Meditaties over de
Heilige Eucharistie (2)
43. SUBSTANTIËLE TEGENWOORDIGHEID VAN CHRISTUS IN DE EUCHARISTIE
-De
'transsubstantiatie'. -Het tabernakel: werkelijke tegenwoordigheid
van Christus. -Vertrouwen en eerbied jegens de Jezus in het Sacrament.
43.1 Visus,
tactus, gustus in te fallitur... Zien, smaken en voelen falen hier bij U, veilig
brengt hier enkel het horen tot geloof; ik geloof in al wat Gods Zoon heeft
gezegd; niets is meer waarachtig dan dit woord van waarheid.1
Wanneer het
gezichtsvermogen, de smaak of het gevoel over de -waarachtige, werkelijke en
substantiële- tegenwoordigheid van Christus in de
eucharistie oordelen, dan falen zij volkomen: zij zien de uiterlijke
verschijningsvormen, de bijkomstigheden; zij nemen de kleur van brood of wijn, de geur, de vorm, de hoeveelheid waar, maar
zij kunnen geen gevolgtrekking maken ten aanzien van de daar aanwezige
werkelijkheid, want hun ontbreekt het gegeven van het geloof, dat hen
uitsluitend bereikt door de woorden, waarmee
ons de goddelijke openbaring is overgeleverd: veilig brengt hier enkel het horen tot geloof.
Wanneer wij dan ook met de ogen van de ziel dit onuitsprekelijke
mysterie beschouwen, dan moeten we dat doen «met nederige eerbied, door niet de
menselijke rede te volgen -die moet zwijgen!-, maar door ons krachtig aan te
sluiten bij de goddelijke openbaring»2, die ons
deze waarachtige en geheimvolle werkelijkheid doet kennen.
De Kerk leert ons,
dat Christus werkelijk tegenwoordig komt in de heilige
eucharistie «door de verandering van heel de substantie van het brood in zijn
lichaam en de verandering van heel de substantie van de wijn in zijn bloed;
alleen de eigenschappen van brood en wijn, die wij met onze zintuigen
waarnemen, blijven intact. Deze geheimvolle verandering wordt door de heilige
Kerk passend en treffend 'transsubstantiatie' genoemd.»3
En dezelfde Kerk waarschuwt ons, dat elke uitleg die men wil geven tot een
beter begrip van dit onuitsprekelijke geheim «veilig dient te stellen dat het
brood en de wijn, in de natuur der dingen
zelf en onafhankelijk van onze geest, bij de consecratie ophouden te
bestaan, zodat na de consecratie het aanbiddelijke lichaam en bloed van
Christus waarlijk vóór ons tegenwoordig zijn, in de sacramentele gedaanten van
brood en wijn.»4
«Vanuit de natuur der dingen zelf», «onafhankelijk
van mijn geest»... Na de consecratie is Jezus tegenwoordig, op het altaar en in
het tabernakel, waarin de geconsacreerde gedaanten worden bewaard, ook al zou
ik, uit blindheid, niet de minste geloofsdaad stellen of door de verstoktheid
van mijn hart, geen enkele vorm van liefde betuigen. Niet «mijn ijver» stelt
Hem tegenwoordig; Híj zelf is er.
Toen in de vierde eeuw de heilige Cyrillus van
Jeruzalem deze buitengewone waarheid wilde uitleggen aan de pas bekeerde
christenen, bediende hij zich bij wijze van voorbeeld
van het wonder dat de Heer verrichtte tijdens de bruiloft van Kana in Galilea, waar Hij water in wijn veranderde.5 De heilige Cyrillus vraagt zich af: als Hij zulk een
wonder verrichtte door het water in wijn te veranderen «zouden wij dan denken
dat het weinig gevoeglijk is te geloven, dat Hij de wijn in zijn Bloed heeft
veranderd? Als Hij op een bruiloft zulk een
geweldig wonder heeft verricht, mogen wij dan niet met des te meer
redenen aannemen, dat Hij de kinderen van het huwelijksbed zijn Lichaam en
Bloed heeft gegeven om hen te voeden? [...]. Beschouw daarom het brood en de wijn
niet als simpele, gewone elementen..., en ook al wekken uw zintuigen een tegenovergestelde
indruk, het geloof zal u de zekerheid geven van wat het in werkelijkheid is»6; deze werkelijkheid is Christus zelf, die zich
weerloos aan ons overlevert. De zintuigen vergissen zich volledig, maar het
geloof geeft ons de grootst mogelijke zekerheid.
