Vijftiende week. Dinsdag
5. Spijt en verdriet over de zonde
-Sommige Joodse steden deden geen boete, niettegenstaande
alle wonderen van Christus. Zoals zij, worden ook wij door de Heer bezocht. -De
vruchten van spijt. -Spijt is een geschenk waarom we moeten vragen. De werken
van boetvaardigheid.
5.1 Bij zijn vertrek uit Nazaret koos Jezus Kafarnaüm als zijn
verblijfplaats. De evangeliën verwijzen soms ernaar als zijn stad. Vandaar verbreidde zijn verkondiging zich over geheel Galilea en heel
het gebied van Palestina. Het is mogelijk dat Jezus in het huis van Petrus
verbleef en het zijn vertrekpunt maakte voor zijn apostolische reizen in de
omliggende omgeving. Geen andere plaats in het evangelie als Kafarnaüm was
getuige van zoveel van Christus' wonderen.
Op de noordelijke oever van het meer van Genesaret, niet ver
van Kafarnaüm, lagen twee bloeiende steden -Chórazin en Betsaïda- waar Jezus
ook zeer veel wonderen
deed; toch, niettegenstaande al de tekens en zegeningen, al die
daden van barmhartigheid, werden de inwoners niet bekeerd door de aanwezigheid
van Jezus onder hen. Het evangelie van vandaag herinnert aan de strenge woorden
die de Heer over die steden uitsprak, die niet bereid waren boete te doen en
berouw te hebben voor hun zonden: Wee u, Chórazin; wee u Betsaïda! Tyrus en Sidon zouden reeds
lang, in zak en as, zich bekeerd hebben, indien bij hen de wonderen waren
gebeurd, die bij u hebben plaatsgehad. Ja, Ik zeg u: Het lot van Tyrus en Sidon
zal beter te dragen zijn op de oordeelsdag dan dat van u. En gij, Kafarnaüm,
zult ge soms tot de hemel toe verheven worden? Tot in de onderwereld zult ge
neerzinken. Als in Sodom de wonderen gebeurd waren die bij u zijn geschied, het
zou tot op de dag van vandaag zijn blijven bestaan.1
Zoveel genade, zoveel wonderen! En toch: veel inwoners
veranderden niet en hadden geen berouw over hun zonden. Feitelijk kwamen zij
tegen Christus in opstand: Laat
ons hun ketens verbreken, hun boeien werpen wij af! 2 Hoe vaak zijn deze woorden van Psalm 2
sindsdien niet opnieuw geuit!
Kijk naar Jezus nu, terwijl Hij langs komt. Hij stort zijn
genade en medeleven rijkelijk over ons uit. Hoe vaak is dat niet zo geweest!
Denk aan de ontelbare malen dat Hij stilstond om ons te genezen, ons te
zegenen, ons aan te moedigen goed te doen. Hij heeft zoveel zorg aan ons
besteed en ons zoveel aandacht geschonken! En, omdat Hij zoveel genade aan ons
heeft uitgedeeld, verwacht Hij van ons een antwoord dat daartegen opweegt: oprecht
berouw over onze zonden, algehele afschuw van dagelijkse zonden en van alles
wat ons op enigerlei wijze van Hem zou kunnen scheiden. Jezus luistert altijd
naar ons, maar vooral wanneer wij naar Hem toegaan, bereid om te veranderen, om
onze weg opnieuw te ontdekken en weer te beginnen met een berouwvol en nederig hart.3 Dit hoort altijd zo te zijn, want er zijn een
heleboel gebeurtenissen waarbij wij, bewust of niet, zijn genade verwerpen. En
de belediging die wij Hem aandoen staat in verhouding tot de liefde die Hij ons
heeft bewezen. Kan iemand zo blind zijn om niet Christus te herkennen bij al
die keren dat Hij onze gevallen natuur tegemoet komt?
