Zesentwintigste zondag door het jaar (C)
39. samen Delen
-De parabel van de slechte rijke en de arme Lazarus. -Met
het gebruik dat we maken van de goederen hier op aarde verdienen of verliezen
wij de hemel. -Onthechting. Met de anderen delen, wat onszelf gegeven is.
39.1 In
de eerste lezing voor de Mis van vandaag1 ontmoeten
wij de profeet Amos bij zijn terugkeer uit de woestijn van Samaria. Hij treft
de leiders van het uitverkoren volk aan, als zij zich volkomen overgeven aan de
genoegens van de wereld. Zij
liggen op ivoren bedden en strekken zich uit op hun rustbanken; zij eten de
lammeren van de kudde op en de kalveren uit de stal... Zij drinken wijn uit brede
schalen en zalven zich met de kostelijkste olie, maar om Jozefs ondergang
bekreunen zij zich niet. Dan kondigt Amos aan wat hun lot zal
zijn: Daarom gaan zij als eersten
de ballingschap in. Deze profetie ging enige jaren later in
vervulling.
De liturgie van vandaag waarschuwt ons, dat een buitensporige
zucht naar gemak en de zaken van deze wereld onvermijdelijk zal leiden tot
verwaarlozen van God en de anderen, en tot een geestelijk en moreel verval. Het
evangelie verhaalt de parabel van Christus over een man die precies in deze val
terecht kwam.2 In plaats van de hemel te
verdienen door het gebruik van zijn rijkdom, verloor hij deze voor altijd. Het
verhaal gaat over een rijk man die
in purper en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feest vierde.
Intussen was daar bij zijn deur een arme, die Lazarus heette, met zweren
overdekt. Hij verlangde ernaar
zijn honger te stillen met wat bij de rijkaard van de tafel viel.
De Heer stelt twee extremen in deze parabel tegenover elkaar:
buitengewone rijkdom in het ene geval, verschrikkelijke armoede in het andere.
Jezus zegt niets over wat de rijke man bezit. Hij legt de hele nadruk op hoe de
rijkdom werd gebruikt, door slechts dure kleren en overvloedige maaltijden te
noemen. Aan Lazarus werden zelfs de resten van de maaltijd niet gegeven.
De rijke man deed niets verkeerd toen hij zijn fortuin
vergaarde. Hij was ook niet verantwoordelijk voor de bittere armoede van Lazarus,
tenminste niet rechtstreeks. Hij maakte geen misbruik van de situatie door
Lazarus uit te buiten. Niettemin, de rijke had een bepaalde wijze van leven.
Waarschijnlijk goed samengevat met de woorden: hij vierde iedere dag uitbundig feest. Hij
leefde alleen voor zichzelf, alsof God niet bestond. Hij was volkomen vergeten,
dat wij geen eigenaars zijn van wat wij hebben, maar slechts beheerders.
De rijke had zelf een fijn leven. Hij was niet tegen God en
ook onderdrukte hij zijn verpauperde naaste niet. Hij was eenvoudig blind voor
het bestaan van de behoeftige man voor zijn deur. Hij leefde voor zichzelf en
ontzegde zichzelf geen enkele uitgave. Wat was zijn zonde? Hij zag Lazarus
niet. Hij zou voor Lazarus hebben kunnen zorgen, als hij niet zo zelfzuchtig
was geweest. Hij gebruikte zijn rijkdom niet op een manier die in
overeenstemming was met Gods verlangens. Hij wist niet te delen. De heilige
Augustinus merkt op: «Lazarus werd in de hemel opgenomen omdat hij nederig was,
niet om zijn armoede. Rijkdom op zich verhinderde de rijke man niet zijn
eeuwige geluk te bereiken. Hij werd gestraft om zijn zelfzucht en gebrek aan
loyaliteit.»3
Zelfzucht kan zich uiten in een onverzadigbaar verlangen om
meer en meer materiële goederen te bezitten. Dit kan mensen blind maken voor de
noden van de anderen. Egoïstische mensen gaan anderen behandelen, alsof zij
waardeloze objecten zijn. Laten wij er vandaag aan denken, dat wij allen
behoeftige mensen om ons heen hebben -mensen zoals Lazarus. Wij mogen niet
vergeten, grootmoedig uit te delen van wat wij hebben. Bij het delen van
materiële goederen moeten wij bovendien zaaiers van begrip, sympathie en vriendschap
zijn.
