Vierde zondag van de
heilige Jozef
23. SMART EN VREUGDE (I)
-De Heer verlicht steeds degene die met
zuivere intentie handelt. Het geheim van de maagdelijke ontvangenis van Maria.
-Geboorte van Jezus in Betlehem. De besnijdenis. -De voorspelling van Simeon.
23.1 Wanneer wij het leven van de heilige Jozef beschouwen, dan ontdekken
we hoe dit vervuld was van leed en blijdschap, van smarten en vreugden. Meer
nog: de Heer wilde ons door zijn leven leren, dat het geluk nooit ver afstaat
van het kruis en dat, wanneer duisternis en lijden in bovennatuurlijke zin
worden gedragen, spoedig helderheid en vrede bezit nemen van de ziel. Met Christus
wordt smart tot vreugde.
Het evangelie vertelt ons van de eerste smart
en de eerste vreugde van de heilige
aartsvader. Matteüs schrijft: Toen zijn moeder Maria verloofd was met Jozef, bleek zij,
voordat ze gingen samenwonen, zwanger van de Heilige Geest.1 Jozef was zeer goed op de hoogte van de heiligheid van zijn vrouw, ondanks de tekenen van haar moederschap. En dit deed hem belanden in een toestand van versteldheid, van innerlijke duisternis. Niemand kende beter dan
hij de deugdzaamheid en goedheid van Maria's hart, en hij hield van haar met een menselijke, reine, allerzuiverste en
mateloze liefde. En omdat hij rechtschapen
was, voelde hij zich gedrongen te handelen in overeenstemming met Gods
wet. Om Maria niet in opspraak te brengen, dacht hij er in zijn hart over in
stilte van haar te scheiden. Dit was voor hem -zoals ook voor Maria- een zeer
harde beproeving die zijn hart verscheurde.
Zo ontzettend
groot als de smart te midden van de duisternis was, zo onmetelijk zou ook de
vreugde zijn, toen het licht
in zijn ziel kwam. Terwijl hij dit
overwoog..., datgene wat
hij niet begreep, waarin zijn ziel het zonder licht moest stellen,
waarvan hij niemand deelgenoot kon maken; terwijl hij zich in deze toestand
bevond, verscheen hem in een droom een engel, die tot hem sprak: Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; het kind in haar schoot is van de Heilige Geest.2 Alle twijfels verdwijnen nu, alles is nu
verklaard. Zijn ziel, vervuld van vrede, is als een heldere en lichte hemel na
het voorbijtrekken van een flinke regenbui.
Hij ontvangt twee goddelijke schatten, Jezus en Maria, die de reden van
zijn leven zullen vormen. Hem wordt de meest
beminnelijke en waardige echtgenote gegeven, de Moeder van God, en
daarbij de Zoon van God, die ook zijn zoon wordt, omdat Hij tegelijk de Zoon
van Maria is. Jozef is reeds een ander mens: «hij werd de bewaarder van het
geheim dat van eeuwigheid
verborgen was in God (vgl. Ef 3,9).»3
Van deze smart en deze vreugde kunnen wij
vooreerst leren, dat God altijd degene verlicht, die met oprechte bedoeling en
vertrouwen in God, zijn Vader, handelt in situaties die het begrip van de
menselijke rede te boven gaan.4 Wij begrijpen niet altijd Gods plannen, zijn
concrete wilsbeschikkingen, het 'waarom' van veel gebeurtenissen; maar
als wij op Hem vertrouwen, zal na de duisternis van de nacht altijd de
helderheid van de dageraad aanbreken. En daarmee de vreugde en vrede in de
ziel.
23.2 Maanden later begeeft Jozef zich met Maria naar Betlehem om zich te laten inschrijven voor de
volkstelling, overeenkomstig het bevel van keizer Augustus.5 Ze kwamen na drie of vier dagreizen oververmoeid in
Betlehem aan, met name Maria, gezien de staat waarin zij verkeerde. En daar, in
de plaats van hun voorouders, vonden zij geen plek om te verblijven. Er was
voor hen geen plaats in de herberg, noch in de huizen waar Jozef om onderdak
verzocht voor Gods Zoon in de allerreinste schoot van Maria. Met vertwijfeling
in zijn ziel, zal Jozef van huis tot huis gegaan zijn om daar overal hetzelfde
verhaal te vertellen:... we zijn net aangekomen, mijn vrouw staat op het punt een
kind te baren... Maria, enkele meters achter hem, met het ezeltje waarop zij een
groot deel van de weg zouden afleggen, moest aanschouwen hoe hij bij de ene na
de andere deur werd afgewezen. Hoe kunnen wij in de ziel van Jozef doordringen
om zulk een grote droefheid te aanschouwen? Hoe smartelijk zal hij zijn vrouw
hebben aangekeken, die zo moe was en wier sandalen en kleren onder het stof van
de weg zaten?
