Drieëntwintigste week. Maandag
13. Steek uw hand uit
-God vraagt niet het onmogelijke. Hij geeft ons de genade
die we nodig hebben om heilig te worden. -Strijd in het kleine, in wat binnen
ons bereik ligt, in wat ons binnen de geestelijke leiding is aangeraden.
-Volgzaam in wat de Heer elke dag van ons vraagt.
13.1 Jezus
ging op zekere sabbat de synagoge binnen; er was daar en man met een verschrompelde hand. De
heilige Lucas geeft het detail dat het zijn rechterhand was.1 De schriftgeleerden en Farizeeën hielden Hem in de
gaten om te zien of Hij op sabbat zou genezen. De farizeïsche interpretatie van
de wet stond genezing op sabbat alleen toe, als er levensgevaar was. Dat was
niet het geval met deze man, die met zijn hoop op Jezus gevestigd naar de
synagoge gekomen was.
Jezus was zich wel bewust van de gedachtenprocessen en
intriges van degenen die meer door de letter dan door de geest van de wet
geleid werden. Hij zei tegen de zieke man: Sta op en kom in het midden. De man stond op en trad
naderbij. En Jezus, opkijkend, richtte zijn blik op hen en zei
tegen de man: Steek uw hand uit.
Ondanks eerdere ervaring, deed de man een poging om te doen wat de Heer hem
zei, en zijn hand was weer gezond.
De man was vooral genezen door de goddelijke macht van Christus' woorden, maar
het is ook waar dat hij genezen werd door zijn volgzaamheid om precies uit te
voeren wat van hem gevraagd werd. Zo gaat het met wonderen van genade: als we
geconfronteerd worden met gebreken die onoverkomelijk lijken of met
apostolische doelen die te hoog gegrepen of te moeilijk lijken, vraagt de Heer
van ons een bijzondere houding. Aan de ene kant bestaat deze in vertrouwen in
Hem, dat men toont door zijn toevlucht te nemen tot de beschikbare
bovennatuurlijke middelen. Aan de andere kant bestaat ze in te doen wat we
kunnen, in te luisteren naar wat Hij ons in de intimiteit van ons gebed of door
geestelijke leiding zegt.
Sommige kerkvaders hebben in deze woorden van de Heer Steek uw hand uit de noodzaak
gezien om deugden te beoefenen. De heilige Ambrosius merkt op: «Steek uw hand
dikwijls uit en bewijs zo uw naaste gunsten; bescherm wie gij onder laster
gebukt ziet gaan tegen elke vorm van onrecht, steek uw hand ook uit naar de
arme die van u bedelt, steek uit hand uit naar de Heer en vraag Hem om
vergeving van uw zonden. Zo moet u uw hand uitsteken, en zo zult u genezen worden.»2 Dit doen we door kleine oefeningen te verrichten van
de deugd die we proberen te verkrijgen, door kleine stappen te zetten naar het
doel dat we wensen te bereiken. Als we ons concentreren op wat we aan het doen
zijn, doet God wonderen door onze ogenschijnlijk kleine inspanningen. Als de
man met de verschrompelde hand zijn vertrouwen meer op zijn eigen eerdere
ervaringen had gesteld dan op het woord van de Heer, had hij waarschijnlijk het
weinige dat de Heer van hem vroeg niet kunnen doen, en misschien had hij de
rest van zijn leven met zijn ongenezen handicap door moeten brengen. Deugden
worden dag in dag uit gevormd. Heiligheid ontstaat door trouw te zijn in kleine
dagelijkse dingen, in daden die onbelangrijk zijn als ze niet bezield worden
door genade.
