Zestiende zondag door het jaar (B)
11. Rust en ontspanning
-De rust en ontspanning heiligen. -De christelijke houding
ten opzichte van ontspanning. -Het in acht nemen van de Hoogtijdagen.
11.1 In de eerste lezing1 zegt de profeet
Jeremia ons: Zelf
breng Ik de overgebleven schapen bijeen... Ik breng ze terug naar hun weide; ze
worden weer vruchtbaar en talrijk. Deze
voorspelling verwijst naar de zorgvuldige aandacht van de Messias voor elk lid
van het mensenras. Hij
voert mij naar wateren der rust. Hij behoedt mijn ziel voor verdwalen, lezen wij in de tussenzang.2
Het evangelie3 van deze zondag
toont ons de aandacht van Jezus voor zijn leerlingen, uitgeput als ze zijn na
een apostolische tocht naar naburige steden en dorpen. Komt nu eens zelf mee naar een eenzame plaats om
alleen te zijn en rust daar wat uit, zegt Hij hun. En de
evangelist legt uit dat er op dat moment zoveel mensen kwamen en gingen dat zij zelfs geen tijd hadden om te
eten. En zij vertrokken dus in de boot naar een eenzame plaats om alleen te
zijn. Wat zou Jezus hun allemaal niet vragen en vertellen! 4
Ons leven, zoals het hunne, is er een van dienst aan
Christus, aan ons gezin en de maatschappij; het is een leven van werken en
zelfopoffering. Het is dus vanzelfsprekend dat we ons soms vermoeid voelen en
rust nodig hebben. In onze vrije tijd moeten we onze krachten terugwinnen om
beter van dienst te kunnen zijn en ook om onze gezondheid niet te schaden. Als
dat laatste zou gebeuren, zou het onder andere onaangename gevolgen hebben voor
de mensen rondom ons, op de kwaliteit van wat wij aan God opdragen en op onze
apostolische opdracht; het zou de juiste aandacht voor de kinderen, voor de
echtgenoot of echtgenote, voor onze broers of zussen, voor onze vrienden aantasten.
Als resultaat zouden ons apostolaat, en de aandacht voor en de vorming van de
mensen die de Heer onder onze hoede heeft geplaatst, er allemaal onder lijden.
Soms kunnen we serieus verplicht zijn rust te nemen. De
heilige Gregorius van Nazianze merkt op dat «een touw niet altijd gespannen kan
staan, en een boogschutter moet de einden van een boog ontspannen als hij hem
later weer wil kunnen spannen.»5 Het is Gods wil
dat, zover als het onszelf betreft, wij er zorg voor moeten dragen in een goede
fysieke conditie te verkeren, want Hij verwacht veel van ons. «Zie hoeveel God
van ons houdt, mijn dierbaren» zegt de heilige Augustinus, «want als wij
uitrusten, zegt Hij dat Hij rust.»6 Maar we
moeten rusten als goede christenen, in de eerste plaats door ons verlies aan
energie te heiligen en in onze vermoeidheid God lief te hebben als wij door
omstandigheden een lange tijd achtereen werken. In dergelijke situaties kunnen
we troost vinden door onze toevlucht te nemen tot Jezus die zelf zo vaak zijn
dag uitgeput eindigde. Hij begrijpt ons goed.
11.2 Heel vaak, soms lange tijd, voelen wij ons niet in een geweldig goede
vorm, en moeten we toch doorgaan met onze zaken, ons werk thuis of onze studie.
Dit moet ons niet ongerust maken: het hoort bij de menselijke natuur, en het is
dikwijls een teken dat we hard werken. «Er komen dagen» zegt de heilige
Theresia in alle eenvoud «dat een enkel woord me verontrust en ik er in alle opzichten
naar verlang de wereld te verlaten, want alles schijnt me te vermoeien.»7 Ook zulke ogenblikken zijn er om zich naar God te
keren, want het betekent dat de Heer heel dicht bij ons is en wil dat wij het
gepaste geneesmiddel nemen: misschien naar de dokter gaan en doen wat hij ons
zegt; een beetje meer slapen; gaan wandelen of misschien een goed boek lezen.
