22 februari. Feest
19. SINT PETRUS' STOEL
Dit feest werd, reeds vóór de vierde eeuw,
gevierd om aan te geven, dat Petrus zijn zetel te Rome had gevestigd. In de
oudste kalenders treft men het aan onder de naam 'Natale Petri de Cathedra' en
met de aanduiding dat het gevierd werd op 22 februari. Met het feest van
vandaag wilde men vanaf het begin de eenheid van de Kerk tot uitdrukking
brengen; de Kerk die haar fundament vindt in Petrus en zijn opvolgers op de
stoel van Rome.
-Betekenis van
het feest. -Sint Petrus in Rome. -Liefde en eerbied voor de paus.
19.1 De Heer sprak tot Simon Petrus: Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet
zou bezwijken. Wanneer ge eenmaal tot inkeer gekomen zijt, versterk dan op uw
beurt uw broeders.1
Met het woord 'stoel' in de naam ?Sint
Petrus' Stoel? wordt in stoffelijke
zin de stoel bedoeld waarop de leraar gezeten was tijdens zijn onderricht, in
dit geval de bisschop, maar reeds de heilige vaders gebruikten deze als symbool
van het gezag dat de bischoppen bezaten, en heel bijzonder de zetel van Petrus,
die van Rome. In de derde eeuw zei de heilige Cyprianus: «Petrus wordt het
primaat verleend om te tonen, dat de Kerk van Christus één is en de zetel één
is», d.w.z. leergezag en leiding. En om de eenheid nog meer te benadrukken
voegde hij eraan toe: «God is één, één is de Heer, één de Kerk en één de door
Christus gestichte stoel.»2
Als symbool van het feit, dat Petrus zijn zetel
te Rome had gevestigd, koesterde het Romeinse volk een grote eerbied voor een
echte houten stoel, waarop volgens een traditie van onheuglijke tijd de prins
der apostelen plaats genomen had. De heilige Damasus verplaatste hem in de
vierde eeuw naar de door hem gebouwde doopkapel van het Vaticaan. Vele eeuwen
lang was hij daar goed zichtbaar en werd hij zeer vereerd door de pelgrims van
geheel de christenheid die naar Rome kwamen. Toen de huidige Basiliek van Sint
Pieter werd opgericht, vond men het passend
om de vereerde stoel daar als relikwie te bewaren. Achter in de absis
bevindt zich, als voornaamste beeld, de zogenaamde 'glorie van Bernini', een
grote reliekhouder waarin de 'Cathedra van Petrus' -een Laatromeinse houten
stoel die in de middeleeuwen bij de pauskroningen gebruikt werd- binnen een
zetel van verguld brons wordt bewaard, waarover de uitstraling van de bijstand
van de Heilige Geest is afgebeeld.
Tot de feesten die op de kalenders van vóór de
vierde eeuw voorkomen -de oudste van de Kerk- rekent men het feest van vandaag,
'Natale Petri de Cathedra' genaamd, dat wil zeggen de dag waarop het pausschap
van Petrus werd ingesteld. Met dit feest wilde men aandacht en reliëf geven aan
het bisschopsambt van de prins der apostelen, zijn hiërarchische macht en zijn
leergezag in de stad Rome en geheel de wereld. Het was een oude gewoonte om de
wijding van de bisschoppen en het in bezit nemen van hun respectieve zetels te
gedenken. Maar deze herdenkingen betroffen alleen maar het eigen bisdom. Alleen aan het feest van Petrus gaf men de naam
'Cathedra'; het was het enige feest dat vanaf de eerste eeuwen in heel de
christenheid werd gevierd. De heilige Augustinus vermeldt in een preek bij het
feest van vandaag: «Het feest dat wij heden vieren heeft van onze voorouders
de naam 'Cathedra' gekregen; daarmee wil men
in herinnering roepen, dat de zetel van het bisschopsambt vandaag aan de
eerste der apostelen werd gegeven.»3 En
het herinnert ons nogmaals aan de gehoorzaamheid en de liefde tot hem die de
rol van Christus op aarde vervult.