39.2 Ons
leven op aarde is een proeftuin voor onze grootmoedigheid. De Heer maant ons
aan: Het is zaliger te geven dan
te ontvangen.4 Eigenlijk heel
tegenstrijdig 'men krijgt meer van geven dan van ontvangen': wat men krijgt, is
de hemel. Wanneer wij grootmoedig zijn, komen wij tot de ontdekking, dat
anderen werkelijk Gods kinderen zijn, die ons nodig hebben. Wij zullen dan op
deze aarde gelukkig zijn en ook in de eeuwigheid. Liefde is in zichzelf de
verwerkelijking van het koninkrijk Gods. Het is een van die artikelen, waarvan
nooit te veel voor handen kan zijn. Wij moeten uitzien naar de Lazarus in ons
huis, op ons kantoor of onze werkplek...
In de tweede lezing leert de heilige Paulus aan Timoteüs, dat: geldzucht
de wortel is van alle kwaad.5 Dan
vermaant Paulus hem: Gij echter, man van God, moet dit alles mijden. Streef naar gerechtigheid, godsvrucht,
geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid. Strijd de goede strijd van het
geloof, grijp het eeuwige leven. Daartoe zijt gij geroepen...6
Alle gelovigen, mannen en vrouwen van God, zijn uitverkoren
om het zuurdesem te zijn dat de tijdelijke werkelijkheid omvormt en heiligt.
Wij moeten helpen mensen om ons heen te redden van de eeuwige dood, evenzeer
als de eerste christenen dit deden in hun gemeenten. Bij het zien van de
aandacht die zoveel mensen schenken aan materiële zaken, moeten we begrijpen,
dat, om zuurdesem te kunnen zijn midden in deze wereld, een leven dienen te
lijden van onthechting van ons bezit. Wij zullen onze omgeving niet kunnen
beïnvloeden, als wij gehecht zijn aan overbodige dingen en als wij gewend zijn
aan verspilling. Wij moeten mensen door ons voorbeeld leren dat geluk en
redding niet komen door het bezit van materiële zaken, maar alleen door heilig
te leven.
Ingetogenheid, matigheid en onthechting scheppen de
voorwaarden om edelmoedig te zijn: in de besteding van onze tijd, van onze
talenten, door het verstrekken van materiële goederen naar de mate van onze
mogelijkheden, door het verrichten van goede werken op het terrein van vorming,
cultuur, ziekenzorg... Zo zullen wij bevrijd worden van ons egoïsme, van onze
ongeordende gehechtheid aan de materiële goederen. En zo «zullen wij de
bereidheid verwerven solidair te worden met lijdende, arme en zieke mensen, met
uitgestotenen en onderdrukten. Onze gevoeligheid zal groeien en het zal niet
veel moeite kosten in de hulpbehoevende naaste Christus zelf te zien. Deze
Christus brengt ons nu zijn woorden in herinnering: Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn
broeders hebt gij voor Mij gedaan (Mt 25,40). Dit zullen onze
geloofsbrieven zijn op de dag van het oordeel. Wij allen zullen dan begrijpen,
dat de hemel is weggelegd voor degenen die hun broeders liefhebben in daad en
waarheid.»7
39.3 Stemt uw gedrag niet af op de wereld.8 Dat was de boodschap van de heilige Paulus aan de
eerste christenen van Rome. Als ons hart gehecht is aan de materiële goederen
en wij een zelfzuchtig leven leiden, vinden wij het heel moeilijk om de noden
van de anderen te zien. Wij vinden het ook steeds moeilijker God te zien. «De
rijke werd veroordeeld omdat hij geen aandacht had voor de ander. Omdat hij
Lazarus niet opmerkte, de man die bij hem aan de deur zat en die graag de
resten van zijn tafel wilde eten.»9 Wij zouden
zélf bereid moeten zijn heel wat weg te geven, als wij anderen willen leren ook
grootmoedig te zijn.