God staat toe dat zulke dingen ons overkomen om ons meer onthecht te maken van
onze gezondheid, of om ons te laten groeien in naastenliefde, de inspanning te
doen om te glimlachen ofschoon het moeilijk kan zijn, misschien erg moeilijk.
Deze toestand opdragen aan God kan geweldig verdienstelijk zijn, zelfs als wij
ons volkomen dor voelen en geen zin hebben in godsdienstige gebruiken.
Komt nu
mee... en rust daar wat uit, zegt de Meester. Verre van een
uitvlucht te zijn om ons in onszelf op te sluiten, is ontspanning een
gelegenheid om Christus te zoeken, want er zijn geen vakantiedagen in de
Liefde. De heilige Augustinus zegt dat «welke weg de mens ook neemt, als het
niet naar U toe is ontmoet hij pijn»8, op zijn
minst de pijn God opzij te hebben gezet.
De vakantietijd is niet bedoeld als een tijd van niets doen.
«Rust betekent nieuwe krachten opdoen, je idealen opfrissen en plannen maken...
Kortom: iets anders doen om daarna met frisse moed tot je normale bezigheden
terug te keren.»9 Het moet een tijd zijn van
innerlijke verrijking, waar de liefde van God een kans gegeven wordt toe te
nemen in een klimaat van zorgzame aandacht voor onze godsdienstige praktijken
en een tijd van niet-opvallende dienstbaarheid; een tijd waarin we trachten op
een bijzondere manier het leven plezieriger te maken voor de mensen rondom ons:
hun tevredenheid en geluk kunnen zeer bijdragen tot onze eigen ontspanning.
Heden ten dage krijgt men de indruk dat veel mensen hun
bovennatuurlijk leven helemaal aan de kant zetten wanneer zij plannen maken
wáár op vakantie te gaan. Zij kiezen vaak oorden die zo verheidenst zijn dat
geen goed levende christen daar gezien zou moeten worden. Het zou erg onnozel
zijn van iemand die gewoonlijk in de aanwezigheid van God probeert te leven,
stilzwijgend dat soort omgeving goed te keuren, door er op vakantie te gaan, om
nog maar te zwijgen van het gevaar zich in een situatie te brengen God zwaar te
beledigen. Het zou zelfs nog erger zijn in het geval van ouders die hun
kinderen en andere van hen afhankelijke personen toestaan zo te doen, en die
daardoor mogelijk onherstelbare schade aan hun ziel lijden: zij zouden dan hun
eigen zonden en de zonden van hun kinderen op hun geweten hebben.
Voor dat soort toestanden kan men de woorden van de heilige
Augustinus aanhalen: «Wat verdien je door zo te zwoegen en te ploeteren over
deze moeilijke en pijnlijke paden? Er is geen rust waar je het aan het zoeken
bent. Ga door met te zoeken wat je zoekt, maar zoek het niet daar waar je het
zoekt. Je zoekt een gelukkig leven juist in het land van de dood. Daar is het
niet te vinden. Want hoe kan een gelukkig leven daar gevonden worden, waar in
het geheel geen leven is?»10
Op sommige plaatsen schijnen de mensen zich niet bewust te
zijn van de moraal inzake medewerking aan het kwade. Als wij dus als goede
christenen willen leven en anderen dat ook willen laten doen, dan moeten we,
als de gelegenheid zich voordoet, hun verstand erover opfrissen, en altijd de
zaken zeer positief ter sprake brengen. We moeten niet vergeten dat de
verplichting om rust te nemen niet iets absoluuts is. Ons geestelijk welzijn
-en dat van onze naaste- heeft voorrang boven lichamelijk welzijn. De eenheid
tussen geloof en gedrag die er hoort te zijn in het leven van een christen, mag
de tijd die gebruikt is voor het herstel van de fysieke krachten, er niet de
oorzaak van laten zijn dat de ziel ziek en verlamd wordt of op zijn minst
verzwakt. Bovendien, met een beetje goede wil is het altijd wel mogelijk
plaatsen te vinden om een vakantie in de nabijheid van God -altijd aanwezig in
de ziel in genade- door te brengen, en om goed gebruik te maken van de tijd om
vriendschappen te verdiepen en een vruchtbaar apostolaat te doen.
