Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Eerste week. Donderdag

9. SMEEKGEBED

-Smeken en danken, twee manieren om met God om te gaan. Twee soorten gebed die God aangenaam zijn. Oprechte bedoeling bij ons verzoek. -Nederigheid en volharding in ons smeken. -God luistert altijd naar ons. Voorspraak van Maria en onze engelbewaarder.

9.1 Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en ge zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan. Want al wie vraagt verkrijgt; wie zoekt vindt en voor wie klopt doet men open.1 

We besteden een flink deel van ons leven aan het vragen van dingen aan mensen die meer hebben dan wij, of die meer kennis hebben dan wij. We vragen, omdat we iets nodig hebben. Vaak is het vragen het enige contact dat we met mensen hebben. Als we nooit om iets zouden vragen, zouden we in een soort luchtledig eindigen, in een bepaald valse, armelijke zelfgenoegzaamheid. Het belangrijkste deel van ons leven en van ons wezen bestaat uit ons vragen en geven. Als we om iets vragen, geven we toe dat we iets nodig hebben. Als we iets geven, kunnen we ons bewust worden van de grenzeloze rijkdommen die God ons in het hart heeft gelegd.

Hetzelfde gebeurt in onze verhouding met God. Een groot deel van onze verhouding met Hem wordt gevormd door ons smeken, terwijl de rest afhankelijk is van onze vrijgevigheid jegens Hem. Als we Hem dingen vragen, erkennen en belijden we onze fundamentele ontoerei­kendheid. Vragen maakt ons nederig.

En wat meer telt, we geven God de gelegenheid ons te tonen dat Hij onze Vader is. Op die manier leren we Gods liefde voor ons kennen. Of is er wel iemand onder u die zijn zoon een steen zou geven, als hij om brood vraagt? [...] Hoeveel te meer zal dan uw Vader, die in de hemel is, het goede geven aan wie Hem daarom vragen.2 We moeten niet gedreven worden door zelfgenoegzaamheid, trots, gierigheid of jaloezie als we ons verzoek doen. Als we, bij voorbeeld, vragen om hulp bij een examen of een repetitie, als we een gunst willen hebben in de materiële orde, als we genezing zoeken voor een ziekte... moeten we in Gods aanwezigheid zoeken naar de ware achtergrond van ons smeken. Vanuit de diepte van onze ziel zullen we Hem vragen, of ons verzoek ons zal helpen Hem meer te beminnen en zijn wil meer in praktijk te brengen. Dan zullen we ons plotseling bewust worden hoe onbelangrijk de zaak is waar we om vragen, de begeerde gunst die ons een zaak van leven en dood leek. En we zullen bedenken dat de zaak waar we onze zinnen op gezet hadden alles bij elkaar niet zo belangrijk is. We zullen leren onze wil op één lijn te brengen met die van God en dan kunnen we er zeker van zijn, dat ons smeken in de goede richting gaat.

We kunnen God natuurlijk vragen ons snel van een ziekte te genezen. Tegelijkertijd moeten we Hem dan vragen, dat Hij ons, als het niet uitkomt omdat Hij andere plannen heeft -plannen die geheimvol en verborgen zijn, maar wel de plannen van een Vader- de genade zal geven die we nodig hebben om dat specifieke lijden geduldig te dragen. We zullen vragen om de wijsheid, uit die ziekte de vruchten te trekken die onze ziel en de hele Kerk ten goede komen.

De eerste voorwaarde voor welk smeken dan ook om werkzaam te zijn is dat we onze wil richten naar Gods wil. Soms wil God iets en laat Hij iets gebeuren, dat wij niet willen of niet begrijpen, maar dat ons en anderen ten slotte ten goede zal strekken. Elke keer als we de daad stellen onze wil gelijk te maken aan die van God, hebben we een belangrijke stap gezet in de richting van de deugd der nederigheid.

