Derde week.
Woensdag
18. TEKENEN
-De
Heer doet zich aan ons kennen met voldoende duidelijke tekenen. De noodzaak van
de juiste inwendige gesteldheden. -Bovennatuurlijke visie om de gebeurtenissen
in ons leven te begrijpen. Nederigheid. Zuiverheid van hart. Aanwezigheid van
God. -Bekering van de ziel om Jezus in ons doen en laten te ontmoeten.
18.1 Het
evangelie van de Mis1 toont ons
vandaag twee leerlingen van Johannes de Doper die Jezus de vraag stellen: Zijt
Gij de Komende of hebben wij een ander te verwachten? Er moet een of andere
ernstige twijfel door hun ziel waren. Op dat ogenblik genas Jezus veel
mensen van ziekten, kwalen en boze geesten en Hij schonk een groot aantal
blinden het gezicht terug. Toen antwoordde Hij degenen die gezonden waren: Gaat
aan Johannes zeggen wat gij gezien en gehoord hebt: blinden zien en lammen
lopen... Er was geen ander op wie ze moesten wachten: Ik ben Jahwe, en
niemand anders2,
verklaart Hij ons ook in de eerste lezing van vandaag. Hij brengt ons het geluk
waar wij op hopen; Hij verzadigt alle verwachtingen van de ziel. «Wie Jezus
vindt, vindt een goede schat... En wie Jezus verliest, verliest maar al te veel,
meer dan de hele wereld. Allerarmst is hij die leeft zonder Jezus en
allerrijkst wie goed met Hem is.»3 Nu
is er niets groters om te zoeken. Hij komt als een verborgen schat4, als een kostbare parel5 die op waarde geschat moet worden.
Verborgen
voor de ogen van de mensen die Hem verwachtten, werd Hij geboren in een grot.
Een paar herders met eenvoudig gemoed waren de eerste buitenstaanders om Hem te
aanbidden. Hun eenvoud stelde deze mensen in staat het Kind te zien, dat hun
aangekondigd was, en zich aan Hem over te geven en Hem te aanbidden. Ook de
Wijzen uit het Oosten, de grijsaard Simeon, die Israëls vertroosting
verwachtte, en de profetes Anna mochten Hem ontmoeten. En Johannes zelf die
Hem aanwees: Zie het Lam Gods... En verder een groot aantal van zijn
leerlingen en in de loop der eeuwen zovelen die Hem gemaakt hebben tot spil en
middelpunt van hun zijn en hun werken. Velen hebben hun leven gegeven voor Hem.
Ook wij hebben Hem ontmoet en dat is het opmerkelijkste in ons armzalig
bestaan. Zonder Hem zou ons leven niets waard zijn. Hij doet zich aan ons kennen
met duidelijke tekenen. Wij hebben verder geen bewijzen nodig om Hem te zien.
God geeft altijd voldoende
aanwijzingen om Hem te ontwaren. Er kan echter een gemis zijn aan de juiste
innerlijke gesteldheden om de Heer die voorbijgaat aan onze zijde te
zien. Zonder nederigheid en reinheid van hart is het niet mogelijk Hem te
herkennen, hoe dichtbij Hij ook is.
Vragen wij Jezus nu, in
ons persoonlijk gebed, om de juiste inwendige gesteldheden en een
bovennatuurlijke visie om Hem te ontmoeten in de mensen om ons heen: in de
natuur zelf, in het lijden, in het werk, in een kennelijke mislukking... Onze
eigen persoonlijke geschiedenis is vol aanwijzingen, zodat we ons niet in de
weg hoeven te vergissen. Ook wij kunnen onze broeders en zusters, vrienden en vriendinnen
zeggen: Wij hebben de Messias gevonden! met dezelfde zekerheid en
overtuiging als waarmee Andreas tot zijn broer Simon sprak.
18.2 Het
hebben van een bovennatuurlijke visie is de zaken zien zoals God die ziet, de
gebeurtenissen leren te duiden en te beoordelen vanuit de invalshoek van het
geloof. Alleen op die wijze kunnen wij ons leven en de wereld waarin wij
verkeren, begrijpen. Soms hoort men zeggen: 'Als God een wonder zou doen, zou
ik geloven, dan zou ik Hem serieus nemen'. Of ook: 'Als de Heer mij
overtuigender bewijzen van mijn roeping zou geven, zou ik me zonder enig
voorbehoud aan Hem overgeven'.
De Heer geeft ons
voldoende licht om de weg te volgen. Licht in de ziel en licht door de mensen
die Hij aan onze zijde plaatst. De wil echter heeft, als deze niet nederig is,
de neiging nieuwe tekenen te vragen en zou dan zelf willen oordelen of deze
toereikend zijn. In sommige gevallen is dit klaarblijkelijk oprecht verlangen
naar nieuwe bewijzen om de beslissing tot vollediger overgave te nemen slechts
schijn waarachter een vorm van traagheid of gebrek aan medewerking met de
genade schuilgaan.
Bij het begin van het
geloof, of de roeping, ontsteekt God gewoonlijk een klein licht dat alleen de
eerste schreden die gezet moeten worden, verlicht. Voorbij de eerste stappen
heerst duisternis. Maar in de mate waarin wij met daden aan dat licht beantwoorden, zullen licht en zekerheid
toenemen. En de Heer zal zich altijd in volle helderheid vertonen aan de
eenvoudige en nederige ziel die Hem werkelijk zoekt:
Gaat aan Johannes zeggen wat gij gezien hebt...
