Tweede week. Vrijdag
14. Roeping tot heiligheid
-De roeping van de Twaalf. God is degene die roept, en de
genade geeft te volharden. -In de vervulling van zijn roeping verheerlijkt de
mens God en vindt hij de grootheid van zijn leven. Christus heeft ons allen
geroepen om Hem te volgen, te imiteren en bekend te maken. -Trouw aan de
persoonlijke roeping die we van God hebben ontvangen.
14.1 Na een nacht in gebed doorgebracht te hebben1, koos Jezus de
twaalf apostelen uit om Hem te vergezellen en later zijn zending op aarde voort
te zetten. De evangelisten hebben hun namen opgetekend, en vandaag worden we
aan hen herinnerd in het evangelie van de heilige mis.2 Ze hadden hun
Meester reeds verscheidene maanden lang samen met andere leerlingen over de
wegen van Palestina gevolgd, bereid zichzelf zonder voorbehoud aan Hem te
geven. Nu worden ze het voorwerp van een heel bijzondere voorliefde.
Door deze uitverkiezing legt de Heer het
fundament van zijn Kerk: deze twaalf mannen zijn als het ware de twaalf
aartsvaders van het nieuwe volk van God, zijn Kerk. Dit nieuwe volk wordt niet
meer gevormd door afstamming naar het vlees, zoals Israël was gevormd, maar
door een geestelijke afstamming. Waarom viel deze mannen zo'n grote gunst van
Godswege ten deel? Waarom juist zij en niet anderen? Het heeft geen zin om te vragen naar het
waarom. De Heer heeft hen eenvoudigweg geroepen; en in deze volledig vrije
keuze van Christus -Hij riep tot zich
die Hij zelf wilde- ligt hun eer en het wezen van
hun roeping. Niet gij hebt Mij
uitgekozen, maar Ik u.3 De uitverkiezing is altijd Gods zaak. De apostelen hadden zich niet
onderscheiden door wijsheid, macht, voornaamheid...; het zijn heel gewone,
normale mannen die met geloof en edelmoedigheid de roepstem van Jezus hebben
beantwoord.
Christus kiest de zijnen uit, en deze roeping
is de enige titel die ze bezitten. Om het gezag waarmee hij onderricht geeft en
de gelovigen vermaant, te onderstrepen, begint sint Paulus bijvoorbeeld zijn
brieven vaak als volgt: Van Paulus,
dienstknecht van Christus Jezus, door Gods roeping apostel, bestemd voor de
dienst van het evangelie.4 Geroepen en
uitverkoren niet vanwege mensen noch
door een mens, maar door Jezus Christus en God de Vader.5 In heel zijn betoog is deze werkelijkheid aanwezig: de uitverkiezing
van Godswege.
Jezus roept met gezag en tegelijkertijd met
tederheid, zoals Jahwe zijn profeten en gezondenen riep: Mozes, Samuel, Jesaja...
De geroepenen verdienden geenszins de roeping waarvoor ze uitverkoren werden,
noch vanwege hun goede gedrag noch om hun persoonlijke kwaliteiten. De heilige
Paulus zegt het heel uitdrukkelijk: Hij
heeft ons geroepen met een heilige roeping, niet op grond van onze verdiensten,
maar volgens het vrije besluit van zijn genade.6 Sterker nog, om
Hem te dienen en zijn werken uit te voeren, roept God meestal mensen met
deugden en kwaliteiten die uiterst gering zijn en in geen verhouding staan tot
hetgeen zij met Gods hulp zullen volbrengen. Denkt maar aan uw eigen roeping, broeders. Naar menselijke maatstaf
waren er niet velen geleerd.7 De Heer roept ook
ons om zijn verlossingswerk in de wereld voort te zetten. We moeten niet
verrast en nog minder ontmoedigd worden door onze zwakheid, of de wanverhouding
tussen onze capaciteiten en de taak die God ons opdraagt. Hij zorgt altijd voor
de wasdom; Hij vraagt van ons slechts onze goede wil en de bescheiden hulp die
onze handen Hem kunnen geven.
14.2 Hij riep tot zich die Hij zelf wilde. Een roeping is altijd, en in de eerste plaats, een uitverkiezing door
God, ongeacht de omstandigheden op het moment dat we zijn keuze aanvaardden.