Er zijn ontelbaar veel goede dingen die God wil dat we aan Hem vragen, zodat Hij ze ons kan geven, stoffelijke en geestelijke goederen, allemaal gericht op ons heil of dat van onze naaste. «Zijn jullie het niet met me eens dat, als we niet krijgen wat we God vragen, dat komt omdat we niet gelovig bidden, met een voldoende rein hart, met genoeg vertrouwen, of doordat we niet zo volharden in het gebed als we zouden moeten? God heeft nooit en zal nooit iets weigeren aan hen die Hem op de juiste wijze om zijn genade vragen.»3

9.2 We zouden moeten proberen altijd te bidden met het vertrouwen van een kind. Dan zullen we trachten onze wil te vereenzelvigen met die van God, onze Vader: niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede4, zouden we op ieder gebed moeten laten volgen. We zijn er immers niet op uit koste wat kost onze eigen plannen door te zetten; we willen eerder Gods wil uitvoeren dan de onze. De evangelies confronteren ons met heel wat gevallen van deze kinderlijke, nederige en volhardende gebeden. De heilige Matteüs vertelt ons over het smeken van een vrouw5 dat ons allen ten voorbeeld kan strekken. Jezus kwam naar de streek van Tyrus en Sidon, het land van de heidenen. Hij zocht voor zijn apostelen een plaats om te rusten omdat hij die in de woestijnstreek van Betsaïda niet kon vinden. Hij wilde een paar dagen met hen alleen zijn.

Onderweg komt er een vrouw op hen af met een dringende vraag. Ondanks de volharding in haar smeken bleef Jezus zwijgen. Maar Hij gaf haar in het geheel geen antwoord, zegt de evangelist.

De leerlingen vragen Hem aan haar verzoek aandacht te geven, zodat ze weer verder kan gaan. Ze veroorzaakt last met haar aandringen. Jezus denkt daar anders over. Na een poosje verbreekt hij zijn zwijgen. Hij wendt zich, geroerd door haar nederigheid, tot haar om te luisteren. Hij verklaart haar Gods heilsplan. Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden. Dat was van alle eeuwigheid Gods plan. Met zijn leven en dood aan het Kruis wil Hij de mensen verlossen, maar het Goede Nieuws wordt het eerst verkondigd in Israël. Later zullen de apostelen het eeuwenlang uitdragen tot de einden der aarde6, aan alle mensen.

Maar de Kananese vrouw die vrijwel zeker niet veel begreep van Gods plannen, is niet ontmoedigd door zijn antwoord: maar zij kwam naderbij, wierp zich voor zijn voeten neer en zei: Heer, help mij. Zij weet wat ze wil en ze weet dat ze het van Jezus kan krijgen.

Dan heeft de Heer opnieuw een parabel om haar uit te leggen wat hij net bedoeld heeft: Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is, aan de honden te geven. De 'kinderen' zijn het volk van Israël7, daar behoorde zij niet toe. Voor de heidenen had het uur nog niet geslagen.

De vrouw geeft echter vastbesloten niet op. Haar geloof neemt toe en vloeit over. Wel waar, Heer, honden eten immers toch ook de kruimels die van de tafels van hun meesters vallen. Zo'n groot geloof, zo'n nederigheid, zo'n volhar­­ding laten de Heer uitroepen: Vrouw, gij hebt een groot geloof. En Hij vervolgt op een toon waarin plechtig­heid gepaard gaat met waardigheid: Uw verlangen wordt ingewilligd.

De evangelist voegt er zorgvuldig aan toe: En van dat ogenblik af was haar dochter genezen. Voor dit uitzonderlijke wonder waren een uitzonderlijk geloof, een uitzonderlijke nederigheid en een uitzonderlijke volharding nodig.

Jezus hoort ons altijd, ook als het lijkt of Hij zich stilhoudt. Misschien luistert Hij dan het aandachtigst naar ons. Misschien spoort Hij ons -met deze schijnbare stilte- aan de juiste gesteldheid te vinden om het wonder te laten plaatshebben; Hem met vertrouwen en geloof te vragen en zonder ontmoedigd te raken.

