Paasoktaaf. Vrijdag
6. STANDVASTIGHEID IN HET APOSTOLAAT
-Christus ontdekken in de gebeurtenissen van ons leven.
-Apostolaat veronderstelt werk met geduld. -Apostolaat vereist tijd en
menselijke en bovennatuurlijke middelen.
6.1 Jezus Christus... is de steen die tot
hoeksteen is geworden. In niemand anders ligt dan ook de redding en geen andere
Naam onder de hemel is aan de mensen gegeven, waarin wij gered moeten worden.1
De apostelen zijn uit Jeruzalem vertrokken naar Galilea,
zoals de Heer hun had gezegd.2 Ze zijn daar bij het meer op dezelfde plaats, of een die
erop lijkt, waar Jezus hen aantrof en hen uitnodigde Hem te volgen. Nu zijn zij
teruggekeerd naar de vroegere beroepen, die zij hadden toen de Heer hen voor
het eerst riep. Jezus treft hen daar weer aan, verdiept in hun werk. De
verschijning verliep als volgt: Er waren bijeen Simon Petrus, Tomas die ook
Didymus genoemd wordt, Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en
nog twee van zijn leerlingen.3 Allen te zamen zijn ze met zijn zevenen. Het is al
schemerdonker. Andere boten waren al uitgevaren om te vissen. Simon Petrus
zei tot hen: Ik ga vissen. Zij antwoordden: Dan gaan wij mee. Zij gingen dus op
weg en klommen in de boot, maar zij vingen die nacht niets.
Toen het reeds morgen begon te worden, stond Jezus aan het
strand. De verrezen Jezus komt de zijnen opzoeken, om hen in het geloof en
in zijn vriendschap te sterken en verder te gaan met hun de grote zending die
hen wacht, uit te leggen. De leerlingen wisten niet dat het Jezus was; zij
herkenden Hem nog steeds niet. Zij zijn ongeveer een honderdtal meters van de
wal. Op deze afstand, bij het ochtendgloren, kunnen zij de gelaatstrekken van
de man niet erg goed onderscheiden, maar zo gauw Hij begon te spreken kunnen ze
Hem horen: Vrienden, hebben jullie soms wat vis? vraagt de Heer hun. Neen,
antwoordden ze. Toen zei Hij hun: Werpt het net uit rechts van de boot, daar
zult ge iets vangen. En Petrus gehoorzaamt. Nadat zij dit gedaan hadden,
waren zij niet meer bij machte het net op te halen vanwege de grote hoeveelheid
vissen. Johannes bevestigt de innerlijke overtuiging van Petrus. Zich naar
hem overbuigend zegt hij Het is de Heer! Zo gauw Simon Petrus hoorde dat
het de Heer was, trok hij zijn bovenkleed aan en sprong in het meer. De
andere leerlingen kwamen met de boot, want zij waren niet ver uit de kust,
slechts ongeveer tweehonderd meter, en sleepten het net met de vissen achter
zich aan.
De liefde van Johannes deed hem de Heer op het strand
onmiddellijk herkennen: Het is de Heer! «Liefde, liefde ziet van verre. Als
eerste is het de liefde, die goedheid begrijpt. De jonge Apostel, met de diepe
genegenheid die hij voor Jezus voelt omdat hij Christus met de zuiverheid en
tederheid van een onschuldig hart liefheeft, schreeuwt het uit: Het is de
Heer!»4
Gedurende de nacht hadden zij alleen, in de afwezigheid van
Christus, tevergeefs geploeterd. Zij hadden hun tijd verloren. In de ochtend,
toen het licht was, toen Jezus aanwezig was en met zijn woord licht en leiding
aan het werk gaf, waren de netten boordevol gevuld toen zij aan land werden
gebracht.
Hetzelfde overkomt ons elke dag. In Christus' afwezigheid
wordt de dag duisternis, een lege nacht, gewoon een andere dag in ons leven.
Onze inspanningen zijn op zichzelf niet voldoende; wij hebben God nodig om ze
vruchtbaar te maken. Aan de zijde van Christus, wanneer wij Hem bij ons hebben,
worden onze dagen verrijkt. Pijn en ziekte worden omgezet in een schat die
blijft na de dood. Met Jezus bij ons wordt de opgave van het leven met degenen
rondom ons een hele wereld van mogelijkheden om goed te doen: gelegenheid voor
belangstelling, aanmoediging, hartelijkheid, gebed voor anderen...