19.2 Vanuit de traditie van de Kerk4 weten
we, dat Petrus een tijd lang in Antiochië heeft geresideerd, de stad waar de leerlingen voor het
eerst christenen werden genoemd.5 Hij predikte daar
het evangelie en keerde vervolgens terug naar Jeruzalem, waar een
bloedige vervolging losbarstte: koning Herodes liet eerst de heilige Jacobus
onthoofden en daarna, bemerkend dat dit de Joden aangenaam was, liet hij ook nog Petrus gevangen nemen.6 Door het
optreden van een engel bevrijd, verliet hij Palestina en ging ergens anders heen.7 De Handelingen van de Apostelen
vertellen ons niet waar hij naar toe ging, maar door de traditie weten we, dat hij zich naar de Eeuwige Stad
begaf. De heilige Hiëronymus beweert,
dat Petrus te Rome aankwam in het tweede jaar van het bewind van
Claudius -dat komt overeen met het jaar 43 na Christus- en dat hij daar voor de
tijdsduur van 25 jaar bleef, tot aan zijn dood.8
Sommigen veronderstellen twee reizen naar Rome: één, nadat hij uit Jeruzalem
was weggegaan; hij zou naar Palestina zijn teruggekeerd rond het jaar 49, de
datum van het Concilie van Jeruzalem; kort daarna zou hij naar Rome zijn
teruggegaan en vervolgens nog enkele missiereizen hebben ondernomen.
Sint Petrus kwam in die stad aan, het
middelpunt van de toenmalige wereld, «opdat het licht van de waarheid,
geopenbaard voor het heil van alle volken, daadkrachtiger
zou uitstralen vanaf het hoofd zelf over heel het lichaam van de wereld
-zo verzekert de heilige Leo de Grote-. Want waren er toen niet mensen van alle
rassen in die stad? Of waren er soms volkeren die onbekend waren met wat Rome
onderrichtte? Dit was de geëigende plek om de theorieën van de valse filosofie
te weerleggen, om de dwaasheden van de aardse wijsheid te vernietigen, om af te
rekenen met de afgodische offers; daar had zich met de grootste ijver alles
verzameld wat de verschillende dwalingen hadden uitgevonden.»9
De visser uit Galilea werd aldus tot fundament
en rots van de Kerk en vestigde zijn zetel
in de Eeuwige Stad. Van daaruit
predikte hij zijn Meester, zoals hij dat had gedaan in Judea en Samaria, in Galilea en Antiochië.
Vanaf de stoel te Rome bestuurde hij de gehele Kerk, onderwees alle
christenen en vergoot zijn bloed ter bevestiging van zijn prediking, naar het
voorbeeld van zijn Meester.
Het graf van de prins der apostelen, dat zich
onder het altaar van de 'Confessio' van de Vaticaanse basiliek bevindt -zoals
de traditie unaniem beweert en zoals dit door archeologische vondsten is
bekrachtigd- leert ons, ook op zichtbare wijze, dat Simon Petrus volgens de
uitdrukkelijke wil van God de stevige rots is, de zekere en onwrikbare rots die
het gebouw van de hele Kerk door de eeuwen heen draagt. In zijn leerambt en dat
van zijn opvolgers weerklinkt onfeilbaar de stem van Christus; daarop is dan
ook ons geloof stevig gefundeerd.