43.2 Bij het wonder van Kana werd de kleur van het water veranderd in de kleur van wijn; de smaak van het water veranderde
eveneens en werd omgevormd tot de smaak van
wijn, van goede wijn; de natuurlijke eigenschappen van het water
veranderden... Alles veranderde in dat water dat de dienaren bij Jezus brachten.
Niet alleen het uiterlijk, de bijkomstigheden, maar heel het wezen van het
water, zijn substantie: het water werd in wijn veranderd op het woord van de
Heer. Allen proefden van die uitstekende wijn, die enkele ogenblikken tevoren
nog gewoon water was.
In de heilige eucharistie verandert Jezus, door
middel van de woorden van de priester, niet -zoals in Kana- de bijkomstigheden van brood en wijn (de kleur,
smaak, vorm, hoeveelheid), maar alleen de substantie, het eigenlijke
wezen van brood en wijn, die ophouden brood en wijn te zijn en op wonderbare en
bovennatuurlijke wijze worden veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus.
De uiterlijke gedaante van brood blijft bestaan, maar er is geen brood meer; de
gedaanten van wijn blijven gehandhaafd, maar er is niets meer van wijn. De substantie
is veranderd, datgene wat het voordien in zichzelf was, datgene waardoor iets
zodanig is voor de ogen van de Schepper. God, die kan scheppen en vernietigen,
kan ook iets veranderen in iets anders; Hij heeft gewild, dat in de heilige eucharistie deze wonderbare verandering
van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus alleen door
middel van het geloof kan worden waargenomen.
Bij het wonder van
de brood- en visvermenigvuldiging7, werden de substantie en de bijkomstigheden helemaal niet gewijzigd: er
was brood en vis in het begin, en dit voedsel
werd genuttigd door die vijfduizend mensen, totdat ze verzadigd waren.
In Kana veranderde de Heer een hoeveelheid
water, zonder die te vermenigvuldigen, in een zelfde hoeveelheid wijn:
op die afgelegen plek waarheen die menigten
Hem gevolgd waren, vermeerderde Jezus de hoeveelheid, zonder die in iets
anders te wijzigen. In het allerheiligst Sacrament verandert Jezus, door
middel van de priester, de substantie zelf, waarbij de bijkomstigheden, de
uiterlijke gedaanten blijven bestaan.
Christus' komst in het Sacrament des altaars is
geen beweging ter plaatse, zoals wanneer iemand van de ene naar de andere plek
gaat. Hij komt tegenwoordig door die wonderbaarlijke 'verandering' van brood en
wijn in zijn Lichaam en Bloed. Quod
non capis, quod non vides, animosa firmat fides... Wat gij niet begrijpt of
zien kunt, wordt in diep geloof beleden, buiten de orde der natuur...8
Christus is in de heilige eucharistie
tegenwoordig met zijn Lichaam, zijn Bloed, zijn ziel en zijn godheid. Het is
dezelfde Jezus die in Betlehem werd geboren, die in de armen van Jozef en Maria
naar Egypte moest vluchten, die in Nazaret
opgroeide, waar Hij hard gewerkt heeft, die gestorven en op de derde dag
verrezen is; dezelfde Jezus, die nu in heerlijkheid zit aan de rechterhand van
God de Vader. Dezelfde! Maar het is begrijpelijk dat Hij niet op dezelfde wijze
tegenwoordig kan zijn, ook al is zijn aanwezigheid dezelfde. «Ten aanzien van
Christus -schrijft de heilige Thomas van
Aquino- is zijn natuurlijke wezen niet hetzelfde als zijn sacramentele
wezen.»9 Maar zijn tegenwoordigheid in het
tabernakel is niet minder werkelijk dan die in de hemel: «Christus is geheel en
al tegenwoordig in zijn fysieke, ook lichamelijke werkelijkheid, hoewel niet op
dezelfde wijze als een lichaam zich op een plaats bevindt.»10 We kunnen verder weinig meer zeggen over deze
wonderbare tegenwoordigheid.
Wanneer wij Hem gaan opzoeken, kunnen we in de
strikte zin van het woord zeggen: ik sta vóór Jezus, ik sta vóór God. Zoals die
mensen konden zeggen die, vervuld van
geloof, Hem op de wegen van Palestina tegenkwamen. Wij mogen zeggen:
«Heer, ik zie naar het tabernakel, en het zien, voelen, smaken falen..., maar
mijn geloof dringt door het kleed dat het kleine tabernakel bedekt heen en
ontdekt U daar, werkelijk tegenwoordig, wachtend op een daad van geloof, van
liefde, van dank..., zoals Gij die verwachtte van degenen over wie Gij uw macht
en uw medelijden uitgoot. Heer, ik geloof, ik hoop, ik bemin».