Christenen mogen niet passief blijven terwijl een vloedgolf
van materialisme over onze hele cultuur raast. Wij moeten ook de wereld niet
alleen bekijken in economisch opzicht. «Solidariteit is een absoluut vereiste
voor menselijke en bovennatuurlijke broederschap.»10
Deze houding zal ons ertoe brengen in die persoonlijke armoede te leven die
Jezus 'zalig' noemde. Deze armoede «bestaat uit onthechting, uit
godsvertrouwen, uit matigheid en grootmoedigheid, uit een verlangen naar
rechtvaardigheid, uit honger naar het Koninkrijk der hemelen, uit volgzaamheid
voor het woord van God en standvastigheid in de waarheid (vgl. 'Libertatis
conscientia', 66).
»Iets anders is de armoede die veel van onze broeders in deze
wereld beklemt en hun ontwikkeling als persoon in de weg staat. Tegen deze armoede, die bestaat in gebrek en
ontbering, verheft de Kerk haar stem om de solidariteit te bevorderen en deze
armoede te doen verdwijnen.»11
Wij moeten leren de mensen om ons heen als onze broeders te
zien. Zij zijn de broeders die gebrek hebben aan de grote schat van het geloof
die wij bezitten. Zij hebben behoefte aan onze vreugde, onze vriendschap en
soms onze economische hulp. Wij kunnen niet onverschillig blijven ten aanzien
van omstandigheden in delen van de wereld, waar zovelen lijden aan gebrek aan
voedsel en scholing en aan onwetendheid over de mens en over God.
Wij zullen onderzoeken of onze onthechting een werkelijke
onthechting is. Voert het tot enige praktische gevolgen? Ons leven moet een
voorbeeld van matigheid zijn wat betreft het gebruik van materiële goederen.
Hebben wij ons hart gericht op de schat die altijd blijft en die geen dief kan
wegnemen of de motten kunnen vernielen?12 Als
wij geloven, kunnen wij Christus in alle eeuwigheid bezitten. De heilige
Augustinus vertelt de geschiedenis van zijn bekering met deze woorden: «Hoe
fijn vond ik het, plotseling vrij te zijn van de aantrekkingskracht van deze
ijdelheden, zodat het nu een vreugde was af te wijzen wat ik eerst zo bang was
te verliezen. Want U verwijderde het uit mij, o echte en allerhoogste Liefde, U
verwijderde het uit mij, nam zijn plaats in, U, zoeter dan alle vreugde die
vlees en bloed te boven gaat; helderder dan alle licht, en toch dieper van
binnen dan elk geheim; verhevener dan alle eer, maar niet te vatten voor
degenen die hoog en machtig zijn in hun eigen achting.»13
Wat jammer als wij ooit de rijkdom van de goddelijke liefde niet naar waarde
schatten.
-1. Amos
6,1; 4-7. -2. Lc
16,19-31. -3. H. Augustinus, Preken 24,3. -4. Hnd 20,25. -5. 1 Tim 6,10. -6. 1 Tim 6,11-12. -7. A. Fuentes, El sentido cristiano de la riqueza, Madrid
1988, bl. 176. -8. Rom
12,2. -9. Johannes Paulus ii, Preek in Yankee Stadium, 2
oktober 1979. -10. Congregatie voor de
geloofsleer, Instructie Libertatis
conscientia, 22 maart 1986, 89. -11. Johannes
Paulus ii, Preek, 7 mei 1990. -12. Vgl. Lc 12,33. -13. H. Augustinus, Belijdenissen, 9,1,1.
|