Vijfde zondag van de
heilige Jozef
24. SMART EN VREUGDE (II)
-De vlucht naar
Egypte. -De terugkeer naar Nazaret. -Jezus vermist en teruggevonden in de
tempel.
24.1 Nadat zij waarschijnlijk reeds hun intrek hadden genomen in een bescheiden woning te Betlehem,
ontving de Heilige Familie op een goede dag het onverwachte en
verrassende bezoek van de Wijzen, met hun gaven van eerbetoon aan het goddelijk Kind. Maar meteen nadat deze illustere personen waren vertrokken, verscheen een
engel van de Heer in een droom aan Jozef en zei tot hem: Sta op, neem het Kind en zijn
moeder, vlucht naar Egypte en blijf daar tot ik u waarschuw, want Herodes komt
het Kind zoeken om het te doden.1
Eerst de grote vreugde vanwege het bezoek van
die voorname mannen, meteen daarna het verlaten van het pas
ingerichte huis en van de kleine klantenkring die Jozef in Betlehem al
zal hebben verworven, het op weg gaan naar
een vreemd en hem onbekend land en vooral de vrees voor Herodes, die op
zoek was naar het Kind om het te
doden. Wederom, het heldere licht én de schemering waarin God degenen die Hij uitverkiest zo vaak doet verkeren;
tegelijk met een onvergelijkelijke vreugde een diep lijden. God wil de zijnen niet ver van de
vreugde, maar evenmin van het kruis.2 De Heer,
«die de mensen bemint -zo merkt de heilige Johannes Chrysostomus op bij zijn
toelichting op deze passage-, deed
moeilijkheden en aangename dingen altijd samengaan, een stijl die Hij bij alle heiligen volgde. Noch gevaren
noch vertroosting geeft Hij ons voortdurend tegelijk, maar met allebei verweeft
Hij het leven van de rechtvaardigen. Zo deed Hij ook met Jozef.»3
De Heilige Familie begaf zich aanstonds op weg,
zoals de engel gezegd had, en ze zullen alleen maar het hoognodige voor
onderweg hebben meegenomen. «Aangezien
Jozef arm was, kon hij meteen bij het eerste
teken vertrekken. Zijn bezittingen vormden voor hem geen enkele hindernis! Hij pakt zijn reisstok, zijn
rijdier -volgens de traditie een ezel- en daarop gaat hij weg met alleen maar Maria en het Kind Jezus. Juist vanwege zijn
armoede zal hij onopgemerkt voortgaan. En omdat Jozef naast zijn
armoede ook de nederigheid en gehoorzaamheid in de hoogste graad beoefent,
gehoorzaamt hij onverwijld en zonder te klagen op de bevelen uit de hemel.»4
Intussen lieten veel kinderen beneden de twee
jaar uit die streek, zonder het te weten, hun leven omwille van Jezus. Dit
martelaarschap opende voor hen aanstonds de poorten van de hemel, waar zij nu
het eeuwige geluk genieten in het aanschouwen van de Heilige Familie. Hun
moeders werden geheiligd door de smart die zij in hun ziel leden en die voor
hen een middel tot redding werd.
Sint Jozef moest
van voren af aan en met grote inspanning zijn gezinsleven weer opbouwen, in het
begin wellicht zonder te weten of hij de dag
erna de middelen zou hebben om de
Heilige Familie te onderhouden. Na een tijdje zal hij een zekere
stabiliteit bereikt hebben; hij zal in ieder geval alle menselijke middelen die binnen zijn bereik lagen, hiertoe hebben
aangewend. Hoewel zij zich in een vreemd land bevonden, genoot Jozef
gedurende die tijd, die misschien wel enige jaren heeft geduurd, de vreugde en blijdschap van het samenleven met Jezus en Maria,
die hij de rest van zijn dagen bij
zich zou hebben. Later, toen zij weer in Nazaret woonden, zullen zij
zich die tijd wellicht herinnerd hebben als «de jaren in Egypte» en zullen ze
gesproken hebben over de zorgen en de moeilijkheden van de reis en de eerste
maanden, maar ook over de vrede die zij als
de ouders genoten bij het zien van Jezus, die opgroeide en uit hun mond
de eerste gebeden leerde bidden.
