Eerste week. Donderdag
9. SMEEKGEBED
-Smeken en danken, twee manieren om met God om te gaan. Twee
soorten gebed die God aangenaam zijn. Oprechte bedoeling bij ons verzoek.
-Nederigheid en volharding in ons smeken. -God luistert altijd naar ons.
Voorspraak van Maria en onze engelbewaarder.
9.1 Vraagt en u zal
gegeven worden; zoekt en ge zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan.
Want al wie vraagt verkrijgt; wie zoekt vindt en voor wie klopt doet men open.1
We besteden een flink deel van ons leven aan het vragen van
dingen aan mensen die meer hebben dan wij, of die meer kennis hebben dan wij.
We vragen, omdat we iets nodig hebben. Vaak is het vragen het enige contact dat
we met mensen hebben. Als we nooit om iets zouden vragen, zouden we in een
soort luchtledig eindigen, in een bepaald valse, armelijke zelfgenoegzaamheid.
Het belangrijkste deel van ons leven en van ons wezen bestaat uit ons vragen en
geven. Als we om iets vragen, geven we toe dat we iets nodig hebben. Als we
iets geven, kunnen we ons bewust worden van de grenzeloze rijkdommen die God
ons in het hart heeft gelegd.
Hetzelfde gebeurt in onze verhouding met God. Een groot deel
van onze verhouding met Hem wordt gevormd door ons smeken, terwijl de rest
afhankelijk is van onze vrijgevigheid jegens Hem. Als we Hem dingen vragen,
erkennen en belijden we onze fundamentele ontoereikendheid. Vragen maakt ons
nederig.
En wat meer telt, we geven God de gelegenheid ons te tonen
dat Hij onze Vader is. Op die manier leren we Gods liefde voor ons kennen. Of
is er wel iemand onder u die zijn zoon een steen zou geven, als hij om brood
vraagt? [...] Hoeveel te meer zal dan uw Vader, die in de hemel is, het goede
geven aan wie Hem daarom vragen.2 We moeten niet gedreven worden door zelfgenoegzaamheid,
trots, gierigheid of jaloezie als we ons verzoek doen. Als we, bij voorbeeld,
vragen om hulp bij een examen of een repetitie, als we een gunst willen hebben
in de materiële orde, als we genezing zoeken voor een ziekte... moeten we in Gods
aanwezigheid zoeken naar de ware achtergrond van ons smeken. Vanuit de diepte
van onze ziel zullen we Hem vragen, of ons verzoek ons zal helpen Hem meer te
beminnen en zijn wil meer in praktijk te brengen. Dan zullen we ons plotseling
bewust worden hoe onbelangrijk de zaak is waar we om vragen, de begeerde gunst
die ons een zaak van leven en dood leek. En we zullen bedenken dat de zaak waar
we onze zinnen op gezet hadden alles bij elkaar niet zo belangrijk is. We
zullen leren onze wil op één lijn te brengen met die van God en dan kunnen we
er zeker van zijn, dat ons smeken in de goede richting gaat.
We kunnen God natuurlijk vragen ons snel van een ziekte te
genezen. Tegelijkertijd moeten we Hem dan vragen, dat Hij ons, als het niet
uitkomt omdat Hij andere plannen heeft -plannen die geheimvol en verborgen
zijn, maar wel de plannen van een Vader- de genade zal geven die we nodig
hebben om dat specifieke lijden geduldig te dragen. We zullen vragen om de
wijsheid, uit die ziekte de vruchten te trekken die onze ziel en de hele Kerk
ten goede komen.
De eerste voorwaarde voor welk smeken dan ook om werkzaam te
zijn is dat we onze wil richten naar Gods wil. Soms wil God iets en laat Hij
iets gebeuren, dat wij niet willen of niet begrijpen, maar dat ons en anderen
ten slotte ten goede zal strekken. Elke keer als we de daad stellen onze wil
gelijk te maken aan die van God, hebben we een belangrijke stap gezet in de
richting van de deugd der nederigheid.