Als we voelen dat we iets moeten hebben, zal ons gebed vaak hetzelfde zijn: Heer, help me. Wat een mooi kort gebed, voor zoveel doeleinden, vooral voor de noden van de ziel, die voor ons het dringendst zijn.

Maar vragen alleen is niet voldoende. We moeten volhouden, zoals die vrouw, zonder op te geven, zodat onze volharding meer in het oog springt dan onze verdiensten. Het vurig gebed van een rechtvaardige vermag veel.8 God is aan het wachten met alle genade en hulp, maar Hij wacht ook op ons gebed. Vraag en het zal u gegeven worden, [...] klop en u zal worden opengedaan. En nu denken we aan al onze persoonlijke behoeften en aan die van de mensen die rondom ons leven. God zal ons niet in de steek laten.

9.3 Als Hij ons in een bepaald geval niet geeft wat wij vertrouwvol gevraagd hebben, is dat omdat het voor ons niet goed geweest zou zijn; «Hij die niet geeft, als wat je vraagt slecht voor je is, zorgt goed voor je.»9 Hij is degene die weet wat goed voor ons is. De vraag die we met zoveel aandrang stelden, zal ons misschien op een andere wijze ten nutte komen, op een ander moment, als we het harder nodig hebben. God, onze Vader, zal ons verzoek op de juiste wijze behandelen. «Hij geeft ons altijd meer dan we vragen.»10 Altijd.

We kunnen andere mensen die dicht bij God zijn om hun gebed vragen zodat ons verzoek eerder gehoord wordt. Dat deed de centurion van Kafarnaüm. Hij stuurde de ouderlingen van de Joden om Hem te vragen te komen en zijn knecht te genezen. Die vrienden hebben hun taak tot een goed einde gebracht. Zij gingen naar Jezus en vroegen Hem met grote bezorgdheid en vurigheid met hen mee te gaan: Hij verdient het, zeiden zij, dat Gij hem deze gunst bewijst.11 De Heer luisterde naar hun smeken.

Als we om gebeden vragen is het verstandig eraan te denken dat «na het gebed van priesters en godgewijde maagden, dat van kinderen en zieken aan God het meest welgevallig is.»12 We zullen onze engelbewaarder ook vragen ons verzoek aan God voor te leggen, want «de bijzondere engel van iedere persoon -zelfs van de onbelangrijkste persoon binnen de Kerk- verenigt zijn gebed met het onze en werkt er zoveel als hij maar kan aan mee ons verzoek ingewilligd te krijgen, terwijl hij in de hemel is en de godheid van onze Schepper ziet.»13 

Er is, zoals de Kerk altijd heeft laten zien, nog een andere manier om zeker te zijn dat ons gebed sneller bij God komt. Dat is door bemiddeling van de heilige Maria, Moeder van God en onze Moeder. We wenden ons, voor nu en voor altijd, tot haar: «Gedenk, o goedertierenste maagd Maria, dat het nooit gehoord is, dat iemand die tot u zijn toevlucht nam, uw hulp afsmeekte en om uw bijstand vroeg, in de steek is gelaten. Gesterkt door zulk een vertrouwen snel ik naar u...»14

1 Mt 7,7-8. -2. Mt 7,9.11. -3. H. Jean-Baptiste Marie Vianney, Preek over het bidden. -4. Lc 22,42. -5. Mt 15,21-28. -6. Hnd 1,8. -7. Vgl. Ex 4; Jes 1,2; Hos 11,1; enz. -8. Jak 5,16. -9. H. Augustinus, Preek 126. -10. H. Theresia van Avila, De weg der volmaaktheid, 37. -11. Lc 7,3-4. -12. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 98. -13. Origenes, Verhandeling over het gebed, 10. -14. Gebed Memorare, toegeschreven aan de heilige Bernardus van Clairvaux.



Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 05 feb 2012