Het echte drama voor een christen begint, wanneer hij Jezus
niet langer in zijn leven kan zien; wanneer, vanwege lauwheid of zonde of
trots, de horizon verduisterd raakt; als er gewerkt wordt alsof Jezus niet bij
hem is, alsof de Heer nooit uit de dood is verrezen.
We moeten heel veel bidden tot Onze Lieve Vrouw om ons te
helpen onze Heer te ontdekken te midden van al de gebeurtenissen van ons leven,
zodat we heel vaak kunnen zeggen: Het is de Heer! En dit ook als het een
zaak is van verdriet of van vreugde, of wat de omstandigheden ook mogen zijn.
Altijd dicht bij Hem, aan Christus' zijde zullen wij, in alle omstandigheden en
situaties, apostelen zijn te midden van de wereld.5
6.2 Toen zij aan land kwamen, zagen zij dat er al
een houtskoolvuur was aangelegd met wat vis er op en brood. Jezus sprak tot
hen: Haalt wat van de vis, die gij juist gevangen hebt. Simon Petrus ging
weer aan boord en sleepte het net aan land. Het was vol grote vissen,
honderddrieënvijftig stuks; en ofschoon er zoveel waren, scheurde het net niet.
De kerkvaders hebben dit incident vaak becommentarieerd. Zij
zien de boot als beeld van de Kerk, wier eenheid wordt gesymboliseerd door het
net dat niet scheurt. Het meer is de wereld; Petrus in de boot verzinnebeeldt
de opperste autoriteit van de Kerk. Het aantal vissen wijst op hen die geroepen
zijn.6 Wij,
zoals de apostelen, zijn de vissers die mensen tot aan de voeten van Christus
moeten brengen, want de zielen behoren God toe.7
«Waarom nam de Heer zoveel vissers op onder zijn apostelen?
[...] Wat waren de goede eigenschappen die Hij in hen zag? Ik denk dat er één
ding was, dat Hij bijzonder waardeerde in hen, die zijn apostelen moesten
worden: hun onwankelbaar geduld. [...] Zij hadden de hele nacht gezwoegd en niets
gevangen; lange uren van wachten waarna het grijze licht van het ochtendgloren
hun de beloning moest brengen, maar er was er geen...
»Wat heeft de Kerk van Christus een lang wachten moeten
verdragen door de eeuwen heen... geduldig haar uitnodiging aanbiedend en het aan
de genade overlatend haar werk te doen!... Wat doet het ertoe als zij op een of
andere plaats erg hard heeft gewerkt en zeer weinig voor haar Meester heeft
geoogst? Ondanks alles zal zij op zijn woord haar netten opnieuw uitwerpen tot
het moment dat zijn genade, waarvan de maat op geen enkele wijze in verhouding
staat tot de menselijke inspanningen, haar weer een nieuwe visvangst oplevert.»8 Wij weten niet
hoe en wanneer, maar alle apostolische inspanning geeft resultaat, ofschoon het
vaak gebeurt, dat we het niet zien. Onze Heer vraagt van ons, christenen,
dezelfde houding van geduldig wachten als Hij in de vissers aantrof. Hij vraagt
ons standvastig te zijn in ons persoonlijk apostolaat met onze vrienden en
kennissen, hen nooit in de steek te laten of iemand als onmogelijk op te geven.
Geduld is een hoofdbestanddeel van de deugd van de sterkte;
het brengt ons ertoe geduldig te wachten als de situatie dat vereist;
menselijke en bovennatuurlijke middelen te gebruiken; vaak opnieuw te beginnen;
rekening te houden met onze eigen tekortkomingen en van de mensen die wij naar
God willen brengen. «Het geloof is een onmisbaar vereiste voor het apostolaat
en vaak komt dat tot uiting in de volharding waarmee iemand over God spreekt,
ook al laten de vruchten op zich wachten.
»Als we doorzetten en vasthoudend zijn in de overtuiging dat
de Heer het wil, zullen er ook in jouw omgeving overal tekenen van een
christelijke revolutie gaan verschijnen: sommigen zullen zich geven, anderen
zullen hun innerlijk leven serieus gaan nemen en weer anderen -de zwaksten-
zullen op zijn minst gewaarschuwd zijn.»9
6.3 Jezus kende de gebreken van zijn apostelen
al, toen Hij hen riep. Hij accepteert hen zoals ze zijn. Tegen Petrus zou Hij
die morgen, nadat Hij met hen gegeten had, zeggen: Simon, zoon van Johannes,
hebt ge Mij meer lief dan dezen?... Weid mijn lammeren... Hoed mijn schapen.10 Hij rekent op
hen voor het stichten van zijn Kerk. Hij geeft hun de macht om het Offer van
het Altaar aanwezig te stellen in zijn naam, de macht om zonden te vergeven.