Mogelijk heeft
iemand hem gewezen op het bestaan van enkele natuurlijke
grotten even buiten het dorp. En Jozef begaf
zich naar een van die grotten, die
als stal dienst deed, gevolgd door Maria die eigenlijk geen stap meer
verder kon. Terwijl zij daar
verbleven, brak het uur aan waarop zij moeder zou worden; zij bracht haar zoon
ter wereld, haar eerstgeborene, en legde Hem neer in een kribbe...6
Alle leed was volkomen vergeten vanaf het
ogenblik waarop Maria Gods Zoon in haar armen nam; vanaf dat moment was Hij ook
haar zoon. En zij kust en aanbidt Hem... En bij al die armoede en eenvoud, de
hemelse heerschare, die God loofde met de woorden: Eer aan God in den hoge...7 Jozef deelde eveneens in het stralende geluk van
haar die zijn echtgenote was, van de wonderbare vrouw die hem was toevertrouwd.
Hij zag hoe Maria naar haar Zoon keek; hij aanschouwde haar geluk, haar
buitengewone liefde, elk van haar handelingen die zo fijngevoelig en
betekenisvol waren.8
Dit leed en deze vreugde leren ons beter
begrijpen, dat het de moeite waard is God te
dienen, ook al ontmoeten we moeilijkheden, armoede, smart... Uiteindelijk
zal één blik van de Maagd Maria het kleine, soms wat grotere leed dat wij
omwille van het dienen van God moeten doorstaan, dubbel en dwars vergoeden.
Nadat de
acht dagen voorbij waren en men Hem moest besnijden, ontving Hij de naam Jezus,
zoals Hij door de engel was genoemd voordat Hij in de moederschoot werd ontvangen.9 Door deze ritus
werd elk kind van het mannelijk geslacht in het uitverkoren volk opgenomen. De besnijdenis werd
uitgevoerd in het ouderlijk huis of in de synagoge door de vader of iemand
anders. Bij de besnijdenis ontving het kind zijn naam.
Bij de Joden heeft het geven van de naam een
speciale betekenis. Jezus -dat betekent 'Redder'- ontving zijn naam van God zelf, door de boodschap van de engel
die gezegd had: Gij moet Hem
Jezus noemen, want Hij zal zijn volk redden uit hun zonden.10 En het was door de Heilige Drieëenheid bepaald, dat de Zoon naar de aarde zou afdalen en ons zou
verlossen onder het teken van het lijden; het was nodig, dat de naamgeving -die de zending aangaf die Hij zou
gaan volbrengen- vergezeld zou gaan van een
begin van lijden. Toen hij aldus de daad bij het woord voegde, wijdde
Jozef het mysterie van de verlossing in, door het vergieten van de eerste
druppels van het bloed van de verlossing die
in het smartelijk lijden van Golgota tot algehele voltooiing zou komen.
Dat Kind dat huilde bij het ontvangen van zijn naam, begon zo zijn taak als
Redder.
Het deed sint Jozef pijn, toen hij dat eerste
bloed dat werd vergoten zag, want, daar hij de Schrift kende, hij wist, hoewel
verhuld, dat Hij, die nu zijn zoon was, ooit tot de laatste druppel zijn bloed
zou vergieten om te volbrengen hetgeen zijn
naam betekende. Hij werd echter ook vervuld van vreugde, toen hij Hem in
zijn armen nam en Hem Jezus mocht noemen, zoals hij Hem van toen af, vol
eerbied en liefde, zo vaak zou noemen.
23.3 Toen de
tijd aanbrak, waarop zij volgens de Wet van Mozes gereinigd moesten worden,
brachten zij het Kind naar Jeruzalem om het aan de Heer op te dragen.12 Daar vond, in de tempel, de reiniging van Maria plaats van een wettelijke onreinheid die zij niet had opgelopen, en de
opdracht, het aanbieden van Jezus en zijn
vrijkoping, zoals in de Wet van Mozes was voorgeschreven.
