Vierentwintigste week. Dinsdag
23. TERUGGEKEERd TOT het LEVEN
-Bij alle noden van de ziel en het lichaam onze toevlucht
nemen tot het meedogend Hart van Jezus. -De goedertierenheid van de Kerk.
-Goddelijke barmhartigheid in het sacrament van de vergeving. Voorwaarden voor
een goede biecht.
23.1 Jezus
naderde een kleine stad, Naïm1, vergezeld door
zijn leerlingen en een grote menigte. Toen zij Naïm binnenkwamen ontmoetten zij
een begrafenisstoet. Een weduwe ging haar enige zoon begraven. Mischien moesten
Jezus en zijn volgelingen aan de kant van de weg wachten om de stoet te laten
passeren. Toen merkte Jezus de diepbedroefde moeder op: Toen de Heer haar zag, kreeg Hij medelijden met haar.
De evangelisten benadrukken gewoonlijk Christus reacties op lijden. Bij een
andere gelegenheid schrijft Matteüs over Jezus: Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door medelijden
bewogen, omdat zij afgetobd neerlagen als schapen zonder herder.2 Wanneer een melaatse met groot geloof smeekt om de
hulp van de Heer, stak Hij, door
medelijden bewogen, zijn hand uit en genas hem.3 Bij de grote menigte, die geen voedsel heeft, zegt
Hij tot zijn leerlingen: Ik heb
medelijden met deze mensen. Vervolgens vermenigvuldigde Hij de
broden en de vissen.4 Als antwoord op het
aanhoudende roepen van twee blinde mannen had Jezus medelijden met hen en raakte hun ogen aan. Terstond
konden zij zien en sloten zich bij Hem aan.5
Medelijden is eigen aan God, zegt de heilige Thomas van
Aquino.6 Medelijden toont zich het meest
volmaakt in Jezus Christus. «Vooral door zijn manier van leven en door zijn
daden liet Jezus zien dat er liefde aanwezig is in de wereld waarin wij leven
-een doeltreffende liefde, een liefde die zich richt op de mens en die alles
omvat wat zijn menselijkheid uitmaakt. Deze liefde maakt zichzelf vooral
duidelijk met betrekking tot lijden, onrecht en armoede -met betrekking tot de
gehele historische mensheid, die op
verschillende wijzen de beperktheid en zwakte laat zien, zowel op
materieel als op zedelijk gebied.»7 De
evangeliën zouden ons moeten aanzetten onze toevlucht te nemen tot het Hart vol
mededogen van Jezus in al onze zedelijke en materiële noden. Hij wacht op ons
liefdevol gebed.
Heer, hoor mijn
gebed, laat mijn hulpgeroep tot U doordringen, wend uw aanschijn niet van mij
af in het uur van mijn nood; maar neig Gij tot mij uw oor: waar ik roep tot U,
antwoord ijlings.8 Dit gebed wordt vandaag
door de priesters gelezen in het getijdengebed. De Heer hoort elk woord van ons. Hij is er
om ons onmiddellijk te helpen.
23.2 Bij
het zien van de weduwe van Naïm had
Jezus medelijden met haar en zei tot haar: 'Schrei maar niet'. Daarop trad Hij
op de lijkbaar toe en raakte die aan. De dragers bleven staan en Hij sprak:
'Jongeman, ik zeg je, sta op!' De dode kwam overeind zitten en begon te
spreken, en Jezus gaf hem aan zijn moeder terug.
Veel kerkvaders hebben in de weduwe van Naïm een
verpersoonlijking van de Kerk gezien voor zover zij zondaars weer verwelkomt
door de genadevolle tussenkomst van Christus. De Kerk is een moeder «die
bemiddelt voor ieder van haar kinderen zoals de weduwe voor haar enige zoon.»9 De heilige Augustinus merkt op «dat zij zich elke dag
verheugt over de bekering van de zondaars. De 'enige zoon' was gestorven naar
het vlees, maar deze zondaars waren dood naar de geest.»10 Als de Heer geroerd is door een menigte die honger
heeft, hoeveel te meer zal Hij bewogen worden om iemand te helpen die in
geestelijke nood is?
