Zesde zondag door het jaar (A)
43. Sterk in het geloof
-De
geloofsschat. Een schat die elke generatie ontvangt
uit handen van de Kerk, die haar trouw bewaart met de bijstand van de Heilige
Geest en haar gezagsvol uitlegt. -Alles vermijden wat de deugd van het geloof
ondermijnt. -Voorzichtigheid met lectuur.
43.1 De Heer vertelt ons in het evangelie van vandaag1 dat Hij de Oude
Wet niet komt afschaffen maar haar tot
vervulling brengen; Hij herstelt, vervolmaakt en
verheft de voorschriften uit het Oude Testament tot een hogere orde. De leer
van Christus heeft een eeuwigheidswaarde voor de mensen van alle tijden. Zij is
«de bron van alle heilswaarheid en ordening van zeden.»2 Zij is een schat
die elk geslacht ontvangt uit handen van de Kerk, die haar trouw bewaart onder
de bijstand van de Heilige Geest en haar met gezag uiteenzet. «Als we het
geloof dat de Kerk ons voorhoudt aanvaarden, stellen we ons in rechtstreekse
verbinding met de apostelen [...] en door hen met Jezus, onze eerste en enige
Leraar. We gaan bij hen naar school, en overbruggen de afstand van de eeuwen
die ons van hen scheiden.»3 Dankzij dit levend Leerambt kunnen we in zekere zin zeggen, dat de
hele wereld zijn leer ontvangen heeft en in Galilea veranderd is: heel de aarde
is Jericho en Kafarnaüm, de mensheid ligt aan de oevers van het meer van
Genesareth.4
Het trouw bewaren van de geloofswaarheden is
een onmisbare vereiste voor het heil van de mensen. Welke andere waarheid kan
de mens redden behalve de waarheid van Christus? Welke «nieuwe waarheid» kan
van belang zijn -zelfs als ze van de wijste der mensen zou komen- als deze ons wegvoert van de leer van de
Meester? Wie zou het Goddelijke Woord naar eigen smaak durven uitleggen,
wijzigen of aanpassen ? Dit verklaart waarom de Heer ons vandaag waarschuwt: Wie dus een van die
voorschriften, zelfs het geringste, opheft en zo de mensen leert, zal de
geringste geacht worden in het Rijk der hemelen.
De heilige Paulus vermaande Timoteüs aldus: Bewaar wat u is
toevertrouwd, en keer u af van het profaan en leeg geredeneer en de opwerpingen
van de zogenaamde gnosis; sommigen die haar verkondigen zijn het spoor van het
geloof reeds bijster geraakt.5 De Kerk
bewaart als een schat het geheel van waarheden, dat zij van Christus heeft
ontvangen en dat zij dient te bewaren tot het einde der tijden.
De waarheid van het geloof «verandert niet met
de tijd; zij slijt niet af in de loop van de geschiedenis. Zij kan een
pedagogische vitaliteit en een eigen pastoraal inzake het taalgebruik toelaten
of zelfs vereisen, en aldus een ontwikkelingslijn beschrijven, op voorwaarde
dat, volgens de welbekende traditionele uitspraak van de heilige Vincentius van
Lérins [...]: 'quod ubique, quod semper, quod ab omnibus': 'wat overal, altijd,
door iedereen geloofd is, dat dìt behouden blijft als deel uitmakend van het
geloofsgoed [...] Deze dogmatische vastheid verdedigt het authentieke erfgoed van
de katholieke godsdienst. Het Credo verandert niet, veroudert niet, gaat niet
verloren.»6 Het is de krachtige pilaar waarvoor we niet mogen wijken, zelfs niet
in het kleinste, hoewel we van nature geneigd kunnen zijn toegeeflijk te zijn.
«Het stuit je tegen de borst te kwetsen, verdeeldheid te scheppen, je niet
tolerant te tonen... Vandaar je meegaandheid ten aanzien van verschillende
houdingen en standpunten -het gaat om niets ernstigs, verzeker je me- die rampzalige
gevolgen voor velen met zich meebrengen.