In de tempel kwam, gedreven door de Heilige Geest, een reeds oude, rechtschapen
man naar de Heilige Familie toe. Hij nam de
Messias met grote vreugde in zijn armen, en loofde God.
Simeon verkondigt hun, dat dit Kind van enkele
dagen oud een teken van
tegenspraak zal zijn, omdat sommigen Hem hardnekkig zullen afwijzen, en hij wijst er ook op, dat Maria
zeer nauw verbonden zal zijn met het verlossingswerk van haar Zoon: een zwaard
zal haar hart doorboren. Het zwaard waarover Simeon hun sprak, drukt Maria's deelname
aan het lijden van haar Zoon uit; het is een onbeschrijfelijke smart, die haar
ziel doorboort. Maria kreeg aanstonds een
eerste zicht op de geweldige omvang van het offer van haar Zoon en
zodoende ook van haar eigen offer. Een
immense smart, vooral omdat zij, op het ogenblik dat zij medeverlosseres wordt genoemd, weet dat sommigen niet zullen willen delen in de genade van het
offer van haar Zoon. De aankondiging
van Simeon, «het zwaard in het
hart van Maria -en wij voegen er meteen aan toe: in het hart van Jozef, die immers één met haar is- is slechts de
afspiegeling van de strijd vóór of tegen Jezus. Maria is aldus verbonden [...]
met het drama van de honderd verschillende daden, die de geschiedenis van de mensen zullen vormen. Maar
voor ons is overduidelijk, dat ook Jozef daarmee verbonden is, in de
mate waarin het voor een vader mogelijk is verbonden te zijn met het leven van zijn zoon, in de mate waarin een
trouwe en liefhebbende echtgenoot verbonden kan zijn met alles wat zijn
vrouw aangaat.»13 Dit geldt des te meer voor
sint Jozef: toen hij Simeon aanhoorde, doorboorde een zwaard ook zijn hart. Die dag werd weer een tipje opgelicht van de
sluier van het geheim van de verlossing, die volbracht zou worden door het Kind dat hem was toevertrouwd. Door dat
nieuwe, open venster in zijn ziel aanschouwde hij het lijden van zijn
Zoon en van zijn vrouw. En hij maakte hen tot de zijne. Nooit meer zou hij de woorden vergeten die hij die ochtend in de
tempel vernomen had.
Bij deze smart echter ook de vreugde van de voorspelling van de universele redding: Jezus was voor het aangezicht van alle volken
geplaatst, Hij zou het licht zijn
dat voor alle volken straalt en een glorie voor zijn volk Israël.
Geen groter leed dan het zien van het verzet tegen de genade; geen vreugde
vergelijkbaar met de constatering, dat de
verlossing vandaag de dag werkelijkheid wordt en dat velen tot Christus
naderen. Hebben wij niet in deze vreugde
gedeeld, wanneer een van onze vrienden zich opnieuw tot God heeft gekeerd in het sacrament van boete en vergeving of wanneer hij besluit zijn leven
onvoorwaardelijk aan God te wijden?
«O, allerheiligste
en welbeminde Maagd! -zo bidden we tot Onze Lieve Vrouw-, help ons te delen in het lijden van Jezus,
zoals Gij gedaan hebt, en in ons hart een diepe afkeer van de zonde te voelen,
een heviger verlangen naar heiligheid, een edelmoediger liefde tot Jezus en
zijn kruis, opdat wij, zoals gij, met onze vurige en meelijdende liefde zijn
immense vernederingen en lijden herstellen.»14
Heilige Jozef, onze vader en heer, help ons met uw machtige voorspraak velen
tot Jezus te brengen, die ver van Hem verwijderd of op zijn minst niet
voldoende nabij zijn, zoals Hij verlangt.
-1. Mt 1,18. -2. Mt 1,20. -3. Johannes Paulus ii, Apost.
exhort. Redemptoris custos, 15-VIII-1989,
5. -4. Vgl. The Navarre Bible,
noot bij Mt 20. -5. Vgl. Lc 2,1. -6. Lc 2,6-7. -7. Lc 2,13-14. -8. Vgl. F. Suárez, Jozef van
Nazareth. -9. Lc 2,21. -10. Mt 1,21. -11. Vgl. M. Gasnier, Los silencios de San José, bl. 101. -12. Lc 2,22. -13. L. Cristiani, San José, Patrón de la Iglesia
universal, Madrid 1978, bl. 66. -14. A. Tanquerey, La
divinización del sufrimiento, bl.
116.