Er zijn ontelbaar veel goede dingen die God wil dat we aan
Hem vragen, zodat Hij ze ons kan geven, stoffelijke en geestelijke goederen,
allemaal gericht op ons heil of dat van onze naaste. «Zijn jullie het niet met
me eens dat, als we niet krijgen wat we God vragen, dat komt omdat we niet
gelovig bidden, met een voldoende rein hart, met genoeg vertrouwen, of doordat
we niet zo volharden in het gebed als we zouden moeten? God heeft nooit en zal
nooit iets weigeren aan hen die Hem op de juiste wijze om zijn genade vragen.»3
9.2 We zouden moeten
proberen altijd te bidden met het vertrouwen van een kind. Dan zullen we
trachten onze wil te vereenzelvigen met die van God, onze Vader: niet Mijn
wil, maar Uw wil geschiede4, zouden we op ieder gebed moeten laten volgen. We zijn er
immers niet op uit koste wat kost onze eigen plannen door te zetten; we willen
eerder Gods wil uitvoeren dan de onze. De evangelies confronteren ons met heel
wat gevallen van deze kinderlijke, nederige en volhardende gebeden. De heilige
Matteüs vertelt ons over het smeken van een vrouw5 dat ons allen ten voorbeeld kan
strekken. Jezus kwam naar de streek van Tyrus en Sidon, het land van de
heidenen. Hij zocht voor zijn apostelen een plaats om te rusten omdat hij die
in de woestijnstreek van Betsaïda niet kon vinden. Hij wilde een paar dagen met
hen alleen zijn.
Onderweg komt er een vrouw op hen af met een dringende vraag.
Ondanks de volharding in haar smeken bleef Jezus zwijgen. Maar Hij gaf haar
in het geheel geen antwoord, zegt de evangelist.
De leerlingen vragen Hem aan haar verzoek aandacht te geven,
zodat ze weer verder kan gaan. Ze veroorzaakt last met haar aandringen. Jezus
denkt daar anders over. Na een poosje verbreekt hij zijn zwijgen. Hij wendt
zich, geroerd door haar nederigheid, tot haar om te luisteren. Hij verklaart
haar Gods heilsplan. Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis
van Israël gezonden. Dat was van alle eeuwigheid Gods plan. Met zijn leven
en dood aan het Kruis wil Hij de mensen verlossen, maar het Goede Nieuws wordt
het eerst verkondigd in Israël. Later zullen de apostelen het eeuwenlang
uitdragen tot de einden der aarde6, aan alle mensen.
Maar de Kananese vrouw die vrijwel zeker niet veel begreep
van Gods plannen, is niet ontmoedigd door zijn antwoord: maar zij kwam
naderbij, wierp zich voor zijn voeten neer en zei: Heer, help mij. Zij weet
wat ze wil en ze weet dat ze het van Jezus kan krijgen.
Dan heeft de Heer opnieuw een parabel om haar uit te leggen
wat hij net bedoeld heeft: Het is niet goed het brood dat voor de kinderen
bestemd is, aan de honden te geven. De 'kinderen' zijn het volk van Israël7, daar behoorde
zij niet toe. Voor de heidenen had het uur nog niet geslagen.
De vrouw geeft echter
vastbesloten niet op. Haar geloof neemt toe en vloeit over. Wel waar, Heer,
honden eten immers toch ook de kruimels die van de tafels van hun meesters
vallen. Zo'n groot geloof, zo'n nederigheid, zo'n volharding laten de
Heer uitroepen: Vrouw, gij hebt een groot geloof. En Hij vervolgt op een
toon waarin plechtigheid gepaard gaat met waardigheid: Uw verlangen wordt
ingewilligd.
De evangelist voegt er zorgvuldig aan toe: En van dat
ogenblik af was haar dochter genezen. Voor dit uitzonderlijke wonder waren
een uitzonderlijk geloof, een uitzonderlijke
nederigheid en een uitzonderlijke volharding nodig.
Jezus hoort ons altijd, ook als het lijkt of Hij zich
stilhoudt. Misschien luistert Hij dan het aandachtigst naar ons. Misschien
spoort Hij ons -met deze schijnbare stilte- aan de juiste gesteldheid te vinden
om het wonder te laten plaatshebben; Hem met vertrouwen en geloof te vragen en
zonder ontmoedigd te raken.