43.3 Zien, smaken
en voelen falen hier bij U... In de heilige
eucharistie nemen onze zintuigen de meest reële tegenwoordigheid die er rondom
ons bestaat inderdaad niet waar. Dat komt, omdat het hier gaat om de tegenwoordigheid
van een verheerlijkt en goddelijk Lichaam: het is bijgevolg een goddelijke
tegenwoordigheid, «een goddelijke bestaanswijze», die wezenlijk verschilt van
de wijzen van bestaan en tegenwoordigheid van lichamen die aan tijd en ruimte
onderworpen zijn.
Met de heilige eucharistie zijn de wijzen van
Jezus' tegenwoordigheid onder ons niet uitgeput. Hij heeft ons aangekondigd: Ik ben met u alle dagen tot aan de
voleinding der wereld.11 En Hij
is dat op velerlei manieren. De Kerk brengt
ons in herinnering, dat Hij tegenwoordig is in de meest behoeftigen, van ons gezin en van hen die wij niet kennen; Hij is aanwezig, wanneer wij in zijn naam
samenkomen.12 Op bijzondere wijze is Hij
aanwezig in Gods Woord...13 Al deze wijzen van aanwezigheid zijn werkelijk,
maar in de heilige eucharistie is God bij uitstek onder ons tegenwoordig,
vanwege het feit dat Christus in dit Sacrament in eigen Persoon tegenwoordig
is, op waarachtige, werkelijke en
substantiële wijze. Deze tegenwoordigheid -zo leert Paulus vi- «wordt werkelijk genoemd, niet ter
uitsluiting, als zouden de andere vormen minder werkelijk zijn, maar bij
uitstek, omdat deze tegenwoordigheid substantieel is, omdat hierdoor Christus,
God en Mens, daadwerkelijk geheel en volledig tegenwoordig komt.»14
Laten wij vandaag overdenken hoe wij ons dienen
te gedragen in zijn tegenwoordigheid, met welk vertrouwen en eerbied. Laten we overwegen of ons geloof zich
verdiept, wanneer wij vóór het tabernakel staan; of overheerst toch de
duisternis van de zintuigen die als verblind blijven in aanwezigheid van deze
goddelijke werkelijkheid? Hoe dikwijls hebben we niet tot Jezus gezegd: «Ik
geloof vast, Heer, dat Gij hier zijt, dat Gij me ziet, dat Gij me hoort; ik
aanbid U in diepe eerbied...»
De wonderen van de bruiloft te Kana en van de
brood- en visvermenigvuldiging, die we eerder hebben overwogen, kunnen ons
eveneens helpen om groter voordeel te trekken tot een beter begrip van dit
wonder van goddelijke liefde. In beide wonderen verlangt Jezus de medewerking
van anderen. De leerlingen zullen het voedsel uitdelen
aan de menigte en allen zullen verzadigd worden. In Kana zal Hij tot de
dienaren zeggen: doet die kruiken
vol water; en zij vulden die tot bovenaan toe, tot er niet méér in kon. Als
zij onwillig waren geweest en er minder water in gedaan hadden, zou de
hoeveelheid wijn ook minder zijn geweest. Iets dergelijks geschiedt ook in de
heilige communie. Ofschoon de genade altijd oneindig groot en de eer onverdiend
is, vraagt Jezus ook onze medewerking, Hij nodigt ons uit met onze eigen godsvrucht
de ontvangen genade te beantwoorden; Hij beloont ons in die mate waarin Hij in
ons hart die juiste gesteldheid aantreft, waar Hij ons om vraagt. Een steeds
groter verlangen, de zuiverheid van ons
hart, geestelijke communies, de eucharistische tegenwoordigheid
gedurende de dag en heel bijzonder als we in de buurt van een tabernakel
komen..., dat alles zal ons in staat stellen ons te vervullen van méér genade,
méér liefde, wanneer Jezus in ons hart komt.
-1. Hymne Adoro te
devote [Ned. vert. vgl. Laus Deo]. -2. Paulus vi, Enc. Mysterium fidei, 3-IX-1965. -3. Idem, Credo van het Volk van God, 30-VI-1968, 25. -4. Ibidem. -5. Vgl. H. Cyrillus van Jeruzalem, Catechesis Mystagogicas, IV, 2. -6. Ibidem, IV, 2 en 5. -7. Vgl. Joh 6,1 vv. -8. Sequentie Lauda, Sion, Salvatorem [Ned. vert. Laus Deo]-9. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III
q76 a6. -10. Paulus vi, Enc. Mysterium fidei, cit. -11. Mt 28,20. -12. Vgl. Vaticanum ii, Const. Sacrosanctum Concilium, 7. -14. Paulus vi, Enc. Mysterium fidei, cit.