5.2 Een
berouwvol en nederig hart zult Gij, God, niet als te gering zien. Het woord 'berouwvol' staat voor het Latijnse 'contritus', in stukken
gebroken. Het betekent spijt voor zijn fouten en zonden zoals het hart dat,
door zonde verhard, verbrijzelt wanneer het wordt getroffen door spijt God te
hebben beledigd.4 In de spreektaal gebruiken we
de term 'met een gebroken hart' voor de reactie op een treurig voorval dat
iemand in zijn diepste wezen treft. Iets dergelijks zou moeten gebeuren bij de
overweging van onze zonden in het licht van de heiligheid van God en de grote
liefde die Hij voor ons heeft. In de ziel die oprecht God zoekt is deze reactie
niet zozeer toe te schrijven aan het gevoel van mislukking veroorzaakt door de
zonde dan wel door de wroeging zichzelf ook maar in de geringste mate van God
te hebben afgesneden. Deze spijt om de zonde -berouw- bestaat in wezen uit
wroeging, een oprechte afschuw van de wandaad tegen God, en een vast voornemen
om niet meer te zondigen.5 Het is een bekeren
tot het goede, dat het leven in de ziel opnieuw doet opbloeien.6
Het is boven alles de liefde die ons ertoe zou moeten brengen
God vaak om vergeving te vragen voor de talloze malen dat we de genade die wij
ontvangen, niet beantwoorden zoals we zouden behoren te doen. «De vriend
herinnerde zich zijn zonden, en door de angst voor de hel probeerde hij te
huilen maar hij kon niet. Hij smeekte in tranen om de Liefde, en de Wijsheid
antwoordde hem dat hij eerder om eerbied voor zijn geliefde behoorde te huilen
dan om angst voor de pijniging van de hel, want tranen vergoten om liefde
behagen Hem meer dan die vergoten vanwege angst.»7
Het is liefde die ons naar het sacrament van de boete brengt.
Berouw geeft aan de christen een bijzondere kracht: het geeft
opnieuw hoop, vrede en geluk; en het doet zichzelf vergeten en verliest
zichzelf in de Heer met een grotere innerlijke uitwerking en ontvankelijkheid.
Om God met een berouwvol hart te naderen moeten we onze fouten en zonden
erkennen zoals ze zijn, zonder nietszeggende verontschuldigingen te maken, en
niet verbaasd of geschrokken zijn als we gebreken en tekortkomingen in ons
ontdekken waarvan we dachten dat we ze allang hadden overwonnen. Als we onze
fouten aan de omgeving wijten, dan zouden wij de weg van de nederigheid verlaten
en God niet ontmoeten, die juist zo dichtbij is, wanneer wij Hem verlaten. Als
wij in ons dagelijks gewetensonderzoek onze fouten overwegen, moeten we ze
voornamelijk zien als wandaden tegen God, eerder dan als persoonlijke gebreken.
Als wij ze niet afwegen tegen de achtergrond van Gods liefde zullen we
gemakkelijk geneigd zijn uitvluchten ervoor te vinden. Uiteindelijk zullen we
de goede gesteldheid van berouw, wroeging en boetedoening, die wij voor onze
zonden moeten hebben, verliezen. Met God kunnen we nooit 'in het reine' zijn:
onze toestand is er eerder een van een schuldenaar die niets had om te betalen8; wij zullen altijd behoefte hebben aan zijn
oneindige barmhartigheid. God,
wees mij, zondaar, genadig9,
moeten wij zeggen tot Hem met de woorden van de tollenaar die, in alle
nederigheid, zijn eigen onwaardigheid inzag ten overstaan van de heiligheid van
God.
Eén ding dat wij niet kunnen doen met betrekking tot onze
zonden en mislukkingen, is ze te aanvaarden als iets onvermijdelijks en
natuurlijks, en het op een akkoordje met ze gooien. Wat we moeten doen is
altijd vragen om vergeving, en zo vaak als nodig is opnieuw beginnen; en aan
God de Heer zeggen: Vader,
ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te
heten, maar neem mij aan als één van uw dagloners.10 En God, die «dichtbij het berouwvol hart is»11, zal ons gebed verhoren.