»Neem me mijn openhartigheid niet kwalijk: met
die manier van doen kom je terecht in de domste en schadelijkste vorm van
intolerantie en daar heb je zo'n hekel aan: verhinderen dat de waarheid wordt
verkondigd.»7 En de waarheid bekend maken is dikwijls het grootste goed dat we de
mensen om ons heen kunnen geven.
43.2 De christen, bevrijd van de elke dwingelandij van de zonde, voelt zich
geprikkeld door de Nieuwe Wet van Christus om zich voor God, zijn Vader, te
gedragen als zijn kind. Morele normen zijn dan niet louter richtingaanwijzers
die de grenzen aangeven van wat toegestaan of verboden is. Ze zijn openbaringen
van de weg die naar God leidt; ze zijn uitingen van liefde.
We moeten grondig het geheel van waarheden en
voorschriften kennen die het geloofsgoed vormen, aangezien dit de schat is die
de Heer ons via zijn Kerk geeft om het heil te verkrijgen. Deze rijkdom van
waarheden wordt vooral beschermd door godsvrucht (gebed en sacramenten), door
een serieuze leerstellige vorming, en ook door verstandig te zijn in het
uitkiezen van wat we lezen.
Niemand vindt het vreemd dat bijvoorbeeld een
hoogleraar in de natuurkunde of biologie bepaalde boeken aanbeveelt, maar de
studie van andere afraadt, het lezen van een concrete uitgave nutteloos of
zelfs schadelijk verklaart voor iemand die echt geïnteresseerd is om een
serieuze wetenschappelijke opleiding te krijgen. Daarentegen zijn er mensen die
zich erover verbazen dat de Kerk opnieuw haar leer bevestigt dat het
noodzakelijk is boeken te vermijden die schadelijk voor het geloof of de moraal
zijn, en dat ze haar recht en plicht uitoefent om boeken die in strijd zijn met
de geloofswaarheid te onderzoeken, te beoordelen en in uiterste gevallen te
veroordelen.8 De wortel voor deze ongemotiveerde verbazing zou men kunnen zoeken in
een zekere vervorming van de 'zin voor de waarheid' die een leergezag alleen
wil erkennen op wetenschappelijk gebied, maar oordeelt dat op het terrein van
religieuze waarheden slechts min of meer gefundeerde meningen gegeven mogen
worden.
Als wij in ons gebed de trouw aan de schat van
de openbaring hernieuwen, herinneren wij ons tegelijkertijd, dat ook de
natuurwet, die de Heer in ons hart geschreven heeft, ons van binnenuit ertoe
prikkelt om de gaven van de hemel naar waarde te schatten en ons dientengevolge
ertoe «verplicht naar vermogen alles te vermijden wat de deugd van het geloof
ondermijnt»9, zoals ze ons bij voorbeeld vraagt het fysieke leven in stand te
houden. Daarom «zou het een zonde zijn als we ons geloof vrijwillig in gevaar zouden
brengen door schadelijke boeken te lezen, zonder dat hiertoe redenen aanwezig
zijn, ofschoon hierop tegenwoordig geen enkele kerkelijke straf staat.»10
Na het langdurig bestuderen van het werk van
schrijvers die onbekend waren met het geloof of niet geloofden, gaf de heilige
Basilius de raad: «Ge moet dus tot in details het voorbeeld van de bijen
volgen. Zij gaan niet naar elke bloem toe en ze proberen ook niet alles van de
bloemen mee te nemen waarop ze neerdalen op hun vlucht. Als ze eenmaal genoeg
genomen hebben voor hun doel laten ze de rest met rust.