«De scherpe kanten moeten
er -zoals bij het bewerken van een stuk steen of hout- elke dag een
beetje meer afgevijld worden, door de
gebreken aan ons persoonlijk leven achter te laten, met een geest van
boetvaardigheid, met kleine verstervingen... Daarna zal Jezus aanvullen wat
ontbreekt.»3 Hij is het die werkelijk het werk
van de heiligheid tot stand brengt; Hij is
het die zielen in beweging zet. Hij
rekent daarbij wel op onze medewerking, die we geven door te gehoorzamen
aan hetgeen ons duidelijk gemaakt is, ofschoon het zonder betekenis mag lijken,
zoals in het geval van het uitsteken van iemands hand. Dit alles voert tot een
blijmoedige ascetische strijd waarmee we nooit zullen ophouden. Onze kracht
rust in het kleine.
13.2 Steek uw hand uit... Ga binnen
in die kleine dingen die je dagindeling bepalen. Dikwijls bereiken we de doelen
waar we naar streven niet, omdat we innerlijk niet overtuigd zijn van de
noodzaak van de goddelijke genade die onze kleine inspanningen effectief maakt.
Lauwheid verlamt het beoefenen van de deugden, terwijl liefde
er vleugels aan verleent. Liefde is «het werktuig van de heiligen». Lauwheid
zorgt ervoor dat de geringste inspanning te moeilijk lijkt: bijvoorbeeld een
brief die we moeten schrijven, een telefoontje dat we plegen, een gesprek dat
we moeten hebben, nauwkeurigheid in het uitvoeren van onze dagelijkse plannen.
Een korrel zand wordt een berg. Wie lauw is denkt dat, hoewel de Heer hem
vraagt zijn hand uit te steken, hij zelfs dat beetje niet kan doen. Omdat hij
zo denkt steekt hij zijn hand niet uit... en hij wordt niet genezen. Liefde
echter ontlokt een overvloedige bovennatuurlijke uitwerking van de kleine
deugdoefeningen die we van de ochtend tot de avond kunnen verrichten. Liefde
smeedt deugden, verdrijft onvolkomenheden en ontsteekt in ons het verlangen
naar heiligheid. Zoals waterdruppels de rots glad slijten en hem uiteindelijk
doorboren, zo vormen onze herhaaldelijke goede daden gewoonten, duurzame
stappen op de weg van de deugd. Ze houden deze deugden levend en vergroten ze.4 Liefde wordt versterkt door daden die nauwelijks
belangrijk lijken - een vriendelijk gezicht, glimlachen, een aangenaam klimaat
scheppen om ons heen, zelfs als we moe zijn, niet spreken over dingen die
anderen ergeren of moeilijkheden veroorzaken voor anderen, niet ongeduldig
worden in de file, een vriend helpen die achter raakt in zijn werk,
college-aantekeningen kopiëren voor iemand die ziek was...
Diepgewortelde tekortkomingen, als bijvoorbeeld luiheid,
egoïsme, jaloezie, zullen overwonnen worden als we aan die woorden van Christus
-steek uw hand uit-
denken. Iemand wordt beter als hij, met Gods genade, strijdt in kleine dingen
-opstaan als we dat moeten en niet nog even blijven dutten, aandacht hebben
voor zorg en netheid in onze kleding, in onze boeken. We gaan vooruit als we
proberen degenen die met ons leven, te dienen zonder dat ze het opmerken, als
we proberen om minder te denken over onze gezondheid of persoonlijke zorgen. We
moeten weten hoe we een goede keuze kunnen maken uit televisieprogramma's en we
moeten het toestel uit kunnen zetten als we een verkeerde keus gemaakt hebben.
De Heer zegt altijd tegen ons: Steek uw hand uit. Ofschoon we bij andere
gelegenheden in gebreke gebleven zijn, kunnen we onze onbekwaamheid overwinnen
door kleine inspanningen die ingegeven worden door de Heilige Geest en door de
aanwijzigingen die we ontvangen hebben, bijvoorbeeld in de geestelijke leiding,
in de biecht, in een preek...
Behalve van Gods genade, waarop we ons kunnen verlaten,
hangt heiligheid in grote mate van onszelf af, van onze volgzaamheid en
niet-verslappende inspanning. Van de heilige Thomas van Aquino wordt gezegd dat
hij een man van weinig woorden was. Op een dag vroeg zijn zuster wat zij moest
doen om heilig te worden. Zonder aarzeling zei hij: «Dat willen». We vragen de
Heer dat wij elke dag bij Hem mogen komen met het verlangen heilig te worden,
gehoorzaam in onze strijd om de doelen te bereiken die voor ons zijn uitgezet
in de geestelijke leiding.
