Achttiende zondag door
het jaar (C)
30. Rijk zijn bij God
-Alleen God kan ons hart verzadigen. -Ons aards bestaan is
kort en vluchtig. Gebruik maken van de aardse zaken om de hemel te winnen. -De
tijd goed benutten. Onthechting.
30.1 Als gij dan met Christus ten
leven zijt gewekt, zoekt wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand
Gods. Zint op het hemelse, niet op het aardse,
dringt de heilige Paulus aan in de tweede lezing van de mis.1 Dingen van de wereld duren een betrekkelijk korte
tijd en zij kunnen de verlangens van het menselijk hart niet vervullen.
Het leven op aarde is kort.2
Het grootste deel ervan wordt in leed en lijden doorgebracht. Elk leven gaat
voorbij als een zucht; er blijft nauwelijks een spoor van achter.3 In het beste geval zou men een groot fortuin bijeen
kunnen garen alleen om het spoedig aan anderen na te laten. Waar leidt al die
pijn en inspanning toe? Is het allemaal voor niets? Zoals we in de eerste
lezing worden herinnerd: ijdelheid
der ijdelheden, en alles is ijdelheid.4
Ten overstaan van deze ledigheid en zinloosheid, erkennen wij
God als de zin van ons leven: Komt, laat ons de Heer met gejubel begroeten, juichen wij
toe de Rots van ons heil. Laat ons verschijnen voor Hem met een lofzang, Hem
met liederen eren.5
Niettemin heeft het menselijk hart een enorm gemak om aan de
dingen van de wereld gehecht te raken zonder aandacht voor de definitieve
betekenis van het leven. In het evangelie van vandaag6
benut de Heer een vraag over erfenissen om ons te onderrichten over de
werkelijke waarde van dingen in het licht van de eeuwigheid. Hij brengt het
onderwerp 'dood' ter sprake om zijn stelling te verduidelijken: Het land van een rijk man had
een grote oogst opgeleverd. Daarom overlegde deze bij zichzelf: Wat moet ik
doen? Ik heb geen ruimte om mijn oogst te bergen. En hij zei: Dit ga ik doen:
ik breek mijn schuren af en bouw grotere... Dan zal ik tot mijzelf zeggen: Man,
je hebt een grote rijkdom liggen, voor lange jaren; rust nu uit, eet en drink
en geniet ervan!
De Heer leert ons dat onze zinnen zetten op het najagen van
rijkdom en werelds welzijn dwaasheid is. Noch geluk noch waarachtig menselijk
leven zelf zijn gebouwd op aardse goederen. Want geen enkel bezit -al is dit nog zo overvloedig- kan uw
leven veilig stellen.7 De rijkaard
laat zijn waarde-maatstaf kennen door de dialoog met zichzelf. Hij acht zich
helemaal veilig omdat hij veel goederen heeft. Voor hem -zoals voor vele
anderen- is leven een zaak van zoveel mogelijk plezier te beleven. Het betekent
zo weinig doen als mogelijk is, eten, drinken, 'het prettig hebben',
ruimschoots dingen vergaren voor lange jaren. Dat is zijn ideaal. Daarin is geen
verwijzing naar God, nog minder naar andere mensen. Hij ziet geen reden zijn
bezittingen te delen met anderen die minder fortuinlijk zijn dan hijzelf.
En hoe denkt hij zijn volkomen materialistische levensstijl
te handhaven? Ik breek
mijn schuren af en bouw grotere... Toch, zijn uiteindelijk al
zijn berekeningen voor niets. De dingen van deze wereld geven een broze en
onvoldoende zekerheid daar ons leven nooit vervuld zalworden zonder God.
We kunnen ons nu in deze tijd van gebed afvragen: 'Waar is
mijn hart?' Omdat wij weten dat onze bestemming de Hemel is, moeten wij
duidelijke en concrete daden van onthechting stellen met betrekking tot wat we
bezitten en wat we gebruiken. In hoeverre delen wij onze bezittingen met de
behoeftigen? Hoe helpen wij de anderen met onze aandacht, onze tijd, ons geld?
30.2 In de dialoog van de rijkaard met zichzelf treedt God onverwacht op.
Met zijn woorden openbaart Hij dat die manier van leven verkeerd is: Dwaas! Nog deze nacht komt men
uw leven van u opeisen; en al die voorzieningen die ge getroffen hebt, voor wie
zijn die dan? Zo gaat het met iemand die schatten vergaart voor zichzelf, maar
niet rijk is bij God.
Onze aardse doortocht is een tijd om verdiensten te maken. De
Heer zelf heeft die aan ons gegeven. Zoals de heilige Paulus onderwijst: wij hebben hier geen blijvende
stad, maar zijn op zoek naar de stad van de toekomst.8 Op een bepaalde dag zal de Heer komen om de rekening
met ons te vereffenen, te bepalen hoe goed of slecht wij zijn talenten hebben
beheerd. Zijn talenten behelzen intelligentie, gezondheid, rijkdom, contactuele
eigenschappen, capaciteit om het goede te doen... De Heer zal maar één keer
komen, misschien wanneer wij Hem 't minst verwachten, als een dief in de nacht9, als het flitsen van de bliksem aan de hemel.10 Hij moet ons goed voorbereid aantreffen. Door ons
bezig te houden met de wereld en te vergeten dat onze bestemming de Hemel is,
zullen wij een wanordelijk leven van volslagen dwaasheid gaan leiden. Dwaas
noemt God de mens die alleen voor de wereld leeft. Wij moeten zeker met onze
beide benen op de grond staan en er zorg voor dragen onze toekomst en de
toekomst van degenen die van ons afhankelijk zijn veilig te stellen. Maar wij
mogen niet vergeten dat wij pelgrims zijn, niet meer dan «acteurs in een
schouwspel. Niemand is voorgoed tot koning of rijkaard uitgeroepen, daar wij op
het einde van het stuk onszelf allemaal weer als armlastigen zullen
terugvinden.»11 Aardse goederen zijn voor ons
slechts de middelen om het doel te bereiken dat de Heer heeft aangeduid... Deze
goederen kunnen nooit het alles bepalende van ons bestaan worden.
Ons leven op aarde is kort en beperkt: Nog deze nacht komt men je leven van je opeisen.
Misschien denken wij over de dood als iets ver weg, alsof we altijd zullen
leven. Toch spreekt de Heer over deze nacht. Onze dagen zijn geteld. Wij zijn
in de handen van God. Binnen afzienbare tijd, misschien een heel korte tijd,
zullen wij van aangezicht tot aangezicht voor Hem staan.
Het beschouwen van ons aardse einde helpt ons de arbeid te
heiligen -de tijd te gelde maken- als we ernaar streven verloren tijd in te
halen.12 Het zou ons moeten helpen om eerherstel
voor de zonden te brengen en onthecht te raken van aardse goederen. Een dag als
alle andere zal onze laatste dag op aarde zijn. Vandaag zijn duizenden mensen
gestorven of zullen sterven onder de meest verschillende omstandigheden. Die
mensen waren zich er waarschijnlijk niet van bewust dat hun tijd gekomen was,
dat zij geen tijd meer hadden om zich te beteren. Sommigen zullen gestorven
zijn met het hart vol zorgen om zaken van weinig of geen belang. Anderen zullen
gestorven zijn die precies bij dezelfde activiteiten betrokken waren, maar hun
blik op God gericht wisten te houden. Het zijn die laatsten die in het bezit
gekomen zijn van die wonderbare schat die niet door mot of worm vergaat...13
30.3 Op het moment van de dood is de staat van de ziel voor altijd bepaald.
Nadien is het onmogelijk te veranderen. De bestemming die ons wacht is het
gevolg van ons gedrag op aarde: Een boom kan naar het zuiden vallen of naar het noorden,
maar zoals hij valt blijft hij liggen.14 Dat is de reden voor de herhaalde
waarschuwing van de Heer om waakzaam te zijn.15
De dood is niet het einde van het bestaan, maar het begin van een nieuw leven.
Christenen kunnen het belang van ons tijdelijk bestaan niet minachten daar het
hét middel is waarmee wij ons voorbereiden op ons definitieve leven met God in
de Hemel. Om een rijke oogst ten overstaan van God op te brengen, moeten wij
datzelfde gewone leven en het gebruik van materiële zaken heiligen. Elke andere
'levensstijl' is op zand gebouwd: de mens, zo fier, is slechts een adem, slechts een schaduw
de baan die hij gaat.16
In zoverre als de goederen van deze wereld bedoeld zijn voor
de eer van God, horen we ze te gebruiken met onthechting en niet te klagen als
we ze missen. Het missen van bepaalde goederen, als het Gods wil is, moet onze
vrede niet wegnemen. We kunnen gelukkig zijn in tijden van voorspoed en van
tegenslag. Of we nu rijk zijn of arm, we moeten met anderen delen wat we
hebben: door nieuwe banen te scheppen als dat in onze macht ligt, door werken
van cultuur en vorming te bevorderen, door edelmoedig te geven aan de goede werken
van de Kerk.
Door onze dood te overwegen kunnen wij ook leren de dagen die
ons resten goed te gebruiken. «Mijn kinderen, de wereld glijdt door onze
vingers; wij kunnen geen tijd verliezen, want de tijd is kort... ik begrijp de
heilige Paulus zeer goed als hij aan de Korintiërs schrijft: Tempus breve est!
Hoe kort is ons verblijf op aarde. Deze woorden zijn in de ziel van een
christen een berisping voor ons gebrek aan edelmoedigheid en een voortdurende
uitnodiging tot trouw. Inderdaad, wij hebben zo weinig tijd om lief te hebben,
te geven, boete te doen.»17 Zullen we toestaan
dat ons hart vastgebonden blijft aan een paar snuisterijen van deze wereld?
Beschouwing van de eeuwige waarheden is een goed tegengif
tegen de zonde en een wezenlijke hulp om de ware zin aan ons leven te geven.
Deze gedachten kunnen ons inspireren om de passende aandacht te geven aan ons
dagelijks werk, onze relaties met anderen en de naastenliefde met de meest
behoeftigen. Dat zal onze weg naar de hemel zijn.
-1. Tweede
lezing, Kol
3,1-5; 9-11. -2. Wijsh
2,1. -3. Ps 89,10.
-4. Pred
1,2. -5. Tussenzang,
Ps 94. -6. Lc 12,13-21. -7. Lc
12,15. -8. Heb
13,14. -9. Vgl. Lc 12,39;
1 Thess 5,2. -10.
Vgl. Mt 24,27. -11. H. Johannes Chrysostomus, Preek over Lazarus, 2,3.
-12. Ef
5,16. -13. Mt
6,20. -14. Pred
11,3. -15. Vgl. Mt
24,42-44; Mc
13,32-37. -16. Ps 39,6-7.
-17. H. Jozefmaria Escrivá, in Informatiebulletin nr. 1.
|