»Als we voorzichtig zijn, zullen ook wij van
deze auteurs nemen wat geschikt is, wat het meest aansluit bij de waarheid en
de rest achterlaten. Zoals we de doornen vermijden wanneer we een roos plukken,
moeten we oppassen voor wat de belangen van de ziel kan schaden, als we de best
mogelijke vruchten uit zulke geschriften willen halen.»11
Bedachtzaamheid bij het kiezen van wat we lezen
is een uiting van trouw aan de leer van Jezus Christus. Het geloof is onze
grootste schat, en voor niets ter wereld mogen we ons aan het risico
blootstellen het te verliezen of af te zwakken. Niets is de moeite waard,
vergeleken met het geloof. We moeten op onszelf passen en op anderen, maar heel
bijzonder op degenen die God ons op enigerlei wijze heeft toevertrouwd:
kinderen, leerlingen, broers en zussen, vrienden...
43.3 Gelukkig degenen wier
levensweg rein is, die voortgaan volgens de wet van de Heer. Gelukkig die acht
slaan op wat Hij verordent, Hem zoeken met heel hun hart12, zo spreekt de
tussenzang van vandaag, onze gesteldheid opwekkend om Jezus Christus trouw te
volgen.
Onder de buitengewoon delicate situaties die de
onkreukbaarheid van het geloof in gevaar kunnen brengen, heeft de Kerk altijd
gewezen op het lezen van boeken die direct of indirect een aanslag plegen op de
godsdienstige waarheden of de goede zeden.
De geschiedenis laat immers overduidelijk zien, dat een christen -zelfs als hij
aan alle voorwaarden van godvrucht en
kennis van de leer voldoet- zich niet zelden op een dwaalspoor laat brengen
door het deel of de schijn van
waarheid die elke dwaling altijd bevat.13
Geef
mij begrip om uw wet na te leven, om hem te volgen met heel mijn hart, zeggen wij tot Jezus met de woorden van de tussenzang.14 En Hij zal ons
geweten vormen en ons ertoe aanzetten nederig te zijn. zo zullen wij ons laten
adviseren en een verstandige keuze maken wanneer we wetenschappelijke,
humanistische, en literaire vraagstukken moeten bestuderen, waarbij de
zuiverheid van ons geloof gevaar zou kunnen lopen. Als we ons geloof als een
schat bewaken, zullen we zonder valse complexen zijn -zoals zoveel christelijke intellectuelen zich altijd
hebben gedragen: professoren, leraren,
onderzoekers enz.-, zonder oppervlakkig 'met mijn tijd mee' te willen
gaan. Als we nederig en voorzichtig zijn, als we 'gezond verstand' hebben,
zullen we niet zo zijn «als degenen die vergif vermengd met honing innemen.»15
Trouw aan het evangelie en het leerambt van de
Kerk hebben wij een vorming nodig, die ons in staat stelt in te schatten wat er
aan waardevols is in de verschillende uitingen van de cultuur. Want de christen
moet altijd openstaan voor wat werkelijk positief is. Tegelijkertijd zullen we
aan het licht brengen wat tegen de christelijke levensvisie ingaat. Laten we de
heilige Maagd, Zetel van wijsheid bidden om zulk een onderscheidingsvermogen bij onze studie, bij het
lezen en op het gehele terrein van denkbeelden en cultuur. Laten we haar ook
bidden ons te leren meer en meer de schat van ons geloof lief te hebben en op
haar waarde te schatten.
-1. Mt 5,17-37. -2. Vaticanum ii, Dogm.
const. Dei Verbum, 7. -3. Paulus vi, Toespraak, 1 maart 1967. -4. P. Rodríguez, Fe y vida de fe. -5. 1. Tim 6,20-21. -6. Paulus vi Algemene audiëntie, 29
september 1976. -7. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 600. -8. Wetboek van Canoniek Recht, cn. 822-832. -9. J. Mausbach-G. Ermecke, Katholische Moraltheologie. -10. Vgl. Ibidem. -11. H. Basilius, Het lezen van heidense
literatuur. -12. Ps 119,1-2. -13. Pius xi, Const. Deus scientiarum Dominus, 24 mei 1931. -14. Ps 118,34. -15. H. Basilius, loc. cit.
|