«De Kerk leeft echt wanneer zij medeleven belijdt en
verkondigt -de meest ontzagwekkende eigenschap van de Schepper en van de
Verlosser- en wanneer zij mensen dicht bij de bronnen brengt van het medelijden
van de Verlosser, waarvan zij de bewaarster en de uitdeelster is.»11 Deze zending wordt werkelijkheid wanneer zij mensen
brengt tot «een bewuste en volwassen deelname aan de eucharistie en het
sacrament van de verzoening. De eucharistie brengt ons altijd dichter bij deze
liefde die sterker is dan de dood... Het is het sacrament van boete dat de weg
klaar maakt voor iedereen, zelfs voor hen die gebukt gaan onder grote
tekortkomingen. In dit sacrament kan iedere mens op een unieke manier barmhartigheid
ondervinden, dat wil zeggen, de liefde die sterker is dan de zonde.»12
Christus gaat opnieuw door onze straten en steden en heeft
mededogen met zoveel kwalen waaronder deze lijdende mensheid gebukt gaat. Hij
is het meest bezorgd om diegenen die gebukt gaan onder de last van hun zonden.
Hij blijft zeggen: Komt allen tot
Mij... Hij nodigt ons uit de last van de zonden van ons af te
werpen. Door het sacrament van de biecht geneest Hij de wonden, die door de
zonde zijn veroorzaakt, door zijn grote barmhartigheid. Dit sacrament is voor
ons ingesteld als remedie tegen onze zwakheid. Het is het sacrament van
goddelijk geduld. Hier wacht God, onze Vader, op de terugkeer van zijn verloren
kinderen.
In welke mate stellen wij dit sacrament van barmhartigheid,
dat Christus ons gegeven heeft, op prijs? Het bevrijdt ons niet alleen van de
zonde, maar geeft ons ook kracht voor onze innerlijke strijd.
23.3 Gods
barmhartigheid is eindeloos, onuitputtelijk. «De bereidheid van de Vader om
zijn verloren kinderen die weer terugkeren naar zijn huis te ontvangen, is
eveneens eindeloos en onuitputtelijk. Grenzeloos zijn de bereidwilligheid en de
kracht van vergeving die onophoudelijk opwellen uit het offer van de Zoon. Geen
enkele menselijke zonde kan de overhand hebben over deze kracht of deze zelfs
maar beperken. Van de kant van de mens kan alleen een gebrek aan goede wil deze
beperken, een gebrek aan bereidheid om bekeerd te worden en berouw te hebben,
met andere woorden gedompeld blijven in halsstarrigheid, die zich verzet tegen
genade en waarheid.»13 Wij alleen kunnen
verhinderen, dat deze blik van Jezus, die geneest en bevrijdt, ons tot in het
diepst van de ziel bereikt.
Als wij groeien in onze kennis van en onze aanhankelijkheid aan de Heer, dan groeien wij ook
in ons verlangen naar de zuivering van ons binnenste. Het is nodig dat
wij sleur in onze biechtpraktijk vermijden, en dat wij ons bij het biechten
overgeven aan liefde en lijden. We moeten iedere biecht benaderen alsof het
onze laatste biecht zou zijn. Laten wij ons de vijf voorwaarden voor een goede biecht in herinnering roepen die wij waarschijnlijk
in onze kinderjaren hebben geleerd. Ten eerste: het gewetensonderzoek,
om een grondig overzicht van onze zonden en slechte gewoonten te maken. Ten
tweede: spijt over de zonden en wel met oprecht berouw. Ten derde: wij moeten
het voornemen hebben om niet meer te zondigen. Ten vierde moet de belijdenis
van onze zonden plaatshebben om de vergiffenis van Christus in een persoonlijke
ontmoeting te vragen. Ten vijfde moeten wij de boete volbrengen, die door de biechtvader
is opgelegd. Deze boete is niet alleen maar een daad van vroomheid, maar ook
van rechtvaardigheid. Het dient als herstel en voldoening voor de begane
zonden.
Laten wij dikwijls gaan biechten. Op deze manier zullen wij
iedere scheiding van de Heer vermijden, zelfs door kleinigheden. Laten wij de
hulp vragen van Onze Lieve Vrouw, de toevlucht van de zondaars, opdat wij
voortdurend de kwaliteit van onze biecht verbeteren. Wij moeten ook bedenken
dat het brengen van een vriend, een familielid of collega tot dit sacrament een
uitstekend werk van barmhartigheid is dat leidt tot vernieuwing van bovennatuurlijk
leven.
-1. Vgl. Lc
7,11-17. -2. Mt
9,36. -3. Mc 1,41.
-4. Mc 8,2. -5. Mt 20,34. -6. H. Thomas van Aquino, Summa Theologicae, II-II, q30, a4. -7. Johannes Paulus ii, Enc.
Dives in misericordia,
30 november 1980, 3. -8. Ps
102; 1-2. -9. H. Ambrosius, Commentaar over het Lucasevangelie, V, 92.
-10. H. Augustinus, Preek 98, 2. -11. Johannes
Paulus ii, Enc. Dives in Misericordia, 13. -12. Ibidem. -13. Ibidem.
|