Hij vertrouwt zijn leer en leerstellingen aan hun zorgen toe. Hij stelt zijn
volste vertrouwen in hen en vormt hen met geduld. Hij neemt de nodige tijd om
hen geschikt te maken voor de zending, die zij zullen moeten volbrengen.
Onze Heer heeft ook de tijd en de manier voorzien voor de
heiliging van iedere persoon met volledige inachtneming van een ieders
persoonlijke instemming met zijn genade. Van onze kant worden wij opgeroepen om
goede kanalen te zijn, waardoor zijn genade zal stromen, en om in onszelf, onze
vrienden, onze verwanten, onze kennissen en collega's de werking van de Heilige
Geest te vergemakkelijken... Als onze Heer nooit moe wordt zijn hulp aan iedereen
te geven, hoe kunnen wij dan, die alleen maar instrumenten zijn, ooit
ontmoedigd geraken?
De weg, die naar de hemel gaat, is een moeizame weg. En God
geeft gewoonlijk geen genade die onmiddellijk en definitief de heiligheid
schenkt. Normaal zullen onze vrienden beetje bij beetje dichter bij onze Heer
komen. Wij zullen weerstand ondervinden, vaak een gevolg van de erfzonde die
haar stempel op de ziel achterlaat, en de persoonlijke zonden. Voor ons is het
zaak het werk van God te vergemakkelijken door
gebed en versterving, door zich echt te
bekommeren om de betrokkenen, door het geven van een goed voorbeeld,
door het juiste woord op het juiste moment te spreken met oprechte vriendschap
en begrip, door hun gebreken over het hoofd te zien. Als onze vrienden traag
zijn in het beantwoorden van de genade, moeten we des te edelmoediger zijn met
onze tekenen van vriendschap en genegenheid; zo versterken wij de menselijke
basis van apostolaat. Het is een teken van ware vriendschap van onze kant en
van oprechtheid van onze bedoelingen, als we onze relatie met iemand verdiepen,
die zich niet schijnt te willen inlaten met iets dat hem of haar dichter bij
Jezus zou kunnen brengen. Dit bewijst dat we bezield zijn door het verlangen,
dat God hier op aarde veel vrienden moge hebben en dat onze vrienden het ware
geluk vinden.
De evangeliën laten ons zien hoe onze Heer een vriend voor
zijn leerlingen was, en hun zoveel tijd gaf als nodig was: Hij vraagt hun, om
het gesprek te beginnen, of zij iets te eten hebben. Dan maakt Hij een maaltijd
voor hen klaar aan de oever van het meer. Hij gaat weg met Petrus en vraagt
hem, terwijl Johannes achterna komt, voort te gaan met Hem te vertrouwen. Het
mag ons niet verbazen dat enkele vrienden, met wie de Vriend op deze manier
omging, nadien voor Hem hun leven geven door hun martelaarschap voor de redding
van de wereld. Laat ons bidden tot Onze Lieve Vrouw, dat Zij ons zal helpen
Jezus na te volgen op zo'n manier, dat we in de vriendschap niet alleen maar
passief zijn. «Je moet een echte vriend van je vrienden worden: je moet
werkelijk een steun voor hen zijn. In de eerste plaats door je voorbeeld en
verder met je adviezen en door de invloed die je hebt door hun je vertrouwen te
geven.»11
-1. Eerste lezing van de Mis, Hnd 4,12.
-2. Vgl. Mt 28,7. -3 Joh 21,2 e.v. -4. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 266. -5. Vgl.
F. Fernández-Carvajal, Lauwheid, de duivel in vermomming. -6. Vgl. H.
Augustinus, Commentaar over het Johannesevangelie. -7. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 267.
-8. R.A. Knox, Preek op het feest van Petrus en Paulus, 29 Juni 1947.
-9. H. Jozefmaria Escrivá, De
Voor, 207. -10. Joh 21,15-17. -11. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 731. Paasoktaaf.
Zaterdag
|