Jezus verschijnt vanaf het begin bij het kruis,
en met Hem degenen die Hij het meest beminde en die Hem het meest liefhadden,
Maria en Jozef. De heilige aartsvader moest veel lijden, maar hij verloor niet
zijn geduld tegenover de plannen van God, die zo moeilijk te begrijpen waren;
ook wij «mogen ons niet te zeer verwonderen over tegenspraak, lijden of
onrechtvaardigheid en daardoor onze gemoedsrust verliezen. Het is allemaal zo
voorzien.»5
24.2 De Heilige Familie bleef in Egypte tot de dood van Herodes.6 Nadat
Herodes gestorven was, verscheen in Egypte een engel van de Heer in een droom aan Jozef en
zei: Sta op, neem het Kind en zijn moeder en trek naar het land Israël, want die het Kind naar het leven stonden
zijn gestorven.7 Jozef deed aldus; maar «in de diverse omstandigheden van zijn leven wil de Patriarch niet nalaten na te denken noch afstand te doen van zijn
verantwoordelijkheid. Integendeel, hij stelt zijn hele menselijke
ervaring in dienst van het geloof. Toen hij uit Egypte terugkwam, vernam hij dat in Judea Archelaüs heerste in plaats van zijn vader
Herodes, en vreesde hij daarheen te gaan (Mt 2,22).
Hij heeft geleerd
zich binnen het goddelijk plan te bewegen; en als
bevestiging dat hetgeen hij al vermoedt, de wil van God is, ontvangt hij de
aanwijzing om naar Galilea terug te gaan.»8 En
hij vestigde zich in een stad, Nazaret geheten...9 Jozef moet opnieuw met zijn gezin verhuizen en
wil zich naar Judea begeven, hoogstwaarschijnlijk naar Betlehem, vanwaar zij
naar Egypte waren vertrokken. Maar ook deze keer wilde God de Vader degenen die
Hij het meest op aarde liefhad, moeilijkheden en angsten niet besparen.
Onderweg moet Jozef hebben vernomen, dat in Judea Archelaüs heerste, die als
even heerszuchtig en wreed als zijn vader bekendstond. En hij droeg een schat
met zich mee, die te kostbaar was om aan enig gevaar bloot te stellen, en hij vreesde daarheen te gaan.
Terwijl hij erover nadacht waar het voor Jezus het beste zou zijn zich te
vestigen -want het gaat bij alle beslissingen die hij in zijn leven neemt
steeds om Jezus - werd hij in een droom gewaarschuwd en ging hij naar de streek
Galilea. In Nazaret ontmoette hij oude vrienden en verwanten, hij paste zich
aan een nieuw land aan, het zijne, en beleefde er met Jezus en Maria jaren van
geluk en vrede.
Wij bidden tot Maria en Jozef dat wij, om God
meer te beminnen, de tegenslagen en moeilijkheden die het leven met zich
meebrengt weten te benutten; en dat wij niet uit ons evenwicht raken als wij de
Heer wat dichter willen volgen en ons dan soms dichter bij het kruis voelen, maar
dat wij dit zien als een zegen en een teken van voorliefde van Godswege. «O,
gezegende Maagd, gij die zozeer profijt wist te trekken uit uw verblijf in een
vreemd land, help ons om ons verblijf in dit dal van tranen goed te benutten! Dat wij naar uw voorbeeld God onze
inspanningen, lasten en smarten aanbieden, opdat Jezus Christus inniger
moge heersen in onze ziel en in de ziel van onze naasten.»10 Tot de heilige Jozef bidden
we, dat hij ons sterk maakt in de moeilijkheden, door steeds naar Jezus
te kijken, die ook ons zeer nabij is. Hij zal onze kracht zijn.
24.3 Bij de laatste smart en vreugde zien wij hoe Jezus vermist wordt en in
de tempel teruggevonden. De Wet schreef voor, dat alle Israëlieten een
pelgrimstocht naar de tempel van Jeruzalem moesten maken bij gelegenheid van de
drie voornaamste feesten: Pasen, Pinksteren en het Loofhuttenfeest. Dit
voorschrift was bindend vanaf twaalfjarige
leeftijd. Wanneer men op meer dan een dagreis afstand woonde, kon men
volstaan met het bijwonen van een van genoemde feesten. De Wet vermeldde niets
over de vrouwen, maar het was de gewoonte dat zij hun echtgenoot vergezelden.
Als goede Israëlieten gingen Maria en Jozef ieder jaar naar Jeruzalem voor het Paasfeest. Toen Jezus twaalf jaar was, ging Hij
met zijn ouders naar Jeruzalem.11 Wanneer
de tocht meer dan één dag in beslag nam, verzamelden meerdere gezinnen zich
voor de reis en legden zij gezamenlijk de weg af. Nazaret lag op vier of vijf
dagreizen van Jeruzalem.