11.3 «De christenen moeten er dus aan meewerken, dat de culturele manifestaties
en gezamenlijke ondernemingen die aan onze tijd eigen zijn van een menselijke
en christelijke geest worden doortrokken.»11 In
de huidige maatschappij hebben veel mensen meer vrije tijd, dankzij de
invoering van de korte werkweek, met langere weekeinden en vakantieperioden.
Het is aan ons om hun juiste en aantrekkelijke alternatieven te bieden in de
besteding van de extra onbezette tijd. We moeten hun ook de wezenlijk
godsdienstige aard duidelijk maken van de feestdagen -Kerstmis, Goede Week,
zondagen en de andere feestdagen van de Heer en de Heilige Maagd-, zonder welke
zij hun betekenis zouden verliezen. Dit is een dringend apostolaat, want steeds
meer mensen maken er een korte vakantie van, los van hun dagelijkse verplichtingen
maar vaak ook los van God.
Hoogtijdagen spelen een beslissende rol in het helpen van
«christenen om de goddelijke genade beter te ontvangen en hen in staat te
stellen er edelmoediger aan te beantwoorden.»12
De mis is «het hart van het christelijke feest»13
en wij bieden er Onze Lieve Heer alles aan van wat onze dag uitmaakt. Niets
anders kan enige zin hebben als wij dit, onze eerste plicht tot God,
verwaarlozen of als het overgelaten wordt om ingepast te worden op een vrij
ogenblik en de rest van de dag wordt gevuld met zaken die als belangrijker
worden gezien. Voor een christen die wil dat God het middelpunt van zijn of
haar leven is, zou zo'n gedrag op zijn minst een teken van lauwheid zijn. Wij
behoren Hem het beste te geven van wat wij hebben, in het bijzonder op
feestdagen, zelfs als dat betekent dat we onze plannen een beetje moeten
wijzigen. Als wij edelmoedig zijn, zullen we de diepe vreugde ervaren die
altijd samengaat met het beantwoorden van de liefde van God, onze Vader.
Het evangelie van de mis gaat verder met ons te vertellen dat
velen begrepen waar zij heen gingen, toen Jezus met zijn leerlingen in de boot
wegvoer om van dat alles weg te zijn, en daar te voet naar toe gingen en er nog eerder waren dan zij.
Toen Jezus aan land kwam, zag Hij een grote menigte en Hij had medelijden met
hen want zij waren als
schapen zonder herder; en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten.
Die dag kregen noch Jezus noch zijn leerlingen enige rust. Hier leert het
voorbeeld van Jezus ons dat de noden van anderen vóór die van onszelf komen.
Bij veel gelegenheden moeten ook wij onze rustpauze laten varen, en tot later
uitstellen omwille van mensen die zorg en aandacht van ons verwachten. Laten
wij dat dan net zo vlot doen als de Heer, die de plannen die Hij had gemaakt
terzijde schoof om voor de menigte te zorgen die Hem nodig had. Het is een goed
voorbeeld van onthechting voor ons om op onze eigen situatie toe te passen.
-1. Jer 23,1-6. -2. Ps 22,1-6. -3. Mc 6,30-34. -4. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 470. -5. H. Gregorius van Nazianze, Oratio 26. -6. H. Augustinus, Commentaar op de Psalmen,
131,12. -7. H. Theresia van Ávila, De Weg der Volmaaktheid,
38,6. -8. H. Augustinus, Belijdenissen,
4,10,15. -9. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 514. -10.
H. Augustinus, Belijdenissen,
4,12,18; Vgl. Commentaar
op de Psalmen, 33,2. -11. Vaticanum
ii, Past. const. Gaudium et spes, 61. -12. Spaanse Bisschoppelijke Conferentie, Hoogtijdagen,
13 december 1982, 1,5. -13. Ibidem.
|