13.3 De
man met de verschrompelde hand was gehoorzaam aan Jezus' woorden. Temidden van
iedereen stond hij op toen de Heer hem dat vroeg. Hij luisterde naar zijn
woorden die hem zeiden zijn verschrompelde hand uit te steken. Geestelijke
leiding is afgestemd op intieme werking van de Heilige Geest in de ziel, die
zonder ophouden kleine veroveringen ingeeft die ons gereed maken voor het ontvangen
van extra genaden. Als een gedoopte alles doet wat hij kan om deugden te
ontwikkelen in zijn ziel -hindernissen wegnemen, afstand nemen van aanleidingen
tot zonden, resoluut en beslist vechten bij de eerste verleidingen- verschaft
God overvloedig nieuwe hulp om ontkiemende deugden te versterken; Hij verleent
de gaven van de Heilige Geest die de gewoonten vervolmaken die reeds door de
genade gevormd zijn.
De Heer wil dat we een waarachtig verlangen hebben om heilig
te worden, een verlangen dat in specifieke daden wordt verwezenlijkt. In het
innerlijk leven zijn algemene ideeën niet voldoende. «Heb je gezien hoe ze dit
machtige bouwwerk hebben laten oprijzen? -Een baksteen, en nog een. Duizenden
bakstenen! Maar één voor één. -En zakken cement, één voor één. En blokken
steen, waarvan elk op zich, vergeleken met het geheel, weinig voorstelt. -En
brokken ijzer. -En arbeiders die dag in dag uit evenveel uren werken.
»Heb je gezien, hoe ze dit machtige bouwwerk opgetrokken
hebben?... -Door almaar kleine dingen!»5
Dikwijls als mensen over heiligheid spreken, noemen ze de
meer opvallende aspecten ervan -de grote beproevingen, de buitengewone
omstandigheden, soms zelfs het martelaarschap- alsof de heiligheid daarin
bestond en bedoeld zou zijn voor slechts een paar uitzonderlijke personen;
alsof de Heer de meerderheid van de mensen tot middelmatigheid had bestemd. Het
tegendeel is waar. De Heer roept iedereen tot heiligheid: de zeer drukke moeder
met kinderen die nauwelijks genoeg tijd heeft om haar huishouden te besturen,
de zakenman, de student, de bediende in het warenhuis. De Heilige Geest zegt
tegen ons allemaal: Dit is de wil
van God -uw heiliging.6 Deze wil
is krachtdadig, omdat God de omstandigheden die we doormaken in ons leven, in
rekening brengt. Hij geeft ons de genade die we nodig hebben om op een heilige
manier te handelen.
Om in deugd te groeien, moeten we aandacht schenken aan wat
de Heer tot ons zegt, dikwijls door tussenpersonen, en we moeten dat advies in
praktijk brengen. «Wat een verheven voorbeeld van deze volgzaamheid is aan ons
allen gegeven door de allerheiligste Maagd, Maria van Nazareth. Ze sprak haar
fiat uit» en daarmee haar volledige beschikbaarheid voor Gods plan, en de Geest
begon in haar de verwezenlijking van het verlossingsplan.7 We vragen onze moeder Maria ons te helpen steeds
gehoorzamer te worden aan de Heilige Geest en te groeien in de deugden door te
strijden om de kleine doelen van elke dag te bereiken.
-1. Lc
6,6-11. -2. H. Ambrosius, Commentaar op het evangelie van Lucas, in loc.
-3. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 403. -4. Vgl. R. Garrigou-Lagrange o.p., Het zieleleven van den christen,
I. -5. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 823. -6. 1 Tess 4,3. -7. Johannes Paulus ii, Toespraak, 30 mei 1981.
|