tot het sacrament van de biecht waar de ziel altijd de ware medicijn vindt.
«Het bewustzijn van de Kerk ontwaart in dit sacrament -zegt paus Johannes
Paulus ii- wanneer het nadenkt
over de functie ervan, naast het gerechtelijk karakter ervan, ook een
therapeutisch of geneeskundig karakter. Dit hangt samen met het feit dat
Christus in het evangelie vaak als geneesheer wordt voorgesteld. Van de
christelijke oudheid af wordt zijn verlossend optreden trouwens dikwijls medicina
salutis, heilsmedicijn, genoemd. 'Ik wil genezen, niet beschuldigen', zei
sint Augustinus. Hiermee verwijst hij naar de pastoraal van zijn
biechtpraktijk. En het is mede dank zij het geneesmiddel van de bekering dat de
ervaring van de zonde niet ontaardt in wanhoop.»14 Het is de oorzaak van grote vrede en
intense vreugde.
We kunnen er zeker van zijn, dat God ons altijd zal
aanmoedigen en zal helpen opnieuw te beginnen. Hij is het die de strijd
aanvoert en «een gezagvoerder heeft meer ontzag voor de soldaat die de strijd
ooit heeft opgegeven, maar terugkeert en de vijand dapper aanvalt, dan voor de
soldaat die nooit het bijltje erbij neergooide, maar ook nooit een waardevolle
daad stelde.»15 Niet
alleen de persoon die nooit valt, wordt heilig, maar ook de mens die altijd
weer opstaat. Het kwaad zit hem niet in het hebben van fouten -we hebben
allemaal fouten- maar in het op een akkoordje gooien met onze fouten, in het
opgeven van de strijd. Christus echter, de Geneesheer, behandelt ons en helpt
ons te strijden.
4.3 Als we ons eens
heel erg ontmoedigd voelen door een bepaalde geestelijke kwaal, moeten we deze
troostrijke woorden van Jezus niet vergeten: niet de gezonden hebben een
dokter nodig, maar de zieken. Er is voor elke kwaal een geneesmiddel. Hij
is altijd heel dicht bij ons, maar vooral op juist die momenten. Hoe groot de
fout ook is, hoe ellendig we ook zijn, als we echt eerlijk zijn, is dat
voldoende.
En verder, laten we ook dit niet vergeten, wanneer het ons in
ons persoonlijk apostolaat ooit zou schijnen, dat iemands ziel ziek is en aan
een kwaal lijdt waarvoor geen geneesmiddel is: er ís er een, altijd. Misschien
verwacht de Heer meer gebed en versterving, meer begrip en genegenheid van ons.
«Al uw ziekte zal genezen worden -zegt sint Augustinus- maar er zijn er zoveel,
zult u zeggen. De Geneesheer is machtiger. Voor Hem die Almachtig is, bestaat
er geen ongeneeslijke ziekte. Laat u behandelen, stel uzelf in zijn hand.»16 We moeten naar
Hem toegaan, zoals de gewone mensen rondom Hem deden, zoals de blinden, de
kreupelen, de lammen... die zo graag genezen wilden worden. Alleen de mens die
weet dat hij besmet is en zich bewust is van zijn aandoening, voelt in zich de
behoefte gereinigd te worden; alleen de mens die zich van zijn wonden en zweren
bewust is, ervaart de drang een behandeling te ondergaan. Wij moeten ook eerst
de noodzakelijkheid van genezing beseffen, voordat onze kwalen, die punten die
ons bijzonder of algemeen gewetensonderzoek ons laat zien, genezen worden.
Toen veranderde Matteüs zijn levenswandel om een nieuw leven met
Jezus te beginnen. Vandaag kunnen wij ons dit gebed van de heilige Ambrosius
eigen maken: «Zoals hij [Matteüs] wil ik ook mijn oude leven achter mij laten
en niemand anders dan U volgen, o Heer, Gij die mijn wonden heelt. Wie zal mij
ooit scheiden van Gods liefde, die ik vind in U? Ik ben gebonden aan het
Geloof, genageld aan het Geloof. Ik ben gebonden met heilige liefdesbanden. Al
uw Geboden zullen als een brandijzer zijn wier merk ik altijd in mijn lichaam
zal dragen. [...] Medicijn prikt, maar haalt de infectie uit de wond. Snij weg, o
Heer, de etterbuil van mijn zonden. Snij, terwijl U mij met de banden der
liefde met U verenigd houdt, deze ontsteking in mij weg. Kom snel om mijn vele
geheime en verborgen hartstochten bloot te leggen en de wond open te snijden
zodat de kwaal zich niet door het hele lichaam zal verspreiden...
»Ik heb een Geneesheer gevonden die in de hemel verblijf
houdt, maar zijn geneesmiddelen op aarde uitdeelt. Hij alleen kan mijn wonden
behandelen, want Hij alleen lijdt er zelf niet aan; Hij alleen kan mijn hart
van zorgen en mijn ziel van vrees verlossen, want Hij kent mij tot in het
diepste van mijn wezen.»17
Heel wat vrienden van Matteüs die daar met Jezus op dat feest
bijeen waren, moeten zich welkom en begrepen gevoeld hebben als gevolg van de
beminnelijkheid van de Heer jegens hen. Later zullen zij zich ruimhartig tot
Hem gewend hebben en zijn leer volkomen aanvaard hebben, ook al verplicht die
hun veel dingen in hun leven grondig te veranderen. Zij zouden een deel vormen
van de eerste christengemeente in Palestina. De vrienden van Matteüs ontmoetten
de Meester op een feest. Jezus maakte van allerlei omstandigheden gebruik om
mensen zijn heil te brengen. Wij moeten Hem hierin navolgen in ons persoonlijk
apostolaat.
-1. Lc 5,27-32. -2. Lc 5,31-32. -3. Paulus vi, Enc. Ecclesiam suam,
6 augustus 1964. -4. Mc 10,18. -5. Vgl Joh 10,28. -6. H. Theresia van Avila, Verzuchtingen
der ziel tot God, 8,3. -7. Vgl. Jes 61,1 en Ez 34,16 e.v. -8.
Lc 19,10. -9. Jes 53,4 e.v. -10. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 93.
-11. Ibidem, 93. -12. Mt 8,3. -13. Lc 17,14. -14. Johannes Paulus ii, Apost. exhort.
Reconciliatio et Poenitentia, 31, 2 december 1984. -15. H. Gregorius de Grote, Preken over
de Evangeliën, 4,4. -16. H.
Augustinus, Commentaar op Psalm 102. -17. H. Ambrosius, Commentaar op het Evangelie van de heilige
Lucas, 5,27.
|