19.3 Het evangelie van de heilige mis herneemt de woorden van Jezus in Caesarea van Filippus, waarin Hij Petrus en
zijn opvolgers het primaatschap van de Kerk belooft: Gij zijt
Petrus en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen en de poorten der hel zullen
haar niet overweldigen. Ik zal u de sleutels
geven van het Rijk der hemelen en wat gij zult binden op aarde, zal ook
in de hemel gebonden zijn en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de
hemel ontbonden zijn.10
En de heilige Augustinus roept uit: «Gezegend zij God, die de apostel Petrus
boven de Kerk deed verheffen. Het is passend dit fundament te eren, via welk
men de hemel kan beklimmen.»11
Soms schriftelijk, andere keren persoonlijk of
door middel van afgezanten, troost, berispt en versterkt hij vanuit Rome de
christenen die reeds in alle delen van het Romeinse Rijk in aantal groeien. In
de eerste lezing van de heilige mis richt
hij zich op plechtige toon tot de herders van de verschillende
plaatselijke kerken in Klein-Azië en spoort hen aan om liefdevol te zorgen voor
degenen die hun zijn toevertrouwd: Weidt de kudden van God waarvan gij de herders zijt; hoedt haar zoals
God het wil: van harte en niet met dwang, met toewijding en niet uit winstbejag.12 Deze aansporingen doen ons denken aan die van
Jezus, toen Hij sprak over de Goede Herder13 en
aan die welke Hij tot Petrus richtte na zijn verrijzenis: Weid mijn lammeren [...] Hoed mijn schapen.14
Dit is de zending die de Heer aan Petrus en
zijn opvolgers geeft: leiding geven aan en
zorg dragen voor de andere herders die de kudde van de Heer hoeden, het
volk Gods in het geloof bevestigen, waken
over de zuiverheid van leer en zeden, de waarheden, zoals die in de
schat van de Openbaring vervat liggen, met de bijstand van de Heilige Geest
verklaren. Daarom
-zo schrijft Petrus in zijn tweede brief- zal ik niet ophouden u deze dingen in herinnering te
brengen, ofschoon gij ze weet en vast staat in de waarheid die gij hebt
aanvaard. Maar zolang ik nog in dit lichaam woon, voel ik mij verplicht uw
geheugen op te frissen. Ik weet dat ik dit lichaam weldra zal verlaten; onze
Heer Jezus Christus heeft het mij gezegd. Maar ik zal ervoor zorgen, dat gij
ook na mijn heengaan u telkens opnieuw dit alles voor de geest kunt brengen.15
Het feest van vandaag biedt ons opnieuw
gelegenheid om onze trouwe aanhankelijkheid te betonen aan het onderricht van
de heilige vader, aan zijn leergezag en om te onderzoeken hoeveel belang wij
erin stellen deze te kennen en in praktijk te brengen.
De liefde tot de paus is een teken van onze
liefde tot Christus. En deze liefde en verering moeten tot uiting komen in het
dagelijkse gebed voor zijn persoon en voor zijn intenties: Dominus conservet eum et vivificet eum et beatum faciat eum in terra [...]. De Heer moge hem
bewaren en nieuwe kracht schenken en hem gelukkig doen zijn op aarde, en
hem niet in handen van zijn vijanden doen vallen. Deze liefde
moet nog méér blijken op bepaalde ogenblikken: wanneer hij een apostolische
reis onderneemt, bij ziekte, wanneer de aanvallen van de vijanden van de Kerk
toenemen, wanneer wij ons door welke omstandigheid ook dichter bij hem voelen...
«Katholiek, apostolisch, Rooms! -Het bevalt me dat je zo rooms bent, en dat je
een bedevaart naar Rome verlangt te maken, 'videre Petrum', om Petrus te zien.»16
-1. Introïtus, Lc 22,32. -2. H. Cyprianus, Brief 43,5. -3. H. Augustinus, Preek 15, over de heiligen. -4. Vgl. H. Leo de Grote, Preek 82,5. -5. Hnd 11,26. -6. Hnd 12,3. -7. Hnd 12,17. -8. H. Hiëronymus, De viris illustribus, 1. -9. H. Leo de Grote, o.c., 3-4. -10. Mt 16,13-19. -11. H. Augustinus, loc.
cit. -12. 1 Pe 5,2.
-13. Joh 10,1vv.
-14. Joh 21,15-17.
-15. 2 Pe 1,12-15. -16.
H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 520.