Wanneer het feest,
dat een week duurde, afgelopen was, verzamelden de kleine karavanen zich weer in de
omgeving van de stad en werd de terugreis aanvaard. De mannen gingen met de ene karavaan mee, de vrouwen met de
andere; de kinderen legden de weg af met zowel de ene als de andere
karavaan. Mannen en vrouwen kwamen bij het donker worden samen voor het avondmaal.
Toen Maria en
Jozef aan het einde van de eerste etappe van de reis bij
elkaar kwamen, bemerkten zij meteen, dat
Jezus niet bij hen was. In het begin dachten zij, dat Hij zich bij een andere groep bevond, en zij gingen
Hem zoeken. Maar niemand had Jezus tijdens de reis gezien! De gehele
volgende dag brachten zij door met het inwinnen van inlichtingen over het Kind:
zij gingen een dagreis verder en zochten Hem onder familieleden en bekenden.
Niemand kon hun ook maar iets over Hem vertellen! Het hart van Maria en Jozef
kromp ineen van angst en smart. Wat kon er gebeurd zijn? Die nacht voordat zij
naar Jeruzalem terugkeerden, moet
verschrikkelijk voor hen geweest zijn. Daags erna keerden zij al zeer
vroeg naar Jeruzalem terug en vroegen daar overal naar Hem. Waar was Jezus? Wat
zou er toch gebeurd zijn? Zij vragen, beschrijven hun zoon, maar niemand wist
iets. «Zij zetten hun zoektocht voort -hij
met vertrokken gelaat, zij onder smart gebukt- en leren aldus de toekomstige
geslachten hoe men zich dient te gedragen wanneer men getroffen wordt door het
ongeluk Jezus te verliezen.»12
Het ergste van
alles was wellicht het schijnbare stilzwijgen van God.
Zij, Maria, was Gods welbeminde; hij, Jozef, was uitverkoren om over beiden te
waken en hij had ook Gods tussenkomst mogen ervaren in zaken die de mensen aangaan. Hoe kon, na twee dagen ten hemel
schreien, onophoudelijk en steeds
angstiger zoeken, de hemel stom blijven voor hun smekingen en leed?13 Soms zwijgt God in ons leven en lijkt het alsof wij Hem verloren hebben. Soms door onze schuld; andere keren lijkt Hij zich te
verbergen, opdat wij Hem zoeken. «Jezus, dat ik U nooit meer moge verliezen...»14, zeggen wij tot Hem in het diepst van ons hart.
Op de derde dag, toen alle mogelijkheden al
uitgeput leken, vonden zij Jezus. Stellen wij ons de vreugde voor die de ziel van Maria en Jozef overstroomd
zal hebben, hun stralend gezicht, toen zij naar huis terugkeerden met de
Schepper van de vreugde, met God zelf, die verloren was geraakt en die zij
zojuist hadden wedergevonden. Zij zullen het Kind tussen hen in hebben genomen,
als uit vrees Hem weer te verliezen; of, op zijn minst -indien zij Hem niet
vreesden te verliezen- omdat zij meer wilden genieten van zijn aanwezigheid,
die zij drie dagen lang hadden moeten ontberen: drie dagen die voor hen, door
de bittere smart, eeuwen moeten hebben geleken.
«Jezus, dat ik U
nooit meer moge verliezen...»
Tot de heilige Jozef
bidden wij, dat wij Jezus nooit door de zonde verliezen, dat onze blik niet door lauwheid verduisterd
wordt, maar dat wij zijn beminnelijk aangezicht helder voor ogen hebben
staan. We bidden hem, dat hij ons leert Hem met alle krachten te zoeken -als
het enig noodzakelijke-, wanneer ons ooit het ongeluk treft Hem te verliezen.
-1. Mt 2,13.
-2. The Navarre Bible, noot
bij Mt 2,14. -3. H. Johannes
Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 8. -4. L. Cristiani, San José, Patrón de la Iglesia
universal, bl. 78. -5. F. Suárez, Jozef van
Nazareth. -6. Mt 2,14. -7. Mt 2,19. -8. H. Jozefmaria Escrivá, Als
Christus nu langs komt, 42.
-9. Mt 2,23. -10. A. Tanquerey, La divinización del sufrimiento, bl.
120. -11. Vgl. Lc 2,41-42.
-12. M. Gasnier, Los silencios de San José, bl.
129. -13. Vgl. F. Suárez, o.c., bl. 190. -14. H. Jozefmaria Escrivá, De heilige rozenkrans, vijfde blijde geheim.