Als we voelen dat we iets moeten hebben, zal ons gebed vaak
hetzelfde zijn: Heer, help me. Wat een mooi kort gebed, voor zoveel
doeleinden, vooral voor de noden van de ziel, die voor ons het dringendst zijn.
Maar vragen alleen is niet voldoende. We moeten volhouden,
zoals die vrouw, zonder op te geven, zodat onze volharding meer in het oog
springt dan onze verdiensten. Het vurig gebed van een rechtvaardige vermag
veel.8 God
is aan het wachten met alle genade en hulp, maar Hij wacht ook op ons gebed. Vraag
en het zal u gegeven worden, [...] klop en u zal worden opengedaan. En nu
denken we aan al onze persoonlijke behoeften en aan die van de mensen die
rondom ons leven. God zal ons niet in de steek laten.
9.3 Als Hij ons in een bepaald geval niet geeft
wat wij vertrouwvol gevraagd hebben, is dat omdat het voor ons niet goed
geweest zou zijn; «Hij die niet geeft, als wat je vraagt slecht voor je is,
zorgt goed voor je.»9 Hij
is degene die weet wat goed voor ons is. De vraag die we met zoveel aandrang
stelden, zal ons misschien op een andere wijze ten nutte komen, op een ander
moment, als we het harder nodig hebben. God, onze Vader, zal ons verzoek op de
juiste wijze behandelen. «Hij geeft ons altijd meer dan we vragen.»10 Altijd.
We kunnen andere mensen die dicht bij God zijn om hun gebed
vragen zodat ons verzoek eerder gehoord wordt. Dat deed de centurion van
Kafarnaüm. Hij stuurde de ouderlingen van de Joden om Hem te vragen te komen en
zijn knecht te genezen. Die vrienden hebben hun taak tot een goed einde
gebracht. Zij gingen naar Jezus en vroegen Hem met grote bezorgdheid en
vurigheid met hen mee te gaan: Hij verdient het, zeiden zij, dat Gij
hem deze gunst bewijst.11 De Heer luisterde naar hun smeken.
Als we om gebeden vragen is het verstandig eraan te denken
dat «na het gebed van priesters en godgewijde maagden, dat van kinderen en
zieken aan God het meest welgevallig is.»12 We zullen onze engelbewaarder ook
vragen ons verzoek aan God voor te leggen, want «de bijzondere engel van iedere
persoon -zelfs van de onbelangrijkste persoon binnen de Kerk- verenigt zijn
gebed met het onze en werkt er zoveel als hij maar kan aan mee ons verzoek
ingewilligd te krijgen, terwijl hij in de hemel is en de godheid van onze
Schepper ziet.»13
Er is, zoals de Kerk altijd heeft laten zien, nog een andere
manier om zeker te zijn dat ons gebed sneller bij God komt. Dat is door
bemiddeling van de heilige Maria, Moeder van God en onze Moeder. We wenden ons,
voor nu en voor altijd, tot haar: «Gedenk, o goedertierenste maagd Maria, dat
het nooit gehoord is, dat iemand die tot u zijn toevlucht nam, uw hulp
afsmeekte en om uw bijstand vroeg, in de steek is gelaten. Gesterkt door zulk
een vertrouwen snel ik naar u...»14
1 Mt 7,7-8. -2. Mt
7,9.11. -3. H. Jean-Baptiste Marie
Vianney, Preek over het bidden. -4. Lc 22,42. -5. Mt
15,21-28. -6. Hnd 1,8. -7. Vgl. Ex 4; Jes 1,2; Hos
11,1; enz. -8. Jak 5,16. -9. H.
Augustinus, Preek 126. -10. H.
Theresia van Avila, De weg der volmaaktheid, 37. -11. Lc
7,3-4. -12. H. Jozefmaria Escrivá,
De Weg, 98. -13. Origenes,
Verhandeling over het gebed, 10. -14. Gebed Memorare,
toegeschreven aan de heilige Bernardus van Clairvaux.
|