Tiende week door het jaar. Donderdag
25. Redenen om boete te doen
-Hindernissen uit de weg ruimen. Zelfverloochening.
Meewerken aan de verlossing. -De uitnodiging van de Kerk om boete te doen.
Boete doen en gebed. Vrijdag, dag van boete. -Enige vormen van boetedoening en
versterving.
25.1 Jezus verzamelde de menigte
en de apostelen rond zich, en sprak tot hen: Wie mijn
volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis
op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn
leven verliest omwille van Mij en het evangelie, zal het redden.1
De Heer had ons reeds geleerd, dat we ons, als wij zijn
leerlingen willen zijn, moesten onthechten van materiële zaken.2 Nu echter vraagt Hij om een dieper gaande onthechting.
Men moet zichzelf verloochenen, afstand doen van het meest persoonlijke. Maar
voor een leerling van Christus houdt elke vorm van zelfgave, een bevestiging
in: niet meer voor zichzelf leven, opdat Christus in mij leeft.3 Leven in Christus, uit liefde
tot wie ik alles heb prijsgegeven4, zoals
Sint Paulus aan de christenen van Filippi schreef, is een daadwerkelijk gevolg
van de genade. Heel het christelijke leven is een bekrachtiging van leven,
liefde en vriendschap. Ik ben gekomen, zegt Jezus
ons, opdat zij leven zouden bezitten, en wel in overvloed.5 Christus biedt ons het goddelijk kindschap aan, en
het deel hebben aan het innerlijke leven van de allerheiligste Drieëenheid. Wat
deze wonderbaarlijke belofte in de weg staat, is de gehechtheid aan onszelf,
onze gemakzucht, onze hang naar welvaart en succes. Daarom is versterving
noodzakelijk. Dit is niet iets negatiefs, maar maakt ons vrij van onszelf,
opdat Jezus in ons kan leven. Vandaar de paradox: «Om te leven moet je
sterven.»6 We moeten aan onszelf sterven om het
bovennatuurlijke leven te bezitten. Als gij volgens het
vlees leeft, zult gij zeker sterven. maar als gij door de Geest de praktijken
van de zelfzucht versterft, zult gij leven.7
Wie mijn volgeling wil zijn... Om
aan de uitnodiging van Christus, die met ons meegaat, gehoor te geven, moeten
we stap voor stap vooruit gaan, steeds meer vorderingen maken. We moeten elke
dag een beetje meer sterven, onszelf verloochenen, de oude
mens van onze vroegere levenswandel afleggen8,
en die werken opgeven die ons van God scheiden of de vriendschap met Hem
bemoeilijken. Om heilig te worden -waartoe God ons geroepen heeft- moeten we
onze geneigdheid tot het kwade en onze hartstochten onder controle krijgen, die
na de erfzonde en ten gevolge van onze persoonlijke zonden niet meer op de
juiste wijze onderworpen zijn aan onze wil. Om Christus te kunnen volgen,
moeten we onszelf leren beheersen en in staat zijn om onze weg een duidelijke
richting te geven. Zoals het treffend geformuleerd is: «we zijn als een man met
een ezel; óf de man leidt de ezel, óf deze leidt hem; óf wij controleren onze
hartstochten óf deze controleren ons.»9 Als er
geen versterving is, «lijkt het wel of je 'geest' verminderd is, kleiner
geworden, tot er nog maar een puntje van over is. En het lichaam wordt groter,
reuzengroot, tot het allesoverheersend is. - Voor jou heeft de heilige Paulus
geschreven: Ik kastijd mijn lichaam en maak het tot mijn
slaaf, opdat ik niet, na anderen gepredikt te hebben, zelf verloren ga.»10
Paulus leert ons nog een andere reden om boete te doen: Op het ogenblik verheug ik mij dat ik voor U mag lijden en in
mijn lichaam mag aanvullen wat nog ontbreekt aan Christus' lijden, ten bate van
zijn Lichaam, de Kerk.11 «Was het lijden van Christus alleen niet genoeg om ons te redden?», vraagt de heilige Alfonsus van Liguori zich af. «Ongetwijfeld ontbrak er niets aan de waarde van zijn lijden; het
was meer dan voldoende om alle mensen te redden. En toch, om de verdiensten van
Christus te verkrijgen, moeten we meewerken en geduldig de inspanningen en
beproevingen die God ons zendt aanvaarden, om zó meer op zijn Zoon Jezus te
lijken.»12
Als we ons edelmoedig versterven, zullen we de eersten zijn
die de vruchten plukken van dit deel hebben aan het lijden van Christus.13 Bovendien strekt de bovennatuurlijke uitwerking van de
boetedoening zich uit tot ons eigen gezin. Het raakt op een bijzondere manier
degenen die het meest in nood zijn, onze vrienden en collega's, de mensen die
we dichter bij God willen brengen, ja zelfs de hele Kerk en de hele wereld.