Daarom mag
een eenmaal ontvangen roeping nooit herzien worden, kan er niet over
gediscussieerd worden met menselijke redeneringen, omdat die altijd te armzalig
en kortzichtig zijn. God geeft altijd de genade die we nodig hebben om te
volharden, want -zoals de heilige Thomas leert- God bereidt degenen die Hij
uitkiest voor een zending, voor en rust hen uit, opdat ze geschikt zijn datgene
te vervullen waartoe ze gekozen werden.8 In de vervulling van deze zending ontdekt
de mens de ware grootheid van zijn leven, «omdat de goddelijke roeping en, in
laatste instantie, Gods openbaring van het mysterie van zijn wezen,
tegelijkertijd een woord is dat de zin en het wezen van het leven van de mens
ontsluiert. Door het vernemen en aanvaarden van Gods woord komt de mens tot het
begrip van zichzelf, en derhalve tot het verwerven van een innerlijke samenhang
in zijn wezen [...]. Vandaar dat de krachtigste houding tegenover mijzelf, de
meest volledige eerlijkheid en samenhang in mijn eigen wezen, plaatsvinden in
mijn verplichting tegenover God die roept.»9 Trouw zijn aan onze roeping is trouw zijn
aan God, aan de zending waarmee Hij ons belast en waarvoor we geschapen zijn:
de concrete en persoonlijke wijze om God te verheerlijken.
Voor de Twaalf begon die dag een nieuw leven aan
Christus' zijde. Een van hen, Judas, bleef niet trouw, ofschoon hij
uitdrukkelijk was uitgekozen. De anderen zullen zich in de loop van de tijd dat
moment waarop ze uitgekozen werden, herinnerd hebben als het meest
transcendentale van hun leven. De Heer wilde zich van deze mensen bedienen,
hoewel niemand van hen, vanuit menselijk oogpunt gezien, over de vereiste
kwaliteiten beschikte voor zo'n vérstrekkende taak. Maar zij waren volgzaam en
ontvingen de benodigde genaden, en heel bijzondere zorg van God. Daarom zouden zij de zending
die God hen gegeven had, tot voltooiing brengen, tot aan het einde der aarde.
Ook in onze tijd roept God zijn apostelen om
bij Hem te zijn (het ontvangen van de sacramenten en het gebedsleven, een
innige en diepe omgang met Hem, persoonlijke heiligheid), en Hij zendt hen uit
om te prediken (apostolaat in alle milieus). En, hoewel de Meester sommigen op een
specifieke manier roept, draagt het christelijk leven van elke gelovige, zelfs
het meest gewone en alledaagse, een bijzondere roeping in zich mee: een
uitnodiging om Christus te volgen door een nieuw leven te leiden, waarvan Hij
de sleutel bezit: Als iemand Mij wil
volgen...10 De eerste christenen beschouwden hun hoedanigheid steeds als de vrucht
van een goddelijke roeping: de gedoopten van Rome of Korinte zijn de heiligen door roeping11.
Op de een of andere manier heeft Christus ons
allen geroepen om Hem van nabij te volgen, Hem te imiteren en Hem bekend te
maken, door zijn verlossingswerk in de wereld tegenwoordig te stellen tot Hij wederkeert:
«Alle christengelovigen, tot welke stand of staat zij ook behoren, zijn
geroepen tot de volheid van het christelijk leven en de volmaaktheid van de
liefde. Zelfs in de aardse samenleving bevordert deze heiligheid een meer
menswaardige leefwijze.»12 Deze volheid van het christelijk leven vraagt heldhaftigheid in de
beleving van de deugden; zij zal met name duidelijk worden in omstandigheden,
waarin de levensstijl of de doeleinden die velen zich in hun leven hebben
gesteld, ver van het christelijk ideaal afstaan. De Heer wil dat wij 'heilig'
zijn, in de strikte zin van het woord, temidden van onze bezigheden, met een vreugdevolle,
aantrekkelijke heiligheid die ook anderen tot een ontmoeting met Christus
brengt. Hij geeft ons de noodzakelijke kracht en hulp. Deze middelen die de
Heer aan allen verleent om Hem te volgen en Hem trouw te blijven -en het zou
vermetelheid zijn er geen gebruik van te maken- zijn heel bijzonder nodig,
wanneer God roept tot een apostolisch celibaat temidden van die aardse taken.
Laten we vaak tot Jezus zeggen, dat Hij op ons
kan rekenen, op onze goede wil om Hem te volgen, waar we ons ook bevinden:
zonder beperkingen, onvoorwaardelijk.