De Heer moet ons
aantreffen met die nederige en authentieke gesteldheid die vooroordelen
uitsluit en echt luisteren mogelijk maakt, omdat de taal van God, ook al is
deze aangepast aan onze wijze van zijn, zich in sommige gevallen voordoet als
moeilijk te aanvaarden, omdat deze indruist tegen onze plannen en grillen, of
omdat zijn woorden niet exact die zijn die wij verwachtten of graag zouden
horen. Soms kan onze materialistische omgeving ons valse redeneringen
voorhouden die strijdig zijn met de taal waarmee God zich aandient. Het is dan
alsof we twee verschillende talen beluisteren: die van God en die van de
wereld. De laatste bevat schijnbaar veel menselijke zinswendingen. Daarom
nodigt de Kerk ons uit te bidden: Almachtige en barmhartige God, laat geen
aardse werken ons weerhouden, nu wij ons haasten naar de ontmoeting met uw
Zoon, maar laat het onderricht in de hemelse wijsheid ons tot zijn deelgenoten
maken.6
18.3 Er
is geen ander te verwachten. Jezus Christus is onder ons en roept ons.
«Hij heeft op deze wereld duidelijke sporen van zijn stappen achtergelaten,
onuitwisbare tekenen die noch door het verglijden der tijden, noch door het
verraad van de vijand vervaagd zijn. Iesus Christus heri, et hodie: ipse et
in saecula (Heb 13,8). Wat denk ik hier graag aan. Jezus Christus, dezelfde
die hier gisteren was voor de apostelen en de mensen die Hem zochten, leeft
vandaag voor ons en zal door de eeuwen heen leven. Wij, mensen, kunnen soms
zijn altijd aanwezig gelaat niet ontwaren omdat we met vermoeide of benevelde
blik kijken.»7
Met een dergelijke
benevelde kijk en gebrek aan geloof hebben zijn landgenoten naar Jezus gekeken
toen Hij voor het eerst naar Nazareth kwam. Die Joden zagen in Jezus alleen de
zoon van Jozef 8 en
behandelden Hem ten slotte schandelijk; zij slaagden er niet in verder te
kijken. Wij willen de Heer zien, met Hem omgaan, Hem beminnen en dienen,
als het belangrijkste doel van ons leven. Er is niets wat daar boven gaat. Wat
een misser zou het zijn als we zouden afdingen of gebrek aan edelmoedigheid
zouden hebben in de zaken die God betreffen. «Open de deuren wagenwijd voor
Christus -spoort zijn plaatsbekleder hier op aarde ons aan-, heb vertrouwen in
Hem. Heb de durf Hem te volgen. Dat vergt vanzelfsprekend dat je uit jezelf
komt, dat je een eind maakt aan je redeneringen, voorzichtigheid,
onverschilligheid, je onbekwaamheid, je onchristelijke gewoonten die je je
misschien aangeleerd hebt. Ja, dat betekent daarvan afzien en je bekeren,
waarnaar je op de allereerste plaats moet durven verlangen, om moet vragen in
het gebed, en wat je nu in praktijk moet brengen. Laat toe, dat Christus voor
jou de weg, de waarheid en het leven is. Laat toe dat Hij je heil en geluk is.
Laat toe dat Hij bezit neemt van heel je leven om het met Hem in alle dimensies
te voleinden, opdat al je contacten, activiteiten, zintuigen, gedachten
geïntegreerd zijn in Hem en bij wijze van spreken 'gechristificeerd' worden. Ik
vraag je -zegt de heilige Vader- dat je met Christus God erkent als begin en
eind van je bestaan.»9
Wij moeten, telkens meer,
verlangen naar een bekering, dat is zich wenden naar de Heer om Hem te
beschouwen, nu we Kerstmis naderen, met een zuiverder kijk en nooit met
'vermoeide of benevelde blik'. Daarom smeken wij met de Kerk: Heer onze God,
wij bidden U: geef dat wij in gespannen verwachting uitzien naar de komst van
Christus. Laat uw Zoon, wanneer Hij komt en aanklopt, ons waakzaam vinden in
gebed, vol vreugde Hem lovend.10
De heilige Maagd zal ons
helpen in het gevecht tegen alles dat ons scheidt van God. Wij kunnen onze ziel
voorbereiden op de feesten die we gaan vieren en onze gevoelens beter bewaken
die als het ware de poorten tot de ziel zijn. Nunc coepi! Nu, Heer, ga
ik aan de slag; met de hulp van uw Moeder. Laten we onze toevlucht nemen tot
haar «omdat God niet wil, dat wij iets zouden hebben dat niet door de handen
van Maria is gegaan.»11
Concluderend kunnen we het
voornemen maken de Heer ons verlangen aan te bieden, trouw het leefplan uit te
voeren dat we met onze geestelijke leidsman hebben opgesteld, ook al zou het
misschien door een of andere omstandigheid moeilijk uitvoerbaar lijken. De
kracht van onze Moeder, de maagd Maria, zal onze zwakte te hulp schieten. En
zij zal ons bewijzen dat voor God niets onmogelijk is.12
-1. Lc
7,18b-23. -2. Jes 45,6. -3. Thomas
à Kempis, De navolging van Christus, II,8. -4. Mt 13,44.
-5. Mt 13,45-46. -6. Gebed uit de Mis van de tweede zondag van de
advent. -7. H. Jozefmaria Escrivá,
Vrienden van God, 127. -8. Lc 4,22. -9. Johannes Paulus ii, Toespraak in Parijs, 1 juni
1980. -10. Gebed uit de Mis van de maandag in de eerste week van de
advent. -11. H. Bernardus, Preek
3 op de vigilie van Kerstmis, 10. -12. Lc 1,37.
|