Telkens opnieuw ontmoeten wij in het leven Jezus die
voorbijkomt, zoals Hij vroeger deed in de steden van Galilea, ons uitnodigend
om naar Hem toe te komen en onze zonden achter ons te laten. Laten wij die
liefdevolle ontmoeting niet uitstellen. Nunc coepi: Nu begin ik, opnieuw, met uw hulp,
o Heer.
5.3 Wee u,
Chórazin! Wee u Betsaïda! Wij kunnen ons de
teleurstelling in de stem van de Heer voorstellen toen Hij deze woorden
uitsprak. Hij was zich ervan bewust dat de genade die Hij zo gul en vrijgevig
over zijn toehoorders uitstrooide, geen wortel schoot in hun zielen. Zij zullen
Hem zo nu en dan wel hebben gevolgd, vol enthousiasme en waardering bij het
gadeslaan van een genezing, maar in het diepst van hun hart waren zij nooit met
Hem.
Wij moeten van onze kant de Heilige Geest om de grote gave
van berouw vragen. Wij moeten proberen God dikwijls onze spijt en onze liefde
te betuigen, vooral als wij Hem met iets ernstigs hebben gekwetst; en ook wanneer
wij gaan biechten, als we ons geweten onderzoeken, en in de loop van de dag.
Het kan veel helpen als we de staties van de Kruisweg of het Lijden van de Heer
overwegen. Laten wij voortdurend Jezus' oneindige liefde voor ons voor ogen
houden, en de belediging en vernedering die zonden voor Hem betekenen.
Dat we zonden betreuren, houdt niet noodzakelijk in dat we
ook een gevoel van berouw hebben. Precies zoals liefde, is berouw een daad van
de wil, niet een gevoel. En net als iemand God diep kan liefhebben zonder enige
gevoelsreactie, kan iemand ook echt spijt hebben over zonden zonder iets van
gevoel te ervaren. Echt berouw uit zich voornamelijk in de wijze waarop iemand
zonder aarzelen elke gelegenheid om God te beledigen vermijdt, en bereid is
specifieke daden van boete te doen voor begane trouweloosheid. Dat zijn de
dingen die ons helpen de straf die onze zonden verdienen uit te boeten, slechte
gewoonten te overwinnen, en ons aan te moedigen het goede te doen.
Welke boetedoeningen wil God graag van ons? Dat zijn: gebed,
vasten, aalmoezen geven, kleine verstervingen, geduld bij teleurstellingen en
moeilijkheden, bereid zijn de eentonige kanten van ons werk en de vermoeidheid
die een essentieel onderdeel van werk is te aanvaarden. In het bijzonder moeten
we de bereidheid en het verlangen hebben om goed te biechten, met echte spijt
over onze fouten en zonden.
»En durf er met diezelfde instelling aan toe te voegen:
Moeder, mijn Leven, mijn Hoop, neem mij bij de hand... en als er nu iets in mij
mijn Vader God niet welgevallig is, verleen mij dan, dat ik het zie, zodat wij
het, wij samen, uit kunnen rukken.
»Ga onbevreesd verder: O goedertieren, o liefdevolle, o zoete
Maagd Maria; bid voor mij, heilige Moeder van God, opdat ik, na de
allerbeminnelijkste Wil van uw Zoon vervuld te hebben, de belofte van Christus
waardig worde.»12
-1. Mt
11,20-24. -2. Ps
2,3. -3. Ps
51,17. -4. Vgl. Catechismus
van de heilige Pius X, 684-685. -5. Vgl. Concilie van Trente, Zitting XIV, hfst.
4, Dz 987. -6. Vgl. M. Schmaus, Dogmatische Theologie,
VI, De Sacramenten,
p.562. -7. R. Lullius, Het Boek van de Vriend en de
Geliefde, p.34. -8. Vgl. Mt 18,25. -9. Lc 18,13. -10. Lc 15,18-19. -11. H. Augustinus, Commentaar op het evangelie van
Johannes, 15,25. -12. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 161.
|