25.2 «Daarom nodigt de Kerk -die
deze voorkeur voor de religieuze en bovennatuurlijke waarden van boete doen
bekrachtigt (waarden die bijzonder geëigend zijn om de wereld een gevoel voor
de aanwezigheid van God terug te geven en voor zijn soevereiniteit over de
mens, samen met de betekenis van de aanwezigheid van Christus en zijn
verlossing)- iedereen uit om de innerlijke bekering van de Geest vergezeld te
laten gaan van de vrijwillige beoefening van uiterlijke daden van
boetedoening.»14 Als wij in een geest van boete
God ons persoonlijk fysiek of moreel lijden opofferen, dan is dit lijden niet
iets nutteloos of schadelijks, maar krijgt het verlossingswaarde «voor de
redding van onze broeders en zusters. Daarom heeft dit lijden een onvervangbare
waarde. In het Lichaam van Christus, dat onophoudelijk geboren wordt uit het
kruis van de Verlosser, wordt het waarachtige lijden doordrongen van de geest
van Christus' offer, dat de onvervangbare bemiddelaar en schepper van de goede
dingen is, die onmisbaar zijn voor de verlossing van de wereld.»15
De Kerk herinnert ons vaak aan de noodzaak tot versterving. Wie mijn volgeling wil zijn... In het bijzonder heeft zij
één dag in de week uitgekozen, de vrijdag, als dag waarop we de noodzaak en de
werkzaamheid overwegen van de zelfverloochening, en ons voornemen om een
bijzondere versterving te doen: geen vlees eten, of iets doen dat we moeilijk
vinden (zoals ons werk perfecter verrichten of het leven voor anderen
aangenamer maken), of het doen van een vroomheidsnorm: geestelijke lezing, de
rozenkrans, een bezoek brengen aan het heilig sacrament of de kruisweg bidden.
We kunnen ook een van de werken van barmhartigheid doen: zieken bezoeken, een
tijdje doorbrengen bij iemand die in moeilijkheden verkeert, aalmoezen geven.
Maar we mogen ons niet tevreden stellen met één enkele daad van boetedoening
per week, ter herinnering aan de Heer die voor ons geleden heeft en gestorven
is en ons de waarde van het offer leerde. Elke dag verwacht God van ons dat we
onszelf verloochenen in kleine dingen, in zaken waarmee we het bovennatuurlijke
leven van onze ziel sterk, en ons apostolaat vruchtbaar maken.
25.3 Vooreerst moeten we hierbij
denken aan de zogenaamde passieve verstervingen. Dit zijn dingen -met liefde
opgeofferd- die ons plotseling overkomen of buiten onze wil gebeuren: koude,
hitte, pijn, geduld als we langer moeten wachten dan we gedacht hadden, niet op
gelijke wijze reageren als we een bruusk antwoord krijgen. Naast deze passieve
verstervingen zijn er veel andere die ons samenleven met de mensen aangenamer
kunnen maken -stiptheid bijvoorbeeld, met echte belangstelling luisteren,
spreken als er een pijnlijke stilte valt, vriendelijk zijn en onze stemmingen
niet laten bepalen door de omstandigheden, hoffelijk en beleefd zijn ten
opzichte van anderen, bedanken en, als we iemand ongewild geërgerd hebben, ons
verontschuldigen. Intensief en ordelijk werken, een taak afmaken waarmee we
begonnen zijn, en anderen helpen om hun werk beter te doen, kan ons ook de kans
geven ons te versterven. Versterving kunnen we eveneens beoefenen met ons
verstand, zoals door het vermijden van harde en liefdeloze kritiek, door niet
nieuwsgierig te zijn of te snel te oordelen. En er zijn verstervingen van de
wil mogelijk: vastberaden strijden tegen de eigenliefde, niet altijd over
onszelf spreken of over wat we gedaan hebben, of wat we van plan zijn te gaan
doen; niet overdreven spreken over onze eigen voor- en afkeuren.
Actieve versterving van onze zintuigen is een ander terrein
voor zelfverloochening: onze blik bewaken, bijvoorbeeld; sober zijn en ons bij
elke maaltijd ter versterving iets ontzeggen. En ook de versterving moet niet
verwaarloosd worden: het is goed ons te hoeden voor nutteloze gedachten die ons
hinderen bij ons streven naar heiligheid, en vooral moeten we verstrooiingen
voorkomen bij het bidden, tijdens de heilige mis en onder ons werk.
Laten we in de tegenwoordigheid van God onderzoeken of we ons
werkelijk met een opgewekt gemoed verloochenen; of we ons lichaam elke dag
beheersen; of we God, met de wil om mee te werken aan de verlossing, het lijden
en de tegenslagen die we op onze weg tegenkomen, aangeboden hebben; of we echt
bereid zijn ons leven te verliezen, stap voor stap, beetje bij beetje, uit
liefde tot Christus en het evangelie.
Onze versterving en boetedoening, midden in de wereld, dienen
aan een reeks kwaliteiten te beantwoorden. Boven alles moeten ze vreugdevol
zijn. «Soms -zei de zieke, die brandde van ijver voor de zielen- protesteert
het lichaam een beetje en beklaagt het zich. Maar ook 'die klachten' probeer ik
in een glimlach te veranderen, want dan worden ze heel nuttig.»16 Vele glimlachen en plezierige opmerkingen blijken
mogelijk te zijn, als we verstervingsgeest bezitten, temidden van ons lijden en
onze ziekte.
Wij zullen ons voortdurend moeten versterven. Zo zal het beleven
van Gods aanwezigheid gemakkelijk worden gemaakt, waar we ons ook bevinden; we
zullen erdoor geholpen worden intensief te werken en af te maken waarmee we
bezig zijn; we zullen vriendelijker en hoffelijker in onze omgang met anderen
zijn, en onze apostolische geest zal toenemen.
Onze versterving moet discreet en natuurlijk zijn. Ze zal afgemeten
kunnen worden aan de invloed die ze op het gewone leven heeft, veeleer dan door
ongebruikelijke uitingen, die vreemd zijn voor een normale gelovige.
Tenslotte moet onze versterving nederig zijn en vervuld van
liefde, want hetgeen ons beweegt is het beschouwen van Christus aan het kruis,
met wie we zoveel mogelijk verenigd willen worden. We willen niets in ons leven
dat ons niet tot Christus leidt.
Bij onze versterving, zoals op de berg van Calvarië, vinden
we Maria. Laten we de goede voornemens die we in deze tijd van gebed gemaakt
hebben, in haar handen leggen. Laten we haar vragen ons te leren, de noodzaak
van een leven van zelfverloochening en versterving in heel zijn diepte te
verstaan.
-1. Mc 8,34-35. -2. Vgl. Lc 14,33. -3. Vgl. Gal 2,20.
-4. Fil 3,8. -5. Joh
10,10. -6. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 187. -7. Rom 8,13. -8. Ef 4,22. -9. E. Boylan, This tremendous lover. -10.
H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 841. -11. Kol 1,24. -12. H. Alfonsus
Liguori, Meditaties over het lijden van
Christus, 10. -13. Vgl. Paulus vi,
Apost. const. Paenitemini, 17
februari 1966, ii. -14. Ibidem.
-15. Johannes Paulus ii, Apost. brief Salvifici doloris, 11 februari 1984, 27. -16. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 253.
|