14.3 De ontdekking van de persoonlijke roeping is het belangrijkste moment
van heel het bestaan. Van het trouwe antwoord op deze oproep hangt ons eigen
geluk en dat van vele anderen af. God schept ons, bereidt ons voor en roept ons
volgens een goddelijk plan. «Als er zoveel christenen zijn tegenwoordig die
leven zonder enig doel of enige diepte, en van alle kanten worden ingesloten
door hun kortzichtigheid, dan komt dat vooral voort uit een gebrek aan een
helder bewustzijn omtrent de eigen individuele grond voor hun wezen en bestaan
[...]. Wat een mens opheft en hem zijn eigen ware persoonlijkheid geeft, is het
besef van zijn eigen persoonlijke taak in de wereld. Dit is het dat het leven
vult en het betekenis geeft.»13
Onze eerste beslissing Christus te volgen,
vormt het fundament voor vele andere antwoorden in de loop van ons leven. Trouw
wordt dag in dag uit opgebouwd, gewoonlijk in zaken die weinig transcendent
lijken, in de kleine, dagelijkse verplichtingen, als we alles verwerpen, wat
het essentiële in ons leven vormt, schade kan toebrengen.
Het is niet voldoende enkel onze roeping intact
te houden. Het is nodig ze steeds weer te vernieuwen en ze voortdurend opnieuw
te bevestigen: als dit gemakkelijk lijkt, maar ook op momenten waarop het
allemaal veel moeite kost, wanneer de aanvallen van de wereld, van de duivel of
van het vlees zich met volle kracht openbaren. We zullen altijd alle hulp
ontvangen die we nodig hebben om trouw te blijven. Hoe groter de moeilijkheden,
hoe meer genade. En door een duidelijk bepaalde ascetische strijd -met een heel
concreet persoonlijk gewetensonderzoek- groeit en versterkt zich mettertijd de
liefde, en wordt onze zelfovergave, ver van alle routine, bewuster en rijper.
«Het gaat hier niet om groei in het kwantitatieve, zoals die van een stapel
hooi, maar in kwaliteit, zoals wanneer de hitte intensiever wordt, of zoals
wanneer de wetenschap, ook zonder tot nieuwe conclusies te komen, verder
doordringt, dieper gaat, meer eenheid en zekerheid brengt. Aldus neigt de
liefde tot een volmaakter, zuiverder, inniger beminnen van God boven alles, van
de naasten en van onszelf, opdat we God verheerlijken in de tijd en in de
eeuwigheid.»14 Dàt is de groei die God van ons vraagt.
Zich inspannen om te groeien in heiligheid, in
liefde voor Christus en voor alle mensen omwille van Christus, betekent de
trouw veilig te stellen, en derhalve de vreugde, de liefde, en een zinvol
leven.
De heilige Paulus bediende zich van een
vergelijking uit de wedstrijden in het stadion, om uit te leggen dat de
ascetische strijd van een christen vreugdevol moet zijn, een echte
bovennatuurlijke sport. Overwegend dat hij nog niet de volmaaktheid bereikt
heeft, vecht de apostel om de beloofde beloning te krijgen: Alleen dit: vergetend wat achter mij ligt, mij
uitstrekkend naar wat voor me ligt, storm ik af op het doel: de prijs van Gods
hemelse roeping.15 Vanaf het moment dat Christus in zijn
leven kwam toen hij op weg was naar Damascus, spande hij zich met al zijn
krachten in om Hem te zoeken, Hem te beminnen en Hem te dienen. Hetzelfde
hebben de apostelen gedaan vanaf die dag dat Jezus voorbij kwam en hen riep. Op
dat ogenblik verdwenen weliswaar hun gebreken niet, maar dag na dag volgden zij
de Meester in een gestadig groeiende vriendschap, en ze bleven trouw. Dit
moeten ook wij doen: dagelijks aan de genade beantwoorden die we ontvangen,
elke dag trouw zijn. Zó zullen wij ons doel bereiken, waar Christus op ons
wacht.
-1. Vgl. Lc 6,12. -2. Vgl. Mc 3,13-19. -3. Joh 15,16. -4. Rom 1,1. -5. Gal 1,1. -6. 2 Tim 1,9. -7. 1 Kor 1,26. -8.
Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III, 27,4. -9. P. Rodríguez, Work, Contemplation. -10. Mt 16,24. -11. Rom 1,1-7; 2 Kor 1,1. -12. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen
gentium, 40. -13. F. Suárez, Maria van Nazareth, Colomba, Oegstgeest 1989, bl. 66-67. -14. R.
Garrigou-Lagrange o.p., De Moeder van de Verlosser. -